Review

Amalia van Solms is Geyls gebeten hond

In zíjn tijd was dat heel wat: de geschiedschrijver P. Geyl had een hekel aan de Oranjes en dat liet hij in 'Oranje en Stuart' weten ook. De glorietijd van Nederland was het stadhouderloze tijdperk van 1650 tot 1672, legt Geyl uit. Leve De Witt, leve de bezonnen burger.

Jan Kuijk

Een geschil uit de eerste jaren van de 17de eeuw in de Republiek der Nederlanden heeft een paar eeuwen doorgewerkt: het conflict tussen staatsgezinden en orangisten. Ook de geschiedschrijving heeft er last van gehad, want alle spanningen uit het verleden komen weer tot leven als historici eenmaal achter hun schrijftafel zitten. Tegenover elkaar staan de regenteske burgers uit de republiek (en hun nazaten in de 19de eeuw) en de volkser partij die het houdt op de stadhouders uit het huis Oranje (en hun opvolgers).

Het thema heeft inmiddels veel van zijn actualiteit verloren, maar in 1939 zorgde Geyl nog voor een opleving van de discussie met zijn 'Oranje en Stuart, 1641-1672'. Deze massieve studie was het resultaat van een jaren omvattend onderzoek, ook in Engelse archieven, waarvoor Geyl als correspondent in Londen (1913 tot 1936) volop gelegenheid had gehad.

De titel verwijst naar de familiebetrekking tussen het huis van Oranje en het Engelse koningshuis Stuart, een band die in 1641 begon door het huwelijk van de vijftienjarige zoon van stadhouder Frederik Hendrik en Amalia van Solms -de latere Willem II- met Maria Stuart, de tienjarige dochter van de Engelse koning Karel I, die in de Engelse revolutie van 1649 werd onthoofd.

Die vorstelijke relatie vormt de achtergrond van Geyls verhaal. In feite is het boek een volledige en gedetailleerde beschrijving van de Republiek der Nederlanden tijdens het eerste stadhouderloze tijdperk (1650-1672), al begint Geyl zijn relaas in 1641 met wat hij 'het rampzalig huwelijk' tussen Frederik Hendriks zoon en Karels dochter noemt. Dat huwelijk gaf de Oranjes andere dan Nederlandse belangen, en legde een verband tussen het wel en wee van de Republiek en de in deze periode zeer tumultueuze ontwikkelingen in Engeland.

Met dat 'rampzalig' zette Geyl de toon voor de rest van het boek. Hij laat er geen moment twijfel over bestaan waar zijn sympathieën en antipathieën op dit drukbevolkte toneel lagen. Moeder Amalia van Solms is de gebeten hond, want zij was het die de huwelijksvooruitzichten van haar kinderen boven alles stelde. (Overigens waardeert Geyl het vernuft waarmee zij daarmee in de weer was.) Daartegenover is Hollands raadpensionaris Johan de Witt Geyls grote favoriet, al ontgaat hem niet dat deze wel wat eenzijdig de belangen van zijn eigen provincie Holland in het oog hield.

De periode van het eerste stadhouderloze tijdperk is een kolfje naar Geyls hand. Dat is vaderlandse geschiedenis op zijn best en dat nog in een internationale zetting. De Republiek is op het hoogtepunt van haar macht -afwisselend benijd en bewonderd, gezocht en afgestoten door grote mogendheden als Frankrijk en Engeland, wier bloei zich veel later had ingezet.

De Republiek zelf was geen eenheid, maar een federatie van zeven provincies. De belangen van de provincies -elk 'soeverein'- liepen nogal uiteen. De zeeprovincies Holland en Zeeland (verreweg het rijkste) hadden een op de overzeese handel gerichte economie. Dat vroeg om een sterke handels- en oorlogsvloot, die in botsing kwamen met die van de Engelsen. De landprovincies hadden daar aanzienlijk minder zorgen over. Maar het buitenlandse beleid was in handen van de raadspensionaris van Holland, Johan de Witt.

De Witt is voor Geyl het voorbeeld van een pragmatische politicus en een terechte tegenstander van de Oranjepartij die de belangen van Oranje en het engelse koningshuis als ondeelbaar zag. Geyl gaat het om de vraag of de Oranjes 'de Republiek zouden kunnen meeslepen' in hun 'oorlogspolitiek'. Het staat er letterlijk.

De paradox is dat de Republiek nooit zoveel oorlog heeft moeten voeren als in de negentien jaar van De Witts bewind. Het is de grote tijd van De Ruyter en Tromp, maar ook van het getouwtrek tussen de familie Oranje en de regenten over de opvoeding van de toekomstige Willem III -hoorde Willem III thuis bij de Engelse koningsfamilie of moest hij in Nederland geïntegreerd worden?

Dan komen het rampjaar 1672 en het ellendige volksgericht, dat zich voltrok aan Johan de Witt en zijn broer Cornelis. Geen detail wordt ons onthouden, maar dat maakt het boek er voor de liefhebbers alleen maar aantrekkelijker op.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden