Review

Acket geeft zijn zegen vanuit de jazz-hemel

Het gerenommeerde North Sea Jazz Festival koerst aan op een herijking van het begrip jazz. De zilveren jubileum-editie 2000 werd gekenmerkt door de zoektocht naar dwarsverbanden tussen het verleden en moderne muziekstromingen als drum 'n bass en two-step.

Op het podium van de Paulus Potterzaal laat James Carter op zijn tenorsax een oergrowl horen. Loeiend overschrijdt hij het daverende geluid van zijn Electric Quintet.

Op zijn 30-ste behoort Carter nog tot de jongere jazzgeneratie, al loopt hij al zo'n tien jaar mee. Kort voor zijn dood in 1992 had Paul Acket Carter kunnen presenteren als zijn 'grote ontdekking'. Daar was Acket, oprichter en 'ziel' van North Sea Jazz, 's werelds grootste jazzfestival, goed in: het ontdekken van jonge getalenteerde jazzmusici.

Wie zou dit jaar Paul Ackets 'grote ontdekking' zijn geweest? Welke 'ontdekking' van zijn opvolgers had zijn goedkeuring kunnen wegdragen? De hese, van blues doortrokken alt van de jonge Zwitserse, vanuit Den Haag opererende zangeres Kristina Fuchs in de ballad 'Sister Moon'? De even lage alt van de Chileense, in New York woonachtige vocaliste Claudia Acuña in één van haar, bij voorkeur in het Spaans gezongen, jazzliedjes?

Of toch liever een instrumentalist? De Cubaanse pianist Ramon Valle bijvoorbeeld, wiens parelende toucher in één van zijn fijnzinnig swingende latin-werkjes een genot voor het oor is? Of juist de Amerikaanse bassist Charnett Moffett -inderdaad de zoon van wijlen slagwerker Charles Moffett- met onverwachte loopjes en virtuoze versieringen in achtergrondpartijen bij het trio van pianist McCoy Tyner?

Uiteindelijk telt dit jubileumjaar slechts één ding: wat zou Paul Acket ervan hebben gevonden? Uitgaande van eerdere keuzes vermoed ik dat Kristina Fuchs hoge ogen zou gooien. En Ramon Valle -voor Moffett, omdat de laatste vooral begeleider is. En verder? Zou Acket van de rest van deze 25ste editie van 'zijn' North Sea Jazz Festival net zo hebben genoten als toen hij nog zelf aan het roer stond?

Op zich is er niet eens zo heel veel veranderd aan de opzet van het festival, sinds Acket de programmering uit handen heeft gegeven. De locatie is nog altijd het Haagse Congresgebouw, dit jaar voor het eerst met het naar de jazzimpresario vernoemde Paul Acket Paviljoen (het voormalige Tuinpaviljoen). Het festival is alleen ieder jaar wat groter geworden en de programmering is nog wat ruimer, soms nog wat verder verwijderd van wat men onder de noemer jazz kan scharen.

Bovendien is er de afgelopen jaren een festiviteit bijgekomen, dat wel met het jazzfestival van doen heeft, maar er geen onderdeel van uitmaakt: 'Jazz heats Den Hague', het opwarmertje in het centrum van de Hofstad.

Nee, inhoudelijk zou Acket weinig te klagen hebben. Het enige gemis is en blijft de afwezigheid van zijn vrienden, de mastodonten van de jazz die met Acket in de jazzhemel vertoeven. Hun afwezigheid is onherroepelijk.

De toekomst van de jazz is aan hun opvolgers. Hoe die eruit ziet? Niemand weet het, al geeft het heden een indruk van de richting die de jazz zou kunnen inslaan. Daarvoor moest je in ieder geval niet zijn bij de prestaties van oude sterren van het kaliber van Archie Shepp, Yusef Lateef en The Heath Brothers. Want hoewel Shepp op zijn 63-ste zózeer in vorm was, dat het leek alsof hij de jazz ter plekke opnieuw uitvond, bracht de 79-jarige Lateef als altijd met een neuzelige toon west en oost samen en koppelden de drie Heath Brothers (66, 73 en 78 jaar oud) saaiheid aan degelijkheid.

Nee, voor het muzikale avontuur dat Paul Acket altijd voorstond -en daarmee bedoel ik niet de verrichtingen van de avantgarde, waarvan Acket wel het belang in zag, maar waarmee hij weinig ophad- moest je dit jaar zijn bij 'sterren' als Don Byron, Michiel Borstlap, James Carter en Regina Carter. En de musici in de Miles Davis-hommage 'The men with the horn'. En natuurlijk bij de eerder genoemde 'mogelijke' ontdekkingen van dit festival.

Avontuur zou Don Byrons tweede naam kunnen zijn. Byron presenteerde zijn project 'Jungle Music for Post-Moderns', en dook hiervoor in het verleden, net als Wynton Marsalis elders in het gebouw bij het Lincoln Jazz Orchestra. Waar Marsalis echter uitkomt op een historisch verantwoorde uitvoering (het begrip 'interpretatie' zou te veel eer zijn), weten Byron en de zijnen dat verleden op eigenzinnige wijze te transformeren en naar het heden te verplaatsen.

Op deze manier werden oudjes van Duke Ellington uit de jaren dertig voorzien van grillige latin-loopjes en solo's die het vooroorlogse niveau ver overstegen. Michiel Borstlap herschreef samen met Yellowjackets-bassist Jimmy Haslip de fusion-geschiedenis van de afgelopen dertig jaar. Niet alleen werden invloeden van Weather Report, Miles Davis en andere fusion-kopstukken op ontspannen wijze vertaald naar levendige melodieën en fraai eigentijds muzikaal spektakel, ook de valkuilen van het genre, die de Yellowjackets eerder die avond niet omzeilden, wisten ze tot hun voordeel om te buigen.

In het programmaonderdeel 'The men with the horn' viel op hoe mat het Jimmy Heath/Bud Shank Quintet speelde, hoezeer tenorsaxofonist George Coleman zijn elders in het gebouw spelende collega James Carter probeerde te evenaren met energieke, groots opgezette solo's, en hoezeer Kenny Garretts toon op altsax vooral dun klinkt. Subtieler ging het er aan toe bij het 'Kind of blue project', waarin trompettist Wallace Roney de ondankbare taak had Miles Davis te doen vergeten. Dat lukte Roney wonderwel door gewoon zichzelf te blijven. Hij imponeerde vooral in de langzaamste stukken met een fluwelige toon.

Zichzelf blijven: dat is wellicht de grootste kunst van een musicus. Je niet laten imponeren door wat elders gebeurt. Wat dat betreft gingen Kristina Fuchs en Susanne Abbuehl hun eigen weg: inhoudelijk qua repertoire, maar ook qua stemvoering. Veel concurrentie hadden ze niet, maar de jazzgeschiedenis kan ook een ballast zijn, en beiden hebben ze daar een modus voor gevonden, waardoor ze hun eigen koers kunnen uitzetten.

Voor pianist Ramon Valle gold hetzelfde. Hij trad aan in een klein zaaltje met een drummer en een bassist, maar oversteeg al snel het toch ook niet tegenvallende pittige latin-pianospel van het bekende Michel Camilo Trio, eerder die avond. Hun collega McCoy Tyner oversteeg beide in roem, maar zijn spel, hoewel breedvoerig en virtuoos, ontbrak het aan inspiratie. Of hij nou eigen stukken speelde of standards, de meeste aandacht trok bassist Charnett Moffett. Een ideaal trio zou al snel kunnen bestaan uit Valle, Moffett en Camilo's drummer Horacio 'El Negro' Hernandez.

Aan echte verrassingen ontbrak het dit jaar, of het moet het enorme orkaangeluid zijn, dat de Amerikaanse voorhoedepianist Cecil Taylor diep in de nacht van zaterdag op zondag uit zijn vleugel hamerde in een duo met de Engelse slagwerker Tony Oxley. Bijzonder was niet alleen het voor dat tijdstip ongewone energieniveau, maar ook het feit dat Taylor 25 jaar geleden speelde op het allereerste festival. Paul Acket zal er ongetwijfeld van bovenaf hoofdschuddend zijn zegen aan hebben gegeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden