PoëzieJanita Monna

Als de kans op huilen om je steenkoude vingertoppen nihil is

Klimaatpoëzie kan het klimaat niet redden, maar wel het denken stimuleren.

Terwijl ik bezig was aan dit stukje heb ik twee bomen geplant. Dat doet mijn ecologische zoekmachine voor mij, in ruil voor een zoekopdracht. Ik wilde namelijk een interview met Moya de Feyter herlezen, die met haar klimaatdichters-collectief een plek in Trouws Duurzame 100 kreeg. Poëzie, zei ze in dat gesprek, kan het klimaat dan misschien niet redden, ze kan wel het denken stimuleren en zo iets in gang zetten. Een verandering van gedrag, van gewoontes. En dat is nodig, want stijgende zeespiegels, oprukkende woestijnen, verblekend koraal, het is voor velen nog altijd iets van ver weg en veel later.

Bij De Feyters initiatief sloot zich een bonte groep van bekende en minder bekende dichters uit Nederland en Vlaanderen aan. Inmiddels ligt er een bloemlezing, Zwemlessen voor later, met nieuw en eerder verschenen ‘klimaatpoëzie’.

Jens Meijen ontbreekt niet, de jonge Vlaming wiens prijswinnende debuut wel te lezen was als ‘een encyclopedie van het uitsterven’. Of Jan Willem Anker – ook hij toonde zich al eerder klimaat-geëngageerd – die zich de prangende vraag stelt in hoeverre wie wij zijn, samenhangt met het weer dat ons gevormd heeft: ‘Ben ik het nog als ik er ben/ zonder vrieskou’.

Zijn gedicht doet wat de samenstellers willen: ‘de verbeelding opentrekken’. Maarten Ingels doet dat ook, met zijn plan voor een ‘wereldbeker voor bomen’. En Anne Provoost, die in een langzaam van idylle naar apocalyps verschuivend gedicht toont hoe het ontbreken van woorden ‘voor de zwermen van meeuwen boven het stort’ de crisis kan verdoezelen.

Dat lukt overigens niet alle gedichten. De vraag is hoe komen we in beweging? En dan, wat kan één mens helemaal uitrichten? Nou, best iets, zie Vrouwkje Tuinmans praktische klimaatactivisme: ‘Omdat de mensen in de straat hun tegelvoegen epileren/ moet ik zorgen voor wat overblijft. (…) Voor elke uitgeroeide conifeer en elke/ sneuvelappel plaats ik iets terug, maar dan bij mij.’

En waar Miek Zwamborn me doet zwemmen in zee, tussen wier met ‘roesjes langszij, pepert elders Tsead Bruinja me de consequenties van mijn gesurf nog even in – ‘over zes jaar vreet het hele internet een vijfde van alle stroom’. De opbrengst van Zwemlessen voor later gaat naar de bomen.

… men moet de oliebaronnen en aandeelhouders de oorlog verklaren.
V.I. Lenin

Ben ik het nog als ik er ben

zonder vrieskou, als de kans op

een snoek bevroren in de sloot

roodgoud in winters polderlicht,

met schaatsen op je stuitje vallen

of huilen om je steenkoude vingertoppen

nihil geworden is, wordt wie ik

ben dan niet onmededeelbaar,

ben ik als ik mezelf in woorden

tracht te gieten voortaan gedwongen

te evoceren wat definitief voorbij is

voor een volk van elfstedenzwemmers

dat al zwemmend verwikkeld is

in een krachtmeting met natuur

die overal doorheen stroomt –

maakt mij dit een verweesd kind

uit de nadagen van een interglaciaal,

voorgoed veranderd in de hel

van een uitgestoten prehistorie?

Voortaan buig ik de taal om waarmee

ik mezelf oproep, klinkt het als verzet,

dan richt ik me op, mobiliseer ik al.

Jan Willem Anker

Moya de Feyter, Annelie David, Saskia Stehouwer (red.)  
Zwemlessen voor later 
Vrijdag; 192 blz. € 20

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lang op Bonaire als correspondent. Monna werkte als redacteur bij Poetry International en was initiatiefnemer van de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden