Kinderen voor Kinderen, 1989,  met als gast Sonja Barend.

Kinderen voor Kinderen

Al 40 jaar een wa-wa-wa- waanzinnig succes

Kinderen voor Kinderen, 1989, met als gast Sonja Barend. Beeld ANP Kippa

Muziekjournalist Klaas Knooihuizen groeide op met ‘Kinderen voor Kinderen’. Nu het populaire liedjesfestijn veertig jaar bestaat dompelde hij zich voor even compleet onder in de muziek en teksten uit zijn kindertijd.

Op ‘Kinderen voor Kinderen 12’ zingt een jongen met een grote bril en dito racefiets dat hij altijd wakker wordt met een wijsje in zijn hoofd. Het lied is net zo vrolijk als de bontgekleurde kleding van het koor, de jongen is schaamteloos gelukkig met zijn afwijking die geen afwijking is. Had ik dat maar. Helaas heeft mijn brein juist de vervelende gewoonte liedjes af te spelen die mij hoogst irriteren. Muziek waar ik graag naar luister blijft zelden hangen. 

Een paar dagen geleden heb ik acht-en-een-half uur vrijwel onafgebroken naar de eerste twaalf albums van ‘Kinderen voor Kinderen’ geluisterd. Sindsdien zit mijn hoofd vol met wijsjes.

Dag en nacht buitelen ze over elkaar heen, melodieën en tekstflarden van liedjes die ergens opgesloten zaten en, eenmaal bevrijd, onophoudelijk stromen. Het is om gek van te worden, al heeft het ook iets geruststellends. Iets vertrouwds.

Kinderen voor Kinderen 1

Ik werd geboren in het najaar van 1980, vijf dagen voordat het beroemde kinderkoor uit Hilversum voor het eerst op televisie optrad. Aanvankelijk eenmalig, ter ondersteuning van een actie van de Vara om speelgoed in te zamelen voor zieke kinderen in arme landen. Het werd een succes. De single ‘Ik heb zo waanzinnig gedroomd’ bereikte de achtste plek in de Top 40, de langspeelplaat ging platina. Sindsdien bracht het koor ieder jaar een album uit, ook nadat in 1991 de speelgoedactie overboord ging. Vorige maand verscheen ‘Kinderen voor Kinderen’ 40 en volgend weekeinde zijn er vier uitverkochte shows in Ahoy, die op 9 november op tv wordt uitgezonden.

Wat een verschil: de timing, de mimiek, de begeestering

De eerste twaalf albums vormen de soundtrack van mijn kindertijd. Jaar naar jaar werden we samen ouder, de zingende kinderen en ik. Op zeker moment groeiden we uit elkaar. Ik werd volwassen, zij zijn altijd jong gebleven. Het moment dat de scheiding markeert herinner ik mij nog helder. Het was een avond in 1992, toen ik op televisie de avondvullende cabaretshow ‘Het gelijk van de koffietent’ zag van Harrie Jekkers. Hij zong daarin het door hemzelf geschreven ‘Kinderen voor Kinderen’-liedje ‘De kerstezel’, over een jongetje dat verliefd is op het meisje dat in het kerstspel Maria mocht spelen. Zelf moest hij de kont van de ezel zijn.

“Nu hoor je wat zo’n schrijver écht bedoelt met zo’n liedje”, zei Jekkers over de tekst. En verrek, ik hoorde het. Wat een verschil. Zijn timing, zijn mimiek, zijn begeestering. In tegenstelling tot dat jochie met die Gooise R – wegens dwingende regels rond kinderarbeid kwamen vrijwel alle koorkinderen uit de buurt van Hilversum – zong Jekkers niet zomaar tekst; hij begreep die tekst ook. Hij wás die tekst.

Kort daarop kreeg ik het dertiende deel van ‘Kinderen voor Kinderen’ voor mijn verjaardag. Ik was zwaar teleurgesteld in mijn ouders. Hoe oud dachten ze dat ik werd? De cd heb ik nooit gedraaid. ‘Kinderen voor Kinderen’ plaatste ik in het rijtje G.I. Joe, melkchocolade, wipwappen en ‘Bassie & Adriaan’. De naam zegt het al: voor kinderen.

In veertig jaar ‘Kinderen voor Kinderen’ is er in de basis weinig veranderd. Sommige nieuwe liedjes hadden net zo goed op de eerste delen kunnen staan. Neem de albumopener ‘Reis mee!', over de voorkeur voor bepaalde gerechten: ‘geen zuurkool of hachée [maar] pizza, pasta en patat.’ Het is vrijwel identiek aan ‘Kip, patat en appelmoes’ uit 1991. ‘Stiekem snoepen’ is het nieuwe ‘Snoepverslaving’ (1986), ‘Oeps!’ het nieuwe ‘Stuntelkampioen’ (1989). ‘De Lek’ heeft met ‘Sorry’ een waardige opvolger gekregen: ‘Ik dacht altijd nog voordat mama ziek werd. Alleen papa's en opa's worden kaal’. Andere liedjes reflecteren de tijdgeest. Zo is ‘Powercheck’ een oproep zuinig met elektriciteit om te gaan. ‘Eigen tempo’ gaat over onthaasten en afkicken van sociale media. ‘Ik blijf cool en laat mijn socials lekker lopen’. Die tekst had in de jaren tachtig niemand begrepen. Woorden en uitdrukkingen als ‘dus dat’, ‘matties’, ‘check mijn laatste vlog’ en ‘tranquilo’ evenmin. 

Muzikaal staat ‘Kinderen voor Kinderen’ met twee benen in het heden. De invloed van Black Eyed Peas en Imagine Dragons is moeilijk te missen. Er wordt gebruik gemaakt van autotune en hier en daar worddt gerapt, zij het ietwat houterig. Onveranderd is het grote aantal bekende tekstschrijvers en componisten, al is van de oude generatie niemand meer over. 

Aan deze editie werkten onder meer Jochem Myjer, Diggy Dex, Miss Montreal, Tjeerd Oosterhuis, Giogio Tuinfort en Wudstik mee. Het navelstaarderige ‘Al 40 jaar’ vat dit artikel bondig samen: ‘Honderden liedjes, vaak vrolijk, soms niet, hielpen ons vertellen hoe een kind de wereld ziet.’

Op 25 en 26 oktober zijn er vier (reeds uitverkochte) ‘Kinderen voor Kinderen’-shows in Ahoy, waarvan er een op 9 november om 19.25 uur bij Zapp op NPO 3 wordt uitgezonden.

Oubollig, maar ook tamelijk briljant

Al aan het begin van mijn uitputtende luistersessie besef ik dat ik mijn standpunt moet herzien. Het label ‘kinderachtig’ past hooguit een paar liedjes op de vroegere delen. Waarschijnlijk deden ‘Teddybeer’ (1980), ‘Kom je strakjes bij me spelen’ (1981) en ‘Als de lichtjes doven’ (1984) in hun tijd al oubollig aan. Het gros van de liedjes klonk zoals de populaire popmuziek uit die tijd en deed er kwalitatief niet voor onder. Geen wonder: behalve Jekkers schreven tal van bekende tekstschrijvers en componisten de liedjes, onder wie Willem Wilmink, Robert Long, Lenny Kuhr, Jan Boerstoel, Jules de Corte, Harry Bannink en Tonny Eyk.

Tamelijk briljant is het lied ‘Meidengroep’ (1983), dat sterk geënt is op de hits van meidengroep Luv. ‘Make-up’ heeft dat typische jarentachtig-sfeertje dat momenteel opnieuw populair is en waar veel hedendaagse bands vergeefs naar zoeken. Zonder dat ik wist wat die termen inhielden, maakte ik op jonge leeftijd kennis met hiphop (‘Mode’, 1983), rock ’n roll (‘Brugsmurfblues’, 1988) en elektronica (‘Papa, papa’, 1985). De liedjes die Henk Temming en Henk Westbroek voor het koor schreven, waaronder de klassieker ‘Ik ben toch zeker Sinterklaas niet’ (1986), zijn minstens zo sterk als hun werk met Het Goede Doel.

‘Wat zingen wij’ uit 1983 kan als een soort poëtica worden opgevat:

‘Zeg Roodkapje, waar ga je hene
Is voor ons geen cent meer waard
Geef ons liever iets van Drukwerk
Dan van Opa Bakkebaard’

De onderwerpen voor de liedjes werden aangedragen door kinderen uit de hoogste klassen van de basisschool. Ze kwamen uiteraard met typische kinderprobleempjes op de proppen, wat leidde tot liedjes als ‘Beugelbekkie/pestbril’ (1980) en ‘Kom eet je bi ba boe ba bord nou leeg’ (1981). Daarnaast waren er liedjes waarin onomwonden werd geprotesteerd tegen het gedrag van oudere generaties. Stop met roken, draag geen bont en kom eens uit die auto. ‘Sluit je aan’ (1984) was een oproep vegetariër te worden en ‘In de soep’ (1987) ging over milieuvervuiling. In de liedteksten zag je de toekomst weerspiegeld: het klimaat en de veestapel staan hoog op de politieke agenda. Bont dragen is uit, met een sigaret in je mondhoek ben je ook al lang niet stoer meer en de roep om een autovrije zondag wordt steeds luider.

Fragment uit het programma uit 1989. Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid

Opvallend is de wijze waarop racisme in de beginjaren aandacht kreeg. Vooral het lied ‘Bruin’ (1984) springt in het oog. Het nummer swingt als Doe Maar en is prachtig gezongen, wat sterk contrasteert met de wrange tekst:
‘Ik zou juist liever wat bleker zijn. Dan zou ik niet zo onzeker zijn.’ 

Goede bedoelingen genoeg, de uitvoering is nogal knullig

En in het liedje ‘Op ons eiland’ uit datzelfde jaar zingt een groepje van vijf donkere kinderen over de onzinnige inhoud van het onderwijs op de Antillen: ‘Ieder leert op les [...] hoe men ooit het Drentse veenlandschap ontgon’. In 1989 zong een donker meisje over het land van haar biologische ouders: ‘Natuurlijk weet ik best. Het leven is daar niet zo goed’.

De goede bedoelingen druipen ervan af, de uitvoering is bezien door een 2019-bril nogal knullig. In de praktijk benadrukten die liedjes de verschillen alleen maar. Wie zwarte kinderen werkelijk een stem wil geven, kan ze beter laten zingen over wijsjes in hun hoofd of dat ze zo wa-wa-wa-waanzinnig gedroomd hebben.

In de oorspronkelijke begintune zit de beroemde zin ‘een kind onder de evenaar is meestal maar een bedelaar’. Het onderstreept hoe eenzijdig men in die tijd tegen ontwikkelingslanden aankeek: dorre vlakten vol snikhete tentenkampen waar arme kindertjes met vliegjes in hun oog hulpeloos op onze centen zaten te wachten. In latere versies wordt dat kind pas later vaak een bedelaar, een subtiele wijziging die een worsteling verraadt, maar ondertussen weinig oplost. Pas met het verdwijnen van de speelgoedactie gaat de evenaar-zin overboord.

Van al die gevoeligheden had ik als kind geen flauw benul. Bij het woord ‘evenaar’ stelde ik mij een soort kast voor. Ik vond het helemaal niet gek dat daar een kind onder lag. Tijdens mijn luistersessie hoor ik voortdurend dingen die mij destijds ontgingen. Dat de ‘Brief aan Ernst’ (1983) voor Ernst Jansz van Doe Maar bestemd was bijvoorbeeld, of dat ‘Heb jij het al’ (1987) over ongesteldheid ging, een verschijnsel dat ik niet kende. Dat is het mooie van muziek: je hoeft het niet te begrijpen om ervan te kunnen genieten.

De collectie van Klaas Knooihuizen. Beeld Patrick Post

Ieder z'n favoriet

In 2009 werd ‘Op een onbewoond eiland’ door het publiek gekozen tot favoriete ‘Kinderen voor Kinderen’-liedje aller tijden. Een statistisch totaal onverantwoorde eigen rondgang langs vrienden en op sociale media laat geen afgetekende favoriet zien; iedereen heeft zijn eigen unieke lievelingsliedje. Dat is niet verwonderlijk. Aan ieder kind werd gedacht: de dromer en het feestbeest, de jongen op ballet en het meisje met de bombardon. ‘Klein is fijn’ (1986) was er voor hen die nooit volwassen wilden worden, ‘Ze hebben het mis’ (1988) voor meisjes die niet konden wachten tot ze borsten kregen. Zelfs antivleeslied ‘Sluit je aan’ werd een paar jaar later gecounterd door een lofzang op kip, patat en appelmoes.

Mijn eigen favoriet is een liedje dat ik als kind een beetje haatte. Mijn vader vond het prachtig. ‘De lek’ (1986) is een hartverscheurend lied van Jan Boerstoel en Harry Bannink over een jongen die zijn vader verliest. Het eerste couplet beschrijft de fietstochtjes die ze samen maakten: ‘En we zeiden niks omdat we dan elkaar zo goed begrepen.’ Dan volgt de ‘smoking gun’ die het onafwendbare noodlot inleidt: ‘Mijn vader rookte altijd zware shag.’

In het tweede couplet laat Boerstoel het dwingende credo ‘show, don’t tell’ volledig los. In een paar regels gaat vader van ziek naar zieker naar nog zieker naar dood. ‘Ik doe mijn best me in te houden, en m’n tranen weg te douwen.’ Hoeveel mensen zullen die regels gehoord hebben terwijl ze precies daarmee bezig waren? Mij lukt het niet, het wegdouwen. Tot mijn verbazing, eerlijk gezegd; ik huil vrijwel nooit om muziek.

Misschien komt het door het besef hoeveel ik op mijn vader ben gaan lijken. Of vanwege een bitter droste-effect – ook mijn vader is ziek geworden. En ook wij zeggen niets tegen elkaar, maar dat is omdat hij dat nauwelijks meer kan. ‘Want die ziekte krijgt hem steeds meer in zijn macht.’

Lees ook:

Zomercursus hiphop

Nederlandse hiphop is groter dan ooit. Maar wie doet ertoe in de scene? Muziekrecensent Klaas Knooihuizen geeft een korte cursus voor lezers die de draad kwijt zijn

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden