Review

Alles wordt minder!

Waar zijn de intellectuelen gebleven? Ze geloven niet meer in de waarheid en de rede en gooien zo de hele beschaving te grabbel, klaagt de socioloog Furedi. Maar hij is zelf deel van het probleem.

Ger Groot

Het woord ’intellectueel’ ontstond aan het einde van de 19de eeuw als scheldwoord voor de schrijvers, denkers en kunstenaars die het in Frankrijk opnamen voor de van verraad beschuldigde kapitein Dreyfus. Van de weeromstuit namen die het woord als geuzennaam over en sindsdien is de ’intellectueel’ een tweeslachtige figuur gebleven. Zij waren heer en meester in het rijk van de geest, van de ideeën die (volgens hen) richting moesten geven aan de mars van de wereld naar een betere toekomst.

Dat heeft in de loop van de 20ste eeuw slecht uitgepakt en de Amerikaanse publicist en politiek-filosoof Mark Lilla wijst er in zijn zojuist vertaalde boek ’De roekeloze geest’ dan ook terecht op dat filosofische hartstocht en politieke hartstocht goed uit elkaar moeten worden gehouden. Wat in de geest evident is, is dat in de werkelijkheid vaak helemaal niet, en wie de laatste rigoureus wil plooien naar de eerste veroorzaakt al snel grote politieke catastrofes.

Dat verhaal is al vele malen verteld en Lilla doet het nog eens dunnetjes over in een beschrijving van het denken van Heidegger, Schmitt, Benjamin, Kojève, Foucault en Derrida. Al deze intellectuelen krijgen het verwijt hun twee hartstochten niet goed uit elkaar te hebben gehouden, naar het voorbeeld van Plato, die dat volgens Lilla wél gedaan zou hebben.

Dat laatste mag opmerkelijk heten. Juist Plato is er door Karl Popper van beschuldigd met zijn idee van de filosoof-koning een van de belangrijkste politiek-filosofische dwaallichten te zijn geweest. Popper komt in Lilla’s boek dan ook niet voor. Ook andere politieke filosofen uit de Angelsaksische wereld verschijnen hoogstens zijdelings, net als die continentale tegenhangers die zich níet aan de totalitaire verleiding hebben overgegeven.

Al dan niet bewust blaast Lilla het vuurtje aan van de tegenstelling tussen een ’lichtzinnig’ Europees continent en een Angelsaksische wereld die ’evenwichtig en pragmatisch’ de juiste koers blijft houden. Bijna vanzelf volgt daaruit de oproep tot een verstandige intellectuele boedelscheiding tussen denken en doen, een oproep die Luuk van Middelaar enkele jaren geleden in zijn boek ’Politicide’ ook al deed. Hoe machteloos zo’n oproep is, bewees kort daarop diezelfde Van Middelaar, door niet alleen in dienst te treden van de VVD-fractie, maar ook te laten weten als intellectueel niet alleen maar aan de zijlijn te willen staan.

Tegenstrijdigheid en verwarring roept het begrip ’intellectueel’ nog altijd op. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er vrijwel tegelijkertijd in Engeland een pamflet verscheen dat de intellectuele malaise van deze tijd nu juist aan Angelsaksische zijde zoekt en de oplossing daarvan niet een grotere bescheidenheid maar juist in een resolutere zelfverzekerdheid van het denkersgilde.

Voor de socioloog Frank Furedi (die eerder een aardig boek schreef over ’het paranoïde ouderschap’) is de intellectueel een strijdvaardige held – of dat zou hij moeten zijn. Want in de twijfels die de intellectueel zelf heeft opgeroepen ten aanzien van de universaliteit van zijn boodschap en de waarheid van zijn erfenis, heeft hij niet alleen zijn eigen positie maar ook de cultuur die hij moet verdedigen ernstig verzwakt. Wat valt er aan ideeën nog uit te dragen wanneer intellectuelen zelf hun eigen Verlichtings-traditie wantrouwen en zich overgeven aan cultuurrelativisme, deconstructie van de waarheid en twijfel aan de rede?

Die gevaren waartegen Furedi’s intellectuele held een dam zou moeten opwerpen, liggen niet alleen op het filosofische vlak. Ze komen ook van een politieke verloedering die de intrinsieke waarde van cultuur, onderwijs en opvoeding inwisselt tegen de populistische eis dat alles voor iedereen toegankelijk moet zijn – of gemaakt moet worden. Elitisme is in het hedendaagse uit den boze; inspanning mag van de burger, student of scholier niet meer worden geëist; alleen de slaag-, participatie- en bezoekcijfers tellen nog om het succes van onderwijs, culturele instellingen en musea vast te stellen.

Met die laatste klacht heeft Furedi ongetwijfeld het gelijk aan zijn zijde. Ook in Nederland ziet men de gezichten van Medy van der Laan of Rick van der Ploeg onmiddellijk voor zich. Maar veel meer dan een lange jeremiade over dit cultureel ’filisterdom’ weet Furedi niet aan te heffen. Zijn aanklacht heeft de diepte van het cultuurpessimistische cafégesprek van precies diezelfde intellectuelen die hij op de korrel neemt.

Voortdurend tracht Furedi de twee lijnen van zijn betoog aan elkaar te plakken met het argument dat voor geen van beide de waarheid en de cultuur er nog werkelijk toe doen. Dat klinkt nogal wonderlijk op een moment waarop de verschillende kampen in het publieke debat elkaar met een beroep op de Verlichting, de godsdienst en de rede heftiger om de oren slaan dan in vele decennia het geval is geweest. Wellicht wreekt zich hier het feit dat Furedi vrijwel uitsluitend over de Engels-Amerikaanse situatie schrijft, al situeert ook hij de oorsprong van het intellectuele verval in het Franse postmodernisme.

Men zou dan ook een gedegen discussie verwachten met de auteurs die hij daarvoor verantwoordelijk stelt (vooral Foucault), maar noch in zijn verwijzingen noch in zijn bibliografie is daarvan ook maar één spoor terug te vinden. De lezer moet het doen met obscure auteurs uit de Angelsaksische pers die door Furedi nogal lukraak worden geciteerd.

De slonzigheid gaat verder dan Furedi’s bronnengebruik alleen. Ook zijn vraag is verkeerd gesteld. Wie constateert dat cultuurrelativisme en waarheidsscepsis politiek ongewenste gevolgen hebben, kan er filosofisch immers niet mee volstaan van de weeromstuit het tegendeel maar kritiekloos te omarmen.

Wie de intellectuele eisen die Furedi zelf stelt, ernstig neemt, zal zich moeten afvragen wat er waar of onwaar is van deze ’postmoderne’ constateringen en in hoeverre zij houdbaar zijn. Pas dan valt er licht op het kernprobleem van de huidige cultuur zelf, die niet verscheurd wordt door een tegenstelling tussen wetenschappelijkheid en irrationalisme, maar door het feit dat de rationaliteit zélf ontdekt heeft dat zij haar waarheid niet funderen kan en minder coherent is dan haar naïeve voorvechters wel zouden wensen.

Het was de Duitse filosoof Adorno die al vlak na de Tweede Wereldoorlog dat probleem uiteenzette in zijn beroemde boek ’Dialectiek van de Verlichting’. In het boek van Furedi wordt hij echter niet één keer genoemd, zoals Popper ontbreekt bij Lilla (die Adorno dan weer een heldenrol toewijst). Terwijl de laatste in ieder geval nog een gedegen kennis bezit van de denkers die hij beschrijft, lijkt Furedi het grotendeels te moeten hebben van de tweede-handskennis die zo typerend is voor het filisterdom dat hij zelf hekelt.

Het vraagstuk van de intellectueel raakt aan de fundamenten van onze beschaving zelf: daarin hebben beide boeken in ieder geval gelijk. Men wenst het dan ook een meer doordachte benadering toe dan deze twee auteurs aan de dag hebben gelegd. De raadsels ervan zijn ingewikkelder dan het cliché of de essayistische soundbite aankunnen.

Zelfs de oorsprong van het woord is misleidend. Niet Emile Zola ijkte het, zoals de volkswijsheid wil, maar ruim een halve eeuw eerder al de graaf van Saint-Simon – en het waren niet alleen de progressieve Dreyfusards maar juist ook hun conservatieve tegenstanders die er rond de eeuwwisseling aanspraak op maakten. Dat er sindsdien altijd van die anti-Verlichtingsintellectuelen opduiken lijkt – op een enkele haastige alinea na – al evenmin tot Furedi te zijn doorgedrongen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden