Review

Alleen in dit heilloos en onverschillig heelal

In maart 2005 introduceerde Jan Oegema in dit katern de term ’soloreligieus’: de geestelijk dakloze die afscheid heeft genomen van dogma en kerk, maar de christelijke traditie niet geheel overboord wil zetten. Zijn typering vond sindsdien veel herkenning én kritiek . Komende zaterdag wordt er in Klooster Wittem een studiedag aan gewijd. Godsdienstsocioloog Gert J. Peelen blikt alvast vooruit.

’De toekomst der religie is begonnen.’ Deze kop boven het essay van publicist en uitgever Jan Oegema, echoot na als een proclamatie en een uitdaging tegelijk. Het is nog te vroeg om te beoordelen of het bijbehorende stuk, op 19 maart 2005 in Letter & Geest verschenen, daadwerkelijk een nieuw religieus elan markeerde, al hebben velen zich herkend in het portret van de ’soloreligieus’ dat Oegema schetste. Maar dat het als een uitdaging is ervaren, behoeft geen betoog. De reacties waren talrijk en veelsoortig.

Zo organiseerde de Protestantse Kerk in Nederland kort na de publicatie een studiemiddag om, vanuit de gedachte dat soloreligieuzen potentiële kerkverlaters zijn, te bezien hoe dit type gelovigen binnenboord kan worden gehouden. Dat het soloreligieuze levensgevoel zich vooral ook binnen de kerken manifesteert, werd onderstreept in het artikel van ethicus Frits de Lange, eveneens in deze krant verschenen. De Kampense hoogleraar biechtte publiekelijk op dat hij afscheid had genomen van de ’supranaturalistische’ God uit zijn jeugd.

En er was uiteraard kritiek op het door Jan Oegema geformuleerde soloreligieuze gedachtegoed. Het verwijt klonk dat hij oude new-agewijn in nieuwe zakken verkocht. En ook hoorde je de klacht dat het hier om een laakbare variant van het postmoderne ietsisme zou gaan. Op grond van de individualistische aard van de soloreligie werd bovendien de beschuldiging geuit – door Kees Kok en anderen in Roodkoper – dat de soloreligieus een egoïst is die het bijbelse beroep op maatschappelijke betrokkenheid en solidariteit willens en wetens uit de weg gaat. Maar het merkwaardigste verwijt kwam van de Amsterdamse godsdienstfilosoof Anton van Harskamp. Belangrijkste motief van de soloreligieus is angst, stelde de VU-hoogleraar november vorig jaar in deze krant. Soloreligieuzen zijn in zijn ogen controlfreaks die, uit vrees voor volledige overgave, ook hun geloofsleven in eigen hand willen houden.

Dit alles roept de vraag op wat soloreligieuzen nu werkelijk beweegt, wie ze zijn en hoe hun levensopvatting zich verhoudt tot die van traditionele gelovigen, maar ook tot die van ietsisten en notoire godloochenaars. Belangrijk aanknopingspunt bij het zoeken naar een antwoord op die vragen is de kunst. Dit niet alleen omdat soloreligieuzen een extra gevoeligheid aan de dag lijken te leggen voor literatuur, beeldende kunst en muziek, maar vooral omdat kunst (en ook wetenschap!) net als religie tegemoetkomt aan het telkens weer gefrustreerde verlangen naar antwoorden op eeuwige vragen.

Het lijkt wat merkwaardig en wellicht zelfs ongepast om voor een typering van de soloreligieuze levenshouding en het verband tussen kunst en religie te rade te gaan bij het werk van de niet-gelovige dichter Rutger Kopland (1934). Toch zijn er argumenten om de begrijpelijke schroom op dit punt te laten varen. Zo’n argument is niet zozeer Koplands eigen christelijke verleden, als wel zijn herhaaldelijk refereren daaraan in zijn poëzie. Bovendien geeft de Van Gogh-lezing die hij vorig jaar hield onder de titel ’Over het hiernamaals’ (eind december integraal in Letter & Geest afgedrukt) aanleiding op dit punt niet roomser te willen zijn dan de paus.

De lezing (in kleine oplage tevens als brochure verschenen) omvat de aantekeningen die Kopland bijhield tijdens het schrijven van een reeks van drie gedichten die, mede omdat ze ter ere van het jaarlijkse Watou-evenement op de grens van Vlaanderen met Frankrijk werden geschreven, de dubbelzinnige titel ’Aan het grensland’ meekregen. Dat klinkt, anders dan ’Over het hiernamaals’, al minder onwaarschijnlijk voor wie de poëzie van Kopland kent. ’Aan het grensland’ roept associaties op met titels van eerdere bundels, zoals ’Voor het verdwijnt en daarna’, ’Een lege plek om te blijven’ en ’Tot het ons loslaat’. In die poëzie is het paradoxale pogen het voorbije vast te houden, het ongekende kenbaar te maken, en het onzegbare onder woorden te brengen, een terugkerend motief. Kopland appelleert hiermee aan het algemeen menselijke maar per definitie onvervulbare verlangen om te weten wat er is voorbij dat grensland, achter de horizon van het zichtbare en het kenbare. Het hiernamaals dus.

De bij wijze van dagboeknotities gepubliceerde aantekeningen – Kopland deed iets soortgelijks eerder in de bundel ’Al die mooie beloften’ – bieden een fascinerend kijkje in het laboratorium van de dichter. Tijdens het schuiven, schrappen en herformuleren ontstaan chemische verbindingen tussen woorden en betekenissen, met als resultaat een gedicht, dubbelzinnig en gelaagd en even noodzakelijk als vanzelfsprekend; een ding van taal dat op het punt staat een eigen leven te gaan leiden, los van zijn maker en diens persoonlijke beweegredenen.

De aantekeningen stellen de lezer tevens in staat kennis te nemen van Koplands denkprocessen over de thema’s die aan de gedichtenreeks ten grondslag liggen: het ouder worden, het onverbiddelijk einde en de speculaties over een eventueel erna.

Over de stichtelijkheid en het dogmatische gehalte van die speculaties hoef je je bij Kopland geen illusies te maken. Zo hekelt hij ’Ratzinger en zijn gejurkte trawanten’ die precies denken te weten waar ’hun overleden voorzitter van de Raad van Bestuur van de multinational RK-kerk’ heen is: met alles erop en eraan terug naar waar hij ooit vandaan kwam.

Aan zo’n vorm van religieus zeker weten heeft Kopland geen boodschap. Omdat hij niet gelovig is, moet hij het doen met heidense fantasieën van eigen makelij. Zoekend naar andere oplossingen voor deze eeuwige raadsels, die hem ondanks zijn ongelovigheid bezighouden, komt hij – waar anders? – uit bij de poëzie.

Ongelovig of niet, de eerste tekst waarnaar hij grijpt als hij na wat overpeinzingen aan het schrijven slaat, is een bijbeltekst. En nota bene een met een tamelijk concrete kijk op het hiernamaals. Kopland schrijft: „en je denkt aan 1 Korintiërs 13: / nu kijken wij nog in een wazige spiegel / maar straks staan we oog in oog.”

Het gaat in dit fragment niet alleen over het hiernamaals, maar ook over het verlangen de ware aard van de ons omringende werkelijkheid, de dingen in het hier en het nu, te ontsluieren en de verborgen zin ervan te achterhalen. Een verlangen waarvan Kopland als wetenschapper zo goed weet dat het onvervulbaar is.

Als de eerste regels er eenmaal staan, bevalt hem de verwijzing naar de wazige-spiegeltekst uit de brief aan de Corinthiërs, vooral omdat daarin geen sprake is van een of andere god. Centraal staan de mens en diens gepieker over het mysterie van de dood. En dat mysterie, weet Kopland, is de bron van de religie en ook van alle kunst.

Zijn eigen gepieker over dat mysterie roept herinneringen wakker aan zijn christelijke verleden. Het brengt hem tot de gedachte dat het hiernamaals net zoiets, zo niet hetzelfde, moet zijn als het ’hiervoormaals’; de tijd, of misschien wel de afwezigheid daarvan, die vooraf ging aan die korte periode hier op aarde. Hij noteert: „je ziet daar je jeugd, de grazige weiden het vee / het water de hemel je denkt dit is het grensland.”

De regels, die hij verderop overigens weer zal wijzigen, verwijzen naar zijn gereformeerde jeugd, maar ook naar eerdere poëzie van zijn hand, waarin hij zijn breuk met het orthodoxe godsgeloof verwoordde. De bundel ’Dit uitzicht’ (1982) opent met een gedicht dat dezelfde titel draagt als de bundel die eraan voorafging: ’Al die mooie beloften’ (1978). Het is een sarcastische afrekening met het religieus Arcadia uit het eerste vers van psalm 23: ’De grazige weiden, de stille wateren, / ik heb ze gezocht en inderdaad / gevonden, ze waren nog mooier / dan mij was beloofd, / prachtig.’

Dit sarcasme is in ’Over het hiernamaals’ verdwenen. Het heeft plaats gemaakt voor een mildheid aangaande het religieuze, die vanaf de bundel ’Tot het ons loslaat’ (1997) definitief de toon lijkt te zetten. Dat is bijvoorbeeld het geval in het gedicht uit die bundel, geschreven na een gesprek met een kleindochter over ’eeuwige vragen’. Maar vooral ook in het ontroerende gedicht ’De moeder het water’, waarin Kopland verslag doet van een bezoek aan zijn diepgelovige maar dementerende moeder. Het refereert opnieuw aan psalm 23: „Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer- / loos stond in ’t gras, alleen haar dunne haren / bewogen nog een beetje in de wind als voer // zij over stille waatren naar een oneindig daar en / later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer / Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.”

De mildheid uit zich ten slotte vooral ook in de openlijke erkenning van het mysterie van de dood als authentiek menselijke bron van kunst én religie, en van de waarde van eeuwige vragen. Het besef dat definitieve antwoorden zullen uitblijven, maakt het stellen ervan des te heroïscher. Van dat laatste is Kopland zich al veel langer bewust, getuige de titel van de poëziebundel die hij in 1972 liet verschijnen: ’Wie wat vindt heeft slecht gezocht’.

Het adagium dat zoeken de voorkeur geniet boven vinden staat niet toevallig haaks op het troostrijk bedoelde Schriftwoord dat wie zoekt daadwerkelijk zal vinden. En misschien ligt daar wel het begin van een antwoord op de vraag wat de soloreligieus beweegt: in de principiële weigering iets te vinden ligt zijn belangrijkste motief, en in het inzicht dat eerdere antwoorden op eeuwige vragen niet langer bevredigen. Dat laatste geldt zowel de onwankelbare waarheden uit de traditionele godsdienst als de apodictische leerstelligheid van het hedendaags atheïsme.

Het is dan ook onzin soloreligieuzen ’gelovigen’ te noemen. Een fundamenteel gebrek aan goedgelovigheid is hun meest in het oog springende kenmerk, en niet, of veel minder het feit dat die zoektocht een individuele onderneming zou moeten zijn; de overigens tamelijk omstreden omstandigheid waaraan ze vooralsnog hun naam danken.

Wezenlijker kenmerk dan hun vermeende individualisme is de omstandigheid dat zij de traditionele godsdienst achter zich lieten. Het afscheid van de daaraan verbonden dogma’s, zoals dat van een ’supranaturalistische’ god, is definitief.

Hoewel ieder etiket nieuwe misverstanden meebrengt, is ’transreligieus’ daarom wellicht een toepasselijker term dan ’soloreligieus’. Zonder behoefte aan de verplichtende binding aan een gemeenschappelijk beleden overtuiging, hebben transreligieuzen de rivier doorwaad en staan zij, voorbij de laatste stad, in het open veld, „tegelijk verwonderd en beangst door de onbemensde ruimte”, zoals Oegema schreef.

Hun uittocht was een bewuste keuze. En geheel op eigen kracht hebben zij, meestal na enige incubatietijd, de religiositeit in zichzelf herontdekt. In de rugzak koesteren zij nog de kostbaarheden van het christelijk cultuurgoed. Attributen waarvan zij evenmin afstand kunnen doen als van hun hang naar het mysterie en het sleuteltje dat past op ’het mechaniek van de ontroering’ (Kopland).

Religieus zijn ze zeker, maar dan in de omschrijving van emeritus-hoogleraar klassieke en taalfilosofie L.M. de Rijk. Hij stelde in zijn eerder dit jaar verschenen ’Religie, normen en waarden’ dat ’religie tout court’ geen geloof in wat dan ook is, maar een geesteshouding die stoelt op verwondering; een instelling die eeuwige vragen niet op voorhand het zwijgen oplegt met dogma’s van godsdienstige dan wel godloochenende aard.

Daarin schuilt ook het verschil met het ietsisme, het geloof dat er ergens toch wel Iets zal zijn. Want daarin wordt het Iets nog altijd met de eerbiedige hoofdletter van de transcendentie geschreven. De transreligieus heeft de transcendente god als een illusie laten varen, omdat hij, mét theoloog H.M. Kuitert, beseft dat die god een product van de menselijke geest is en dus ’van verbeelding’.

Religie staat daarmee op één lijn met de kunst. Zomin als een gedicht, schilderij of muziekstuk op waar- of werkelijkheid berust, zomin doet religieuze beeldspraak dat. Desondanks doen zij hun werk en zetten zij, bij wie daarvoor gevoelig is, het mechaniek van de ontroering in beweging. Het verklaart de innige omgang van solo- en transreligieuzen met kunst. Het laat bovendien zien waarom het absurd is met twee maten te meten en religie te verwerpen op grond van een gebrek aan waarheidsgehalte.

Aan het slot van de herziene versie van ’A Briefer History of Time’ constateert kosmoloog Stephen Hawking dat we ons in een verbijsterende wereld bevinden. „We willen de zin begrijpen van wat we om ons heen zien en vragen stellen als: wat is de aard van het heelal? Wat is onze plaats in het heelal en waar komt het vandaan en waar komen wij vandaan? Waarom is het zoals het is?”

Opnieuw die eeuwige vragen van Kopland. Maar de constatering die Hawking eraan vooraf laat gaan, berust op een hardnekkig misverstand. Niet de wereld is verbijsterend – beter geformuleerd: verbijsteringwekkend. Wat ons op een verontrustende wijze zou moeten verbijsteren, is dat wij de wereld als verbijsterend ervaren. Het mysterie zit niet in het heelal, de wereld of zelfs maar in onszelf. Het zit besloten in dat hoogst merkwaardige feit dat wij ons kunnen verbazen en overal mysteries zien die we maar niet kunnen vatten.

Er valt niets te ontsluieren of te ontraadselen. Iedere sleutel blijkt een tautologie, een kopie van de sleutel die we al eerder vonden en weggooiden omdat die niet paste. Dat is de les van Kopland.

’Verbijsterend’, ’duizelingwekkend’ tegenover ’nietig’ en ’onbeduidend’, zijn projecties waaraan de werkelijkheid zich niets gelegen laat liggen. Dat geldt ook voor de dichtregels van H.C. ten Berge, winnaar van de P.C. Hooftprijs 2006, hoe onherroepelijk waar ze ook lijken: ’Je zeilt op een geschonden planeet / door een heilloos en onverschillig heelal.’

Ze verontrusten zoals kunst hoort te verontrusten. Soms helpen ze, zoals Koplands heidense fantasieën helpen, al komen we er strikt genomen niet veel verder mee. Ontroering, fantasie, herkenning en – toegegeven – ook verbazing en verbijstering vormen drijfveer én troost voor wie het aandurven de quasi- en cryptozekerheden van de gedogmatiseerde godsdienst los te laten. Hoezo bang, meneer Van Harskamp?

Transreligieuzen beseffen beter dan wie ook dat ze alleen zijn in dit heilloos en onverschillig heelal.

Moederziel alleen.

Gelukkig hebben ze elkaar nog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden