Poëzie Janita Monna

Als je schrijft als Wisława Szymborska, kun je vroeg of laat een Nobelprijs verwachten

Beeld Trouw

Als je zulke goede gedichten schrijft als Wisława Szymborska, kun je vroeg of laat een Nobelprijs verwachten.

Even viel hij uit zijn rol, de wacht, die in smetteloos uniform en met een angstaanjagend wapen tegen zijn schouder een Zweeds paleis stond te bewaken. Nietig stak hij af tegen het imposante bouwwerk, zijn blik gericht op de weidse paleistuin. Maar net toen wij langsliepen moest hij gapen. En nog eens. Hoe lang zou hij daar al hebben gestaan?

We wandelden wat door de tuin, ooit aangelegd zodat de kinderen van de koning ook buiten konden spelen, lazen we op informatieborden. Onze kinderen deden verstoppertje in de struiken. Waren jaloers op een paar vogels die zich niks aantrokken van een bordje ‘verboden te betreden’ en brutaal neerstreken op een stukje koninklijk gras, waar je ook heel goed zou kunnen voetballen. Tussen de bomen schoot iets bruin weg. Een ree?

‘Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid/ dat wat belangrijk is/ belangrijker is dan wat onbelangrijk is.’ Was het gek dat ik in deze paleistuin in Stockholm aan de Poolse dichteres Wisława Szymborska moest denken?

‘Ik weet het niet’

Nee, misschien. Ze was per slot van rekening ooit in deze stad geweest. Had zelfs een sigaretje gerookt met de Zweedse koning, toen ze, verstokt rookster als ze was, even wegglipte van de Nobelprijsceremonie. Want daarvoor was ze in Stockholm, vanwege de Nobelprijs die haar was toegekend voor haar poëzie. ‘Als je zulke goede gedichten schrijft moet je er rekening mee houden dat je vroeg of laat de Nobelprijs krijgt’, zei een Poolse professor. En dat zijn ze. Licht en zonder poeha en zonder gezwollen taal proberen ze iets van het raadsel van het bestaan – de schoonheid en de lelijkheid ervan – te ontrafelen. Helder, precies en met humor – vertaler Gerard Rasch vond er even zo raak Nederlands voor.

‘Ik weet het niet’, die woorden waren haar dierbaar, zou Szymborska in haar toespraak bij de uitreiking van de Nobelprijs gezegd hebben. In een gedicht over afkomst en toeval schreef ze: ‘Ik had mij kunnen zijn – maar zonder verbazing,/ en dat had betekend/ heel iemand anders.’ Tussen twijfel en verbazen, daar ergens zit wat haar werk zo bijzonder maakt.

Het paleis lieten we achter ons. En de tuin met de brutale vogels en de schuwe reeën. De wacht was inmiddels afgelost. Hem zou ik onthouden, alleen omdat hij even had gegaapt. Een kleine gebeurtenis. Hij was het zelf waarschijnlijk al vergeten.

Een titel hoeft niet

Hier zit ik dan onder een boom,

aan de oever van een rivier,

op een zonnige morgen.

Een nietige gebeurtenis

die niet de geschiedenis ingaat.

Hier zijn geen veldslagen en pacten

waarvan de motieven worden onderzocht,

of gedenkwaardige tirannenmoorden.

Toch zit ik aan de rivier, dat is een feit.

En als ik hier ben,

moet ik ergens vandaan zijn gekomen

en daarvoor

op nog vele andere plaatsen zijn geweest,

net als de veroveraars van landen

voor ze aan boord gingen.

Zelfs een vluchtig ogenblik heeft een rijk verleden,

zijn vrijdag voor zaterdag,

zijn mei die aan juni voorafging.

Het heeft zijn eigen horizonnen, even werkelijk

als die in de veldkijkers van bevelhebbers.

De boom is een populier die hier al jaren wortelt.

De rivier is de Raba die langer stroomt dan vandaag.

Het paadje is niet eergisteren pas

door de struiken gebaand.

Om die wolken te kunnen verjagen

moet de wind ze eerst hierheen hebben gewaaid.

En hoewel in de buurt niets groots gebeurt,

is de wereld daardoor nog niet armer aan details,

niet slechter gefundeerd, niet zwakker gedefinieerd

dan toen volksverhuizingen haar in hun greep hielden.

Niet alleen geheime complotten zijn in stilte gehuld.

Niet alleen kroningen gaan van een gevolg van oorzaken vergezeld.

Rond kunnen niet alleen de jubilea van opstanden zijn,

maar ook de omspoelde steentjes aan de waterkant.

Dicht en verstrengeld is het borduursel van de omstandigheden.

De steken van de mier in het gras.

Het gras dat aan de aarde is genaaid.

Het patroon van een golf waardoor een twijgje wordt geregen.

Het is zo gegaan dat ik hier ben en kijk.

Boven me fladdert een witte vlinder in de lucht

met vleugeltjes die alleen van hem zijn

en over mijn handen vliegt zijn schaduw,

geen andere, niet zomaar een, alleen de zijne.

Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid

dat wat belangrijk is

belangrijker is dan wat onbelangrijk is.

Wisława Szymborska

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden