Algen in sloot en vijver onder de microscoop

Algen groeien in allerlei natuurlijke wateren: in sloten, poelen, vennen, plassen en meren en vooral ook in tuinvijvers, zoals elke vijverliefhebber nu zelf kan zien. Op de vijverwanden ontstaat nu een donkergroene vacht, waarin watersalamanders op zoek naar een prooi rondscharrelen en grote posthoornslakken grazen. Later in de lente groeien de algen uit tot lange slijmerige draden tussen de ontluikende waterplanten, een doorn in het oog van veel vijverbezitters.

Maar over dat ongenoegen zal ik het niet hebben. Veel meer zijn die zoetwaterwieren onze bewondering waard. Hun schoonheid tonen ze pas als je ze door een microscoop bekijkt. In bijna elk water komen massa's groene bolletjes voor, die door elkaar bewegen: eencellige wieren, die zich vermeerderen door zich eenvoudig in tweeën te delen. Dat zie je ook door de microscoop: cellen met een scheidingswandje in het midden, die met de deling bezig zijn.

Er is meer te zien aan de draadvormige algen, die uit een aantal cellen bestaan, die bovendien vaak een opvallende inwendige structuur hebben. Regelmatig vis ik wat algen uit de vijver om die door microscoop of binoculair te bekijken. Elk monster uit willekeurig welke vijver levert, gezien door de microscoop, een ontdekkingsreis op.

Algen of wieren zijn er in veel vormen en soorten. Er zijn verschillende manieren om ze in te delen. Taxonomen onderscheiden groenwieren, roodwieren, bruinwieren en blauwwieren. Ecologen delen de wieren liever in naar hun verschijningsvorm: vrij in het water zwevende eencellige en meercellige wieren, vastzittende wieren, drijvende wieren. Controleurs van de waterkwaliteit kijken naar kritische en niet zo kieskeurige soorten.

De zwevende eencellige microwieren zijn verantwoordelijk voor de vuilgroene troebeling van het water. Ze komen dan in zulke ontzaglijke hoeveelheden voor dat ze het water kleuren. Gewoonlijk is die 'waterbloei' een zichtbaar teken van waterverontreiniging, een indicatie dat zich in het water te veel fosfaten en nitraten bevinden.

Ook onder de vastzittende wieren heb je soorten die je nauwelijks ziet, hoogstens als een bruine of groenige aanslag op waterplanten, rietstengels, gezonken boomblad, ondergedompelde stenen of andere voorwerpen.

De bekendste algen vormen donkergroene weiden op stenen of de bodem van allerlei wateren. Na een fase van sterke groei raken deze al of niet vertakte draadalgen vaak los van hun verankering en gaan ze drijven. Deze beruchte 'flap' vol luchtbellen bedekt niet zelden de hele waterspiegel van poldersloten en vaarten, verkleurt in de hete zomerzon tot een smerig geelgroen, gaat schuimen en stinken en sterft na een paar weken af.

In gewone boerensloten is het vrouwenhaar (Vaucheria dichotoma) de meest voorkomende flapvormer. De draden bestaan uit lange buisvormige cellen. Alle kans dat juist deze alg op de vijverwanden groeit. Anders is het wellicht een Spirogyra, een spiraalwier. Meestal is zo'n spiraalwier te herkennen aan de spiraalvormige chlorofylbanden in elke cel.

Helaas hebben alleen de meest kenbare algen een Nederlandse naam. Zo'n onmiskenbare soort is het waternetje (Hydrodictyon reticulatum), waarvan de cellen zo met elkaar zijn verbonden dat ze een net vormen. De cellen vormen een regelmatig honingraatachtig patroon, want meestal komen drie cellen met de uiteinden bijeen. De kolonie ontstaat uit één moedercel, die zich inwendig opdeelt. Als de moedercel te gronde gaat, komt het jonge netje vrij en groeit het door vergroting van de cellen uit tot wel een paar centimeter. Losdrijvende waternetjes groeien vaak massaal in stikstofrijke poldersloten.

Cladophora glomerata groeit op rietstengels, beschoeiingen en stenen aan meeroevers. Op de steenglooiingen van het IJsselmeer vormt het een donkergroene vacht.

Al deze algemene wiersoorten verdragen vermesting van het water. Waar ze flap vormen, maken ze duidelijk dat het water flink vervuild is. Het voorkomen van bepaalde soorten algen geeft een aanwijzing van de biologische waterkwaliteit. Om die te kunnen beoordelen is het nodig de verschillende soorten te kennen. De vastzittende ('bentische') algen spelen daarbij een belangrijke rol.

Voor het eerst is nu een samenvattend en overzichtelijk identificatiewerk voor deze algengroep verschenen. Tweehonderdvijftig in ons land aangetroffen soorten worden erin beschreven en kunnen ermee worden gedetermineerd. De vaak ook vastgehechte sieralgen en kiezelalgen, die alleen met een microscoop goed te onderscheiden zijn, worden in dit boek niet behandeld, omdat daar al goede Nederlandstalige beschrijvingen van bestaan. Dat is niet echt een argument om ze achterwege te laten. In het boek staan ook de Nederlandse kranswieren, terwijl daar twee jaar geleden een handboek over is verschenen. Maar voor de beoordeling van de waterkwaliteit zijn deze pioniers van grote waarde, want ze groeien alleen in schoon water.

Daar zal de amateur, die met zijn microscoop de natuur verkent, geen boodschap aan hebben. Voor hem zijn belangrijker de honderden mooie microscopische opnamen en duidelijke tekeningen die een goede ondersteuning geven bij het op naam brengen en tegelijkertijd het brede scala aan boeiende vormen en kleuren zichtbaar maken. Met dit boek hebben ze eindelijk een werk in handen dat een belangrijke groep van zoetwaterwieren uit de anonimiteit haalt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden