Review

ALLES IS ALTIJD UIT DE BIJBEL

Over de roman De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch zijn 64 artikelen geschreven. Over de vraag of Hans van Mierlo erin voorkomt en de schaker Jan Hein Donner. Over de rol van de verteller. Is de roman moralis-tisch, of juist niet. Gaat de roman over het schrijven zelf. Over muziek? Over Faust? Over Orpheus? Maar er verscheen geen enkel artikel over de grondslag van het boek, of zo men wil, het kenteken: 'alles is altijd uit de bijbel'. De ontdekking van de hemel is doordesemd van bijbelse motieven en figuren. Vrijdag wijdt het Bezinnings-centrum van de Vrije Universiteit in Amsterdam, ter gelegenheid van zijn vijftienjarig bestaan, een symposium aan De ontdekking van de hemel. Begin april verschijnt bij De Bezige Bij 'Alles is altijd uit de bijbel' van P. H. Steenhuis.

PETER HENK STEENHUIS

In het gedicht van Edgar Allan Poe treurt een man om zijn gestorven geliefde. Het is nacht, guur weer, de man verwacht vriend noch vijand en is dan ook hoogst verbaasd als hij geklop hoort. Het blijkt een raaf, die met zijn snavel tegen het venster tikt. Wanneer de man het raam opent, vliegt de vogel naar binnen, gaat op een Pallasbeeld zitten en krast op elke opmerking van de man: 'Nevermore'.

De overeenkomst met de passage uit De ontdekking van de hemel is opmerkelijk: Onno Quist is uit Nederland vertrokken, nadat zijn vriendin is vermoord. Wordt Onno gevraagd waarom hij de raaf Edgar noemt, dan antwoordt hij met een citaat uit het gedicht: 'Other friends have flown before - on the morrow he will leave me as my Hopes have flown before.' Then the bird said, 'Nevermore'.

Daarmee is de kous af; ook Onno ziet de overeenkomst tussen zichzelf en de treurende man uit The Raven. Of verbergt Mulisch hier iets, is de raaf misschien meer dan een toespeling op de dichter Poe?

De ontdekking van de hemel is gesitueerd in de hemel. Een vertellende engel brengt aan zijn superieur verslag uit van een zojuist voltooide opdracht. Het verhaal dat de engel vertelt - en dat wij als het ware door een op een kier staand raam kunnen afluisteren - is een mysteriespel, een dramatisering van het lot van de mensheid, dat door hoger hand gestuurd wordt.

De engelen hebben ontdekt dat de mensheid het contract met de Chef, vastgelegd in de tien geboden en al duizenden jaren van kracht, heeft verruild voor een pact dat haar is aangeboden door de gevallen engel Lucifer. Dit nieuwe pact, ondertekend door de Engelse geleerde Francis Bacon, resulteert in een snelle ontwikkeling van wetenschap en techniek.

Het enige dat de verslagen hemel nog rest, is de terugname van de decaloog. Eigenlijk is dat niet meer dan een schrale troost. De engelen dragen Quinten Quist op de decaloog terug te brengen naar de hemel. Quinten wordt iets voor de helft van de roman geboren en is officieel de zoon van Onno Quist en Ada Brons, maar uit de gesprekken tussen de engelen blijkt dat Quinten een zoon is van Max Delius, Onno's vriend, en Quintens latere pleegvader.

Een droom over een gebouw dat Quinten later 'de Burcht' zal noemen, vormt de aanzet tot de uitvoering van de opdracht, waarvan Quinten zich op een dag bewust is geworden. Het gebouw uit zijn droom fascineert hem, hij wil achterhalen wat het is. Op een dag besluit hij naar Rome te gaan, in eerste instantie om zijn vader, Onno Quist, te zoeken, die zich ergens in de wereld heeft teruggetrokken. En waarom dan niet in Rome? Wellicht, zo denkt Quinten, komt hij daar nog iets te weet over zijn Burcht.

“Om de beslissende gebeurtenis mogelijk te maken, was het noodzakelijk Onno Quists gemoed wat te verzachten na al die jaren van eenzaamheid, ook daarom stuurde ik hem uit de heuvels een verdwaalde jonge raaf.”

Aldus de vertellende engel aan het begin van het laatste deel. De raaf daalt op een zonnige dag, rond het middaguur, plotseling neer in het open dakraam van Onno Quist. Na verloop van tijd is Onno zo op het dier gesteld dat hij tegen de vogel praat en hem meeneemt op zijn wandelingen door de stad. Zo ook die ochtend dat Onno zijn zoon, Quinten, het Pantheon ziet binnenlopen. Onno volgt hem, hij wil Quinten alleen even zien, niet spreken. Op het moment dat Onno de tempel wil verlaten, springt de raaf van zijn schouder en verdwijnt door een opening van het Pantheon. Onno voelt zich plotseling zo verlaten dat hij besluit op Quinten af te stappen. Na de hereniging struinen ze met zijn tweeën de stad af. Quinten op zoek naar zijn Burcht, Onno verhalen vertellend over Rome, het christendom, Mozes, de stenen tafelen, waarop de tien geboden staan geschreven en die in het Heilige der Heiligen van de tabernakel lagen.

Bij het Sancta Sanctorum, het Romeinse Heilige der Heiligen, weet Quinten ineens zeker dat de stenen tafelen in het altaar van de kapel ligt. Ze laten zich insluiten, vinden ten slotte de stenen en nemen ze mee. Om niet tegen de lamp te lopen, nemen ze het eerste het beste vliegtuig, naar Tel Aviv. Na een rondleiding door Jeruzalem is Quinten overtuigd de plek te hebben gevonden waar vroeger de tempel stond en waar hij de stenen wil terugleggen.

Terug in hun hotel verzinkt Quinten in gepeins en staart uit zijn raam. In de verte ziet hij iets zwarts vliegen, dat langzaam dichterbij komt. Het is raaf Edgar. De raaf leidt hem zijn kamer uit, maar in plaats van op de gang van het hotel komt Quinten in zijn Burcht terecht. Dan neemt de engel hem de zaak uit handen en maken de letters - net als in Exodus zijn het letters van licht - zich los van de stenen tafelen. Ze omhullen Quinten met zo'n fel licht dat hij erin opgaat als het licht van een kaars in dat van de zon. Uit de epiloog blijkt dat Quinten op dat moment terugkeert naar de hemel.

Op een dag in zijn jeugd mengt Quinten zich in een gesprek over de bouwer van de tempel van Jeruzalem, Salomo. 'Zeker ook uit de bijbel', suggereert hij. Onno antwoordt: 'Alles is altijd uit de bijbel'. De ontdekking van de hemel vormt op deze uitspraak geen uitzondering. Want behalve de tien geboden, het object van de zoektocht, zijn ook Quinten, zijn Burcht en de opbouw van de roman geënt op de Bijbel.

Laten we eerst kijken naar Quintens Burcht. In het eind van de roman beschrijft Mulisch Quintens Burcht als een kubus van 'een meter of tien lang, breed en hoog'. De kubus is terug te vinden in 1 Koningen 6 : 20. Daar wordt de tempel van Salomo beschreven, die volgens dezelfde maten is gebouwd als de tabernakel. 'En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in de lengte, en van twintig ellen in de breedte, en van twintig ellen in hare hoogte'. Een el is vijftig centimeter en dus is de Burcht van Quinten identiek aan het Heilige der Heiligen van de tempel van Salomo.

Deze conclusie is juist maar tijdelijk, want het Heilige der Heiligen is slechts het Heilige der Heiligen zolang de tien geboden er worden bewaard. 'Dat is nu de heiligste plek ter wereld niet meer', zegt Quinten over het Sancta Sanctorum wanneer de stenen in zijn bezit zijn. Ook Quintens Burcht lost op zodra de stenen eruit zijn verdwenen: 'even later is alleen nog gedurende een moment een trillend nabeeld van de Burcht over, - maar juist dat geeft hem plotseling het besef van de afmetingen die zij had: een blok van wel duizend kilometer naar het oosten, tot Baghdad, duizend kilometer naar het westen, tot Libië, duizend kilometer naar het noorden, tot de Zwarte Zee, duizend naar het zuiden, tot Medina, en tweeduizend kilometer in de hoogte, tot de eerste stralingsgordels.'

Dit absurde gebouw is ook niet helemaal door Mulisch verzonnen. Over het 'hemelse Jeruzalem' staat namelijk in Openbaring 21 : 16: 'En de stad lag vierkant, en hare lengte was zoo groot als hare breedte. En hij mat de stad met den riet stok op twaalf duizend stadiën; de lengte en de breedte, en de hoogte derzelven waren even gelijk.' Aangezien een stadie 182 meter is, betekent dit dat het 'hemelse Jeruzalem' ruim 2000 kilometer lang, breed en hoog is, net als het gebouw dat Mulisch noemt. Oftewel: Quinten bevindt zich in het 'hemelse Jeruzalem' uit de Openbaring van Johannes.

Samenvattend kun je zeggen dat De ontdekking van de hemel een zoektocht is naar en een vindplaats van Mozes' decaloog; een zoektocht naar en een vindplaats van het Heilige der Heiligen. Op het moment dat beide gevonden zijn en de opdracht de tien geboden terug te brengen naar de hemel praktisch is volbracht, ziet Quinten het 'hemelse Jeruzalem'.

De opdracht de decaloog terúg te brengen, verbindt Quinten natuurlijk met Mozes: staat Mozes aan het begin van het verbond van God met de mensen, Quinten staat aan het eind van dit verbond. Om hun relatie te benadrukken, laat Mulisch Quinten opgroeien bij pleegouders, net zoals Mozes opgroeit. De pleegmoeder die Mozes zoogt, blijkt zijn eigen moeder (Exodus 2 : 8/9); evenzo is Quintens pleegvader, Max, zijn eigen vader. Een overeenkomst tussen Mozes en Quinten lag voor de hand, opvallender is dat Quinten ook trekken vertoont van Jezus van Nazareth, Johannes de Doper, Henoch en Elia.

In een passage over Quintens jeugd staat bijvoorbeeld dat er eens een witte duif op zijn kruin neerstreek en daar zacht koerend bleef zitten. Dat Mulisch de Heilige Geest die in Johannes 1 : 32-34 op Jezus van Nazareth neerdaalt hier niet toevallig noemt, blijkt uit een reactie van een omstander: 'Dit is toch niet meer van deze wereld!', een toespeling op de woorden die Jezus van Nazareth sprak bij zijn veroordeling door Pilatus: 'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.'(Johannes 18 : 36).

Een Italiaanse bibliothecaresse verwijst zo terloops naar Johannes de Doper, dat je er de eerste keer bijna overheen leest. Ze zegt over Quinten: 'Sprekend Johannes de Doper op dat schilderij van Leonardo da Vinci.'

Op Henoch zinspeelt Onno zelf wanneer hij in het vliegtuig naar Israël suggereert dat Quinten de stenen maar terug moest leggen in de piramides, waar bovenaardse krachten zouden heersen die hem als Henoch van de aarde konden wegnemen. En met Elia heeft Quinten zijn hemelvaart gemeen. Bij beide hemelvaarten komt licht voor, worden paarden genoemd en vallen kledingstukken van het lichaam. Bij Elia is dat zijn mantel, bij Quinten een handdoek die hij om zijn lendenen draagt. Ook de raaf komt bij Elia voor: de raven brengen de profeet eten wanneer hij als een heremiet in de woestijn leeft.

Wat is dit voor opsomming, wat heeft deze schare bijbelse personages gemeen met elkaar? Stelt Mulisch hier zijn eruditie tentoon? Nee, deze opsomming heeft een betekenis, want de genoemde personen zijn allen Messiaanse figuren. Doordat Mozes bemiddelt in het verbond tussen Jahweh en zijn volk zien rabbi's hem als prototype voor de Messias en de voornaamste man in de Bijbel na Abraham. De evangelist Marcus stelt Elia gelijk met Mozes, en in Johannes de Doper en Jezus van Nazareth ziet het Nieuwe Testament een nieuwe Elia.

Maar ook uit het verhaal blijkt dat Quinten de Messias verbeeldt. Zo vraagt Quinten tijdens een rondleiding door Jeruzalem naar de Gouden Poort. De rondleider, die Ibrahim heet, antwoordt: '“Volgens de joden is dat de poort, waardoor God ooit naar hun tempel is gekomen om daar zijn troon te bestijgen. Hij moet gesloten blijven tot de komst van de Messias, aan het einde der dagen. Daarom wil elke vrome jood liefst ginds op de helling van de Olijfberg worden begraven.” Met zijn stok wees Onno naar de soldaten op het dak. “De Messias wordt meteen neergeknald.” Er verscheen een scheve glimlach op Ibrahims gezicht. “Dat niet alleen, de Messias heeft nog een tweede probleem. Aan de andere kant van de muur zijn moslimgraven en dat is onrein, daar mag hij niet overheen lopen”'.

Bijna alle elementen uit dit citaat keren terug aan het einde van de roman. Quintens Burcht vervluchtigt en hij ziet dat hij in Kidrondal, vlak bij Jeruzalem, staat: 'Zijn oog valt op de Gouden Poort, die hier iets uit de muur naar voren steekt. De soldaten op het dak zijn verdwenen; de twee hoge doorgangen staan open. (...) Aan de kant van de tempelberg is de poort trouwens dichtgemetseld. Toch valt er niets anders te doen dan die kant op te lopen: hij zal wel zien. Na een paar passen blijft hij staan. De oneffen grond is bezaaid met stenen, die pijn doen aan zijn blote voeten...'.

De soldaten die de terugkomst van de Messias zouden verhinderen zijn verdwenen, de Poort is voor de helft geopend, maar Quinten kan niet over het onreine grafveld lopen. Om dit probleem op te heffen, verschijnt er een wit paard, Deep Thought Sunstar. Quinten wordt door het paard op de rug genomen en over de graven naar de Gouden Poort geleid. 'Als hij is afgestapt, gaat het paard meteen weer staan en draaft terug naar het dal. (...) Met een zucht draait hij zich om en gaat het poortgebouw in. Ook de andere kant is nu geopend.'

Voor de Messias, die niet is neergeknald, omdat de militairen zijn verdwenen en die niet over onreine graven is gelopen, omdat een paard hem droeg, is de Gouden Poort geopend. Het einde der tijden is nabij, want de Messias is gekomen.

De gedachte dat Openbaring het einde van het verhaal van De ontdekking van de hemel is, bevestigt Quinten. Terwijl hij door zijn Burcht loopt, vraagt hij zich af: 'Is er misschien geen tijd verstreken tussen daarstraks en nu?' - een verwijzing naar het einde der tijden uit Openbaring 10 : 6. Ook de reactie van de luisterende engel in de epiloog onderstreept dit idee. '“Je hebt je opdracht volbracht en ik heb zeshonderdzesenzestig vragen over je machinaties, maar ik zal ze niet meer stellen”'. 666 is het getal van het dood en verderf zaaiende Beest uit Openbaring 14 : 18.

Wanneer het einde van het verhaal parallel loopt met Openbaring, hoe zit het dan met het begin? De eerste regel van het verhaal van De ontdekking van de hemel luidt: 'Precies om middernacht zorgde ik voor kortsluiting'. Mulisch laat zijn verhaal op een onbestaand tijdstip beginnen, een aanwijzing dat met het verhaal ook de tijd ontstaat. Het lijkt erop dat we de schrijver in de openingszin betrappen op een variatie van zijn visie op het ontstaan van de wereld. In De ontdekking van de hemel beschrijft Mulisch dit ontstaan als de Big Bang: '... de explosie van een mathematisch punt van oneindige dichtheid en oneindig hoge temperatuur, waaruit niet alleen alle energie en materie voortkwamen, maar ook ruimte en tijd'. De kortsluiting past eveneens in Mulisch' beschrijving van de wereldgenese. Ergens anders schrijft Mulisch dat de naam 'Big Bang' misleidend is, want het allereerste begin was geen knal maar slechts een opflitsen van een licht, een 'Fierce Flash'.

Toch beschrijft Mulisch in de openingszin van De ontdekking van de hemel' niet de Big Bang, hij geeft aan dat er iets vóór dit moment was: de 'ik', de 'veroorzaker'. Mulisch laat zijn interpretatie van de Big Bang fuseren met het Mozaïsche scheppingsverhaal uit Genesis 1. De engel schept, in de rol van de God uit Genesis 1, de wereld van het verhaal. Hij laat het echter niet licht worden, zoals de God van Genesis 1, maar duister. In de eerste regel van het verhaal geeft Mulisch symbolisch al aan dat de wereld die hier geschapen wordt, niet in het teken van het licht, maar in het teken van de duisternis, de ondergang staat.

De ondergang lijkt na de teruggave van de tien geboden onafwendbaar. Mulisch' interpretatie van de Bijbel verschilt dan ook behoorlijk van de gangbaar christelijke, want of er na het einde der tijden sprake zal zijn van een 'opstanding' valt te betwijfelen. De engel die opdracht gaf de decaloog terug te halen is in ieder geval weinig optimistisch: '... met hun baconniaanse beheersing van de natuur zullen de mensen uiteindelijk zichzelf nucleair opstoken, verbranden via het gat dat zij in de ozonlaag hebben geslagen, oplossen in de zure regen, braden in het broeikaseffect, elkaar dooddrukken door hun aantal, zichzelf ophangen aan de dubbele helix van het DNA ...' Het teken van de duisternis van het begin van het verhaal wordt bevestigd door de verwijzing aan het einde van de roman naar het alvernielende Beest. En tot slot onderschrijft ook de aanwezigheid van raaf Edgar deze gedachtengang. Want raaf Edgar is meer dan een verwijzing naar de dichter Edgar Allan Poe. De raaf is ook een toespeling op de profeet Elia en hij is de gids van Onno en Quinten. Maar de raaf is bovendien aankondiger van ziekte, oorlog en dood.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden