Review

'Als men zich schaamt gaat de ziel etteren'

Torgny Lindgren: Het licht. Vert. Bertie van der Meij. De Bezige Bij, Amsterdam; 293 blz. - ¿ 44,90.

'Het licht' is al het vierde boek van Lindgren in vertaling. Na de prachtige parabel van schuld en boete 'De weg van de slang', volgden nog een bijbelse roman, 'Bathseba', en de verhalenbundel 'De schoonheid van Merab'. Deze laatste bundel wordt voorgesteld als het repertoire van een reizende handelaar in wandkleden die hij aan de man brengt door er verhalen bij te vertellen.

Ook de omvangrijke roman 'Het licht' is een geschiedenis die doorverteld heet te zijn. De roman speelt in de veertiende eeuw, in Noord-Zweden, waar het dorp Kadis met zijn paar honderd inwoners getroffen wordt door 'de grote ziekte', de pest dus, die in korte tijd het inwonertal terugbrengt tot zeven personen. Het verhaal begint zo: “Het was laat in de herfst toen Jaspar de Ziekte meebracht naar Kadis. Hij was naar Nordingr'a gegaan om een vrouw te zoeken, maar hij vond er geen. Ze moest ogen hebben die dicht bij elkaar stonden. Tussen die ogen stak haar neus smal en fier naar voren, ze had een beetje x-benen, een moedervlek op haar rechterwang en een spleetje tussen haar voortanden, en hoe ze ook gedoopt was, hij zou haar Maria noemen.”

Maar hij vindt haar niet, hoezeer hij er ook van overtuigd is dat ze bestaat, en hij koopt een reusachtig drachtig konijn, dat hij Maria noemt en mee terug naar huis neemt. Daar springt een vlo van dat konijn af en bijt hem, en dat is het begin van de ramp. De konijnen vermenigvuldigen zich zienderogen, maar het dorp raakt uitgestorven. De overlevenden voelen zich opgenomen in 'een onwaarschijnlijk verhaal', een nachtmerrie in veel opzichten, want de oude, vertrouwde wereld is aan gruzelementen en niemand weet meer precies hoe er geleefd moet worden. Gods Toorn is in de vorm van de ziekte over het dorp gevaren en niets is meer 'vanzelfsprekend'.

Er is één man, Könik, die worstelt met het gebrek aan orde en rechtsgevoel. Hij ziet zijn tegenspeler ünde, een handige realist, die het leven neemt zoals het op hem afkomt, dingen doen die in hun vroegere samenleving nooit door de beugel hadden gekund, zoals goud en zilver afnemen van een dode, bezittingen van gestorven dorpsbewoners zich toeëigenen. “Het is niet juist” zegt Könik ettelijke malen. “Het is niet juist.” En er zijn geen instanties, er zijn geen wijze, oude mannen en ook de priester is gestorven, die recht kunnen spreken of die het vanzelfsprekende weer terug kunnen brengen.

Könik gaat op zoek naar nieuwe regels in Ume en “hij vroeg degenen die hij tegenkwam zo het een en ander, of het hier ook afgelopen was met die ziekte die de grote ziekte heette, of ze hier nog of misschien opnieuw wisten wat vaststond en vanzelfsprekend was, of de priesters in Ume nog leefden, of iemand soms wist wat er moest gebeuren met kinderen die door vaders bij hun dochters verwekt waren en wat men moest doen met bezittingen die niemand bezat, akkers en huizen en begraven leren zakken met goud- en zilverstukken en dergelijke, ja en of het hier misschien bekend was hoe orde en regelmaat tot stand komen, zodat alles wordt zoals het hoort te zijn, hoe wat vernietigd is weer tot aanzijn kan komen.”

In deze toestand zonder regels en maatstaven speelt ünde zo ongeveer de rol van de duivel, althans in de ogen van Könik: “Hij was de wanorde en de verwarring. Hij was de paden die dichtgroeiden en het water dat geel was geworden en de tijd die uiteengevallen was, hij was de ziekte die nog in Kadis werkzaam was.” Op een zeker moment, wanneer ook wel duidelijk is dat ünde degene is die het pas geboren kind van Könik ontvoerd en verhandeld heeft, komt het tot een elementair treffen tussen beide krachten. De mannen jagen dan urenlang op elkaar, “het toeval en de wanorde voorop” (ünde) en “de orde en het recht erachteraan” (Könik) en raken in gevecht, waarbij ze elkaar bloedig verwonden en Könik een oor verliest.

Deze elementaire botsing werkt wel enigszins katharsisch, zoals dat aanvankelijk ook het geval scheen bij de grote opruiming van rottend vlees en dergelijke uit alle onbewoonde huizen en de slachting van al het overtollige vee en in een moeite door van alle konijnen die maar voor het grijpen waren. Na deze 'redeloze slachtpartij' reinigen de bloedovergoten mannen zich vervolgens in de rivier. Even kan men de indruk hebben dat Kadis weer op maat is, teruggebracht tot wat nodig is voor zo weinig inwoners.

Maar al dit gedrag is toch intuïtief en niet gebaseerd op een ethiek en een moraal, wet noch rechtspraak zijn van kracht, taboes (zoals het verwekken van een kind bij zijn dochter, wat een vader doet uit vrees zonder erfgenamen te sterven) worden doorbroken, men is van God en van zichzelf los. “Alles is veranderd, zelfs het licht.”

“Vroeger hoefden wij ons hier in Kadis nooit te schamen, we wisten hoe we de schaamte moesten vermijden, omdat er kennis bestond omtrent alles wat verboden was, we voelden wel pijn maar geen schaamte. Als men zich schaamt gaat de ziel etteren en wordt een etterende buil in het lichaam, terwijl hij als een warm briesje in de ledematen zou moeten zijn.

Een mens moet vrede hebben in zijn gemoed, goedheid is er wanneer alles is zoals het zijn moet, goedheid is wat vaststaat en vanzelf spreekt. Als alles is zoals het moet zijn, dan is het ook goed en verstandig, het verstand is de wil van God en hier in Kadis is het verstand altijd iets geweest dat van vader op zoon werd doorgegeven. Alles was zo eenvoudig, het was als een watermolen die draait en draait zolang het water stroomt, er was een vaststaande manier van leven, alles scheen zijn eigen oorzaak te zijn. Maar nu is het onmogelijk om te weten wat juist is, Kadis is kapotgegaan.'

Er komt een eind aan de verwarring doordat een zogenaamde afgezant van de koning, in werkelijkheid een oplichter die op goud en zilver aast, in een schertsproces het monsterlijk grote zwijn beschuldigt van moord op een klein kind en Könik voor het aanzetten tot kinderhandel. De eerste moet werkelijk worden opgehangen, de tweede moet alleen een dag lang ogenschijnlijk hangen. Al het goud en zilver dat rechtens niemand toebehoort, valt toe aan 's konings afgezant. De overige vergrijpen worden afgedaan als bagatellen.

Deze gebeurtenis en de erop volgende verjaging van de afgezant uit het dorp vormen het begin van een nieuw tijdperk van orde en rust. Al het goud en zilver dat niemand rechtens toebehoort, wordt in de grond gestopt, een tandeloze vrouw krijgt plotseling tanden, het afwezige oor van Könik wordt bedekt door lang haar, zijn 'gespleten' gezicht wordt gaaf en samenhangend, er komt een priester en een kerkklok en zelfs komt er op een dag een vrouw met een kind het dorp binnenlopen die de Maria blijkt te zijn waar Jaspar vruchteloos naar gezocht had en blijkt het kind het verhandelde kind van Könik te zijn. Wie was die man, die naar mij zocht, vraagt Maria aan ünde, de halfbroer van Jaspar. Dat was ik, zegt hij dan, en in deze afronding van het verhaal schuilt een diepere waarheid, die niets met ordeloosheid en alles met samenhang heeft te maken. 'Het licht', in een zo heldere vertaling als deze, maakt een overweldigende indruk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden