InterviewAlfred Schaffer

Alfred Schaffer: ‘Nu kan ik ook over mijn moeder schrijven’

In Zuid-Afrika tast Alfred Schaffer de grens af. De dichter die zich verre hield van het persoonlijke in poëzie, is er nu juist voor.

Een paar weken is de Nederlandse dichter Alfred Schaffer over uit Zuid-Afrika, waar hij woont en werkt. De dag voor dit gesprek gaf hij een workshop poëzie aan jonge schrijvers in Nijmegen. De treinreis terug naar Amsterdam duurde lang, meer dan drie uur – ‘blaadjes op de rails, geloof ik’. Alle tijd om een praatje te maken met medereizigers, leek Schaffer: “Maar nee, iedereen zit vastgeplakt aan zijn telefoon. In Zuid-Afrika zie je mensen op zo’n moment met elkaar kletsen en lachen.”

Oog voor de ander. Medemenselijkheid. Het woord valt regelmatig tijdens het gesprek. Leven in Zuid-Afrika heeft hem er gevoeliger voor gemaakt. Hij woonde er vanaf 1996, om in 2005 met zijn vrouw voor een paar jaar terug naar Nederland te komen. Begin 2011 vertrokken ze weer naar Zuid-Afrika, ze hadden inmiddels een dochter. Schaffer doceert Nederlandse literatuur aan de universiteit van Stellenbosch. “Zuid-Afrika is een complex land met enorme contrasten. Hier rijdt iemand in een dikke SUV, daar eet een man uit een prullenbak of zitten kinderen lijm te snuiven. Overal op straat zie je mensen die proberen te overleven. De armoede is enorm. Net als het geweld, de uitbuiting, de corruptie. Die grote verhalen zijn schrijnend, maar in het dagelijkse leven is men over het algemeen hartelijk, open, betrokken. Altijd een ‘Hello, how are you?’ Kleine praatjes, zo veelzeggend.”

Medemenselijkheid, lang dacht Schaffer dat daar in de literatuur geen plek voor was. Poëzie ging over taal. Nachoem Wijnberg en John Ashbery waren voorbeelden. ‘Ik viel voor hun zinnen.’ Toen hij zelf in 2000 debuteerde met ‘Zijn opkomst in de voorstad’ werd hij onmiddellijk opgemerkt door critici en jury’s. Het werk dat volgde – Schaffer publiceerde aanvankelijk in rap tempo – werd met klinkende recensies en prijzen overladen.

Alfred Schaffer (Leidschendam 1973) debuteerde in 2000 met de bundel ‘Zijn opkomst in de voorstad’, die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en be­kroond met de Jo Pe­ters Poëzieprijs. Ook daarna is Schaffers werk vaak bekroond (VSB Poëzieprijs, Jan Cam­pert­prijs, Ida Ger­hardt Poëzieprijs). Alfred Schaffer vertaal­de onder meer de Zuid-Afrikaanse dichters Ro­nelda S. Kamfer en Antjie Krog. Hij bloem­­leesde werk van H.H. ter Balkt. 

Bundels als ‘Schuim’ (2006) en ‘Kooi’ (2008) waren even helder als vreemd, ontstaan uit teksten, zinnetjes, ideetjes, die Schaffer hoorde op straat, op de radio of elders. “Die puzzelde ik vervolgens bij elkaar. Welke regel past bij welke? Ik werkte vrij intuïtief. Pas als het klaar was voelde ik: dit klopt. Alsof het onderbewustzijn de dingen bij elkaar had gezocht. Tussen de kieren van de verstaanbare regels school iets wat zich vaak niet zomaar liet vangen: duisternis, gevaar, een niet al te vrolijk mensbeeld: Een mijnenveld, deze conversatie, een stenen drama, we zijn los / gewapend tot de tanden toe met sexappeal en tegelwijsheden.

Het onzegbare gezegd

Maar Zuid-Afrika veranderde ook zijn kijk op poëzie. Hij sprak er eind vorig jaar over in Amsterdam en Gent, omdat hij uitgenodigd was de Hans Groenewegenlezing te houden. De talige dichter die lang een allergie had voor het lyrische, voor de persoonlijke ontboezeming, hield een pleidooi voor het persoonlijke in de poëzie. Een voorval in Delft kantelde zijn blik. De township Delft, bij Kaapstad. Daar hoorde hij een vrouw, een moeder, een gedicht voordragen over haar dochter die verkracht was.

Schaffer schrijft in die lezing: “Wat indruk maakte was het feit dat deze vrouw, die een verschrikkelijke ervaring met zich meedroeg, nota bene aan de dichtvorm had gedacht om haar trauma te noteren en over te dragen. Ze had gedacht aan een afgesproken, oeroude vorm, gelóófde in die vorm, in het rijm. Ik vermoed niet dat ze dacht, direct nadat ze haar gedicht had voltooid, ‘ja, ik zeg dit nu wel, maar niet helemaal, wat is de taal machteloos, nee, ik kan het toch niet zeggen.’ Niet ik wist na haar voordracht hoe het is om een dochter te hebben die verkracht is, zij wist het, opnieuw. Daarmee had ze in feite het onzegbare gezegd.”

U hebt het in uw lezing over het wankele koord tussen per­soonlijk en sentimenteel. Dat laatste noemt u ‘gevaar­lijk’ voor een schrijver. Hoe voorkomt u sentimen­taliteit?

“Door de vorm. Neem Antjie Krog. ‘Medeweten’, haar laatste bundel. Krog zégt daarin niet met zoveel woorden dat in Zuid-Afrika de witte wereld en de zwarte wereld botsen, ze tóónt het door gesprekken van een wit echtpaar over hun zwarte bediende op papier te vermengen met de dagelijkse zorgen van die laatste.

Waar de eerste gebukt gaat onder schuldgevoel, heeft het leven van de bediende een totaal andere urgentie. En dat wordt allemaal in vorm, in de montage van de tekst, zichtbaar gemaakt.

“En zie Ronelda S. Kamfer, ook een Zuid-Afrikaans dichter. In haar bundel Mammie (2016) schrijft ze over haar overleden moeder, over een pijnlijke jeugd. Ze schrijft kaal en ook met humor. ik ben opgegroeid / in het soort familie waarin / iedereen bij elkaar komt op de dag/ dat je oom / de bak in moet. Ik vind het eerlijke poëzie waarin iets helemaal gezegd wordt, zonder raadselachtige formuleringen of experimentele neigingen, op de eerste en de laatste plaats een ambachtelijk product van taal. Overigens zie ik ook in Wijnberg en Ashbery zo veel meer dan ik destijds zag.”

Met zijn eigen poëzie zat Schaffer na het verschijnen van ‘Kooi’ op dood spoor. Het is wel mooi geweest. Aan het nachtelijk gefluister is geen / touw meer vast te knopen

Mensen dachten dat u uitgeschreven was?

“Ja, het voelde alsof ik me in een hoek geschreven had. Sinds mijn debuut was ik bezig met een schrijfstijl die almaar meer op taal gebaseerd was. Ik moest oppassen voor een bepaalde leegte. Nog een bundel maken op de manier waarop ik ‘Kooi’ geschreven had, dat kon niet. Misschien komt er niks meer, dacht ik. Die gedachte vond ik niet eens heel erg.”

Het bleef zes jaar stil. Toen verscheen ‘Mens Dier Ding’. Aangrijpende poëzie, opgebouwd uit uiteenlopende tekstvormen – van interview tot filmscript tot dagdroom. Gedichten gebaseerd op het verhaal van Sjaka Zoeloe, een wrede krijger en stichter van het Zoeloerijk, begin 19de eeuw.

de slang in overdrachtelijke zin.

paleontologen in haar kielzog.
een rode waas voor hun ogen.

een fanatiek monstertje ergens op de heide.

een slang die spreekt, maar dan in het echt.

een warrig verhaal over de boze buitenwereld.

over goed versus kwaad.
dat het kwaad vaak in de weg staat.

wat natuurlijk grote onzin is:
zelfs de vijand van mijn vijand is mijn vriend.
zeker, achter alles moet iets zitten.

blunders, misverstanden.
het reilen en zeilen van de wetenschap.

maar toch geen geniaal masterplan?

in het paradijs
staan alle neuzen immers dezelfde kant op.

en wel dankzij de kennis van nu.

Alfred Schaffer
Uit: Postuum. Een lofzang. Slibreeks #

Wat trok u aan in dat verhaal?

“Ik ben weg van de roman die Thomas Mofolo schreef over Sjaka. Hoofdstukken van dat boek ben ik gaan parafraseren. Gebeurtenissen uit het met mythes omgeven leven van Sjaka Zoeloe vlocht ik in hedendaagse nieuwsberichten. Bijvoorbeeld in een bericht over de kroning van Willem-Alexander – ik schreef de bundel in de tijd van de troonswisseling. Zo gebruikte ik ook een interview met Farc-strijder Tanja Nijmeijer, en een mop over president Jacob Zuma. Het werk groeide, en toen was het een kwestie van teksten in elkaar en bij elkaar zetten.”

‘Mens Dier Ding’ werd een bundel over versies van verhalen, over tekstvormen, maar ook een bundel over macht, zeggenschap, racisme en politiek. “Grote thema’s, inderdaad”, beaamt Schaffer, “maar het is geen pamflet. Ik noem die dingen niet bij naam. Ze schemeren door in de vorm.” Een klein, bijna terloops uitgesproken zinnetje uit die bundel, bleek de kiem van waar hij nu aan werkt. Ergens denkt Sjaka Zoeloe: ‘Hoe klonk mijn moeder?’ Maar eigenlijk is dat een vraag van Schaffer zelf.

“‘Hoe klonk mijn moeder?’ Ik weet het niet meer. Mijn moeder, ze was Arubaanse, overleed toen ik achttien was. Al heel lang wilde ik over haar schrijven, dat lukte niet. Tot een tijdje terug. Een vriend vroeg achteloos waar ik eigenlijk had leren koken, en ik hoorde mezelf antwoorden: ‘Ik moest wel koken, want iedereen was dood’. Ik kon grappen maken over mijn moeder. Toen wist ik: dan kan ik ook over haar schrijven.”

De bundel gaat ‘Wie was ik? Strafregels’ heten. Waarom ‘strafregels’?

“Het voelt als werk dat ik móet maken. Ik wil mijn verleden duiden, mijn plaats bepalen. Mijn zusje verloor ik toen ik heel jong was. Mijn vader heeft gelukkig het verschijnen van mijn eerste dichtbundels mogen meemaken, maar ook hij is er niet meer.

“Het fascineert me hoeveel iedereen altijd onthoudt. Ik weet helemaal niets meer. En aan wat ik nog wel weet, twijfel ik: ken ik die verhalen omdat mijn vader ze vertelde, of omdat ze horen bij een foto?”

Over Ronelda S. Kamfer schrijft u: ‘Dichten over je moeder zonder in de valkuil van de pathetiek te donderen, daar komt niet iedereen zonder kleerscheuren vanaf.’ Hoe om­zeilt u die valkuil?

“Ik heb een goudmijn aan materiaal: mijn vader bewaarde álles. Brieven, Sinterklaasgedichten, kattebelletjes – ‘Ik heb eten in het pannetje gezet’. Dat ben ik nu allemaal aan het doorlezen. Best eng. Aangrijpend ook.

“Maar de lezer moet straks niet het idee hebben dat hij door larmoyante onzin wordt overspoeld. Dus ben ik erg bezig met de vorm waarin ik dat materiaal giet.”

Je verdiepen in je geschiedenis, in wat je gevormd heeft, ook dat is medemenselijkheid, vindt Schaffer. Het is een van de redenen waarom hij graag H.H. ter Balkt leest. “Ter Balkt vond: een dichter moet niet alleen over zichzelf brullen, maar ook over de wereld. En Ter Balkt had zo ongelooflijk veel kennis van nu, van vroeger, van Nijmegen, Nederland, de rest van de wereld. Hij wist wie waar wanneer de macht had gehad, wie dit of dat geschilderd had, welke speler toen tegen welke club een doelpunt scoorde. Ook dat zie ik als een vorm van engagement: de wereld is van jou en als je daar niet als een spook in wilt leven, moet je er veel vanaf weten. In Ter Balkts poëzie leeft alles, in zijn gedichten praten windmolens, en aardappelsorteermachines.”

Het medemenselijke raakt, zo schrijft u, aan Remco Cam­perts gedicht ‘Poëzie is een daad’: ‘Ik bevestig / dat ik leef, dat ik niet alleen leef’. Als poëzie een ‘daad’ is, kan het dan iets teweegbrengen?

“Dat hangt ervan af wat je ervan verwacht. Poëzie lost de armoede en het klimaatprobleem niet op, maar het kan wel je denken aanscherpen, je bewust maken, ook van taal.

“Ik zie literatuur als middel om te verbinden. In colleges moedig ik studenten aan om via poëzie met elkaar in gesprek te gaan, en zo hun wereld te vergroten.”

Schaffers wereld thuis, in Zuid-Afrika, biedt uitzicht op overrompelende natuur. Hij noemt zich bevoorrecht, want één wijk verder ziet het er totaal anders uit.

“Ik kan me daar schuldig over voelen, maar uiteindelijk is dat schuldgevoel niet productief. Wat wel? Dingen doen, dingen ondernemen. Niet dat paternalistische van ‘Ik kom jou wel even helpen met je onderwijs en dan ga ik weer terug naar mijn eigen veilige leventje’. Nee, waar het om gaat is: je verantwoordelijk voelen. Door alles wat je doet, of dat broodbakken is of met studenten omgaan, op een medemenselijke manier te doen. Door te praten over de wereld, door vriendelijk te zijn. Door elkaar te zien als je op straat loopt.” 

Lees ook: 

Uit de wekelijkse poëzie rubriek van Janita Monna:

Ronelda S Kamfer schrijft een rauw en liefdevol requiem voor een overleden moeder.

Als het over ‘ik’ gaat, gaat het niet per se over mij

Het draait om het thema ‘Ik’ tijdens het 48ste Poetry International Festival Rotterdam, dat morgen begint. Dichters uit de hele wereld componeerden speciaal voor het evenement een ik-gedicht. Maar doen ze ooit anders? Kan een gedicht wel zónder ik?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden