Interview4-mei-lezing

Abdelkader Benali: ‘Ik ben geen antisemiet, ik heb niets uit te leggen’

Abdelkader Benali. Beeld Mark Kohn
Abdelkader Benali.Beeld Mark Kohn

De affaire van vorige week rond hem en de 4-mei-lezing gaat over veel meer, zegt schrijver en Trouw-columnist Abdelkader Benali.

Het leek wel een slechte film waarin ik zat, zegt schrijver Abdelkader Benali. “Misschien dat ik er nog eens een theatervoorstelling over maak, ingebed in ironie.” Want de affaire van vorige week rond hem en de 4-mei-lezing is hem rauw op het dak gevallen. Afgelopen donderdag besloot Benali (45) zich terug te trekken als spreker van de lezing tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei. ‘De hoogmis van het humanisme’, zoals hij zondag op de VPRO-radio zei in een column waarin hij nogmaals excuses maakte voor eerder gedane uitspraken die sommigen als antisemitisch zagen.

Aan zijn besluit gingen twee dagen van gesprekken vooraf met het Comité 4 en 5 mei en Joodse organisaties. Reden voor de ophef waren uitspraken van Benali uit 2006 die journalist Harald Doornbos vanuit Beiroet had opgetekend tijdens een samenzijn in de Libanonoorlog, waar ze allebei verslag van deden. Benali had gezegd dat hij zich als Marokkaanse Nederlander nauwelijks op z’n gemak voelde in Amsterdam-Zuid waar hij toen woonde, vanwege ‘al die Joden daar’. “Het lijkt Israël wel. Zo veel Joden, dat voelt gewoon gek aan.”

Dat iets je vijftien jaar later nog kan worden nagedragen, iets dat je ooit in een aangeschoten bui gekscherend riep, heeft Benali nu ondervonden. ‘Cancel culture’, noemt hij het. Afrekencultuur. “Ik voel woede om mijn kwetsbaarheid, want met alle uitspraken die anderen niet bevalt, word ik als moslimbroeder en antisemiet bestempeld.” Maar er is ook zijn mea culpa: “Ik heb verdriet gevoeld om wat ik mensen heb aangedaan, dat verdriet heb ik een beetje kunnen wegnemen door excuses aan te bieden. Ik heb leegte gevoeld door de treurigheid van dit alles, want deze affaire kent alleen maar verliezers. Ik heb woede gevoeld over die uitspraken die ik heb gedaan, want inderdaad wat Arnon Grunberg zegt: ironie is geen excuus.”

Waarom heeft u het Comité niet kunnen overtuigen? Als u iets ruiterlijker uw excuses had gemaakt, was er niets aan de hand geweest.

“Ja, dat is waar. Absoluut, heel stom. Ja, ik ben gewoon heel trots en koppig. Ik dacht: mensen kijken wel door die uitspraken heen, ik ben geen antisemiet, ik heb niets uit te leggen. Ik heb veel steunbetuigingen gehad, van Sigrid Kaag, Hella de Jonge, de organisatie Salaam Shalom, van een rabbijn van de Zuidas. Ik kreeg ook een bericht van een nabestaande van Holocaustslachtoffers die mijn columns altijd leest in Trouw, hij zei: juist jij had er moeten staan op 4 mei.”

U heeft uitgebreid met Joodse organisaties gebeld.

“Ja, met het Cidi, het Centraal Joods Overleg, met Esther Voet van het blad NIW. Beide organisaties waren begripvol, het Cidi gaf adviezen, twijfelde niet aan mijn oprechtheid. Met Esther Voet had ik een emotioneel gesprek, zij was echt woedend. Maar op wie ik echt boos ben, zei ze, is het Comité. Toen werd ze heel emotioneel en dacht ik: dit is een ruzie die niet gaat over mij, maar over iets anders. Ik trek me terug.

“Ze vertelde mij ook dat het Cidi sinds de Gaza-oorlog in 2014 een dossier over mij bijhoudt. En dus, vroeg ik, ben ik antisemitisch? Er volgde een lange stilte. Antwoord: nee. Maar er schijnt dus een dossier te zijn over mijn Twitter- en Facebookuitspraken over die oorlog, over Abou Jahjah die in 2016 VPRO’s Zomergast was en over de ruzie met cartoonist Oppenheimer.”

In 2016 dreef Ruben Oppenheimer de spot met de Belgisch-Libanese activist Abou Jahjah. U reageerde gekwetst: ‘Die cartoonist zou zich in de nazitijd hebben uitgeleefd’. Columnist Sylvain Ephimenco vroeg: waarom zo laat uw excuses aan Oppenheimer? Ephimenco had u verteld dat hij Joods was.

“Ik heb zijn bericht op Facebook niet gezien. Vorige week zei ik tegen Oppenheimer: ‘Ik was heel trots, vond jou toen een pestventje en die cartoons van jou verschrikkelijk.’ Maar als ik wist dat hij nabestaande was van Holocaust-slachtoffers, had ik die opmerking niet gemaakt.”

Nog even, die uitspraken over Joden, hoe kwam u erbij?

“Het was stoom afblazen, ik was aangeschoten, ik kon even Nederlands praten, ik was melig, ik wilde hem ook een beetje op stang jagen. Maar ik bedoelde natuurlijk precies het omgekeerde van wat ik zei. Ik woonde vijftien jaar met veel plezier aan de Churchilllaan in Amsterdam-Zuid. Was de buurman van journalist Max van Weezel, ik had er op een gegeven moment een Joods vriendinnetje, haalden we ’s zondags brood bij de Joodse bakker Theeboom, met een rabbinaal stempel erop.”

U gebruikt ironie nu alleen nog in boeken en in een theatersetting, zegt u.

“Klopt, want je moet uitkijken met wat je zegt. Tien keer nadenken. Niet meer met journalisten kletsen, niet denken dat het vrienden van je zijn, ook niet als er F-16’s boven je hoofd vliegen en je eigenlijk doodsbang bent. Nooit meer rare grappen maken, lachen in het donker, omdat er door bombardementen geen elektriciteit is. Moet je niet doen.

“Ik weet nu dat ik de volgende keer meteen naar de rechter stap als iemand uitspraken van mij opschrijft. Bewijs het maar. Want uitspraken kunnen je dus achtervolgen. Je goede naam wordt aangetast. Ik dacht: mensen snappen wel dat het ironie is. Ook al is dat geen excuus.”

U bent drie keer in Israël geweest, dat beviel niet altijd goed.

“Laat ik het duidelijk stellen: ik vind dat Israël recht van bestaan heeft. Ik ben geen anti-zionist die Israël liefst van de kaart zou vegen. Ik ben voor een tweestatenoplossing. Maar als het gaat om mensenrechtenschendingen, de bezetting, grootschalige bouw op de Westbank, dan spreek ik me uit.”

“Ik heb een keer een maand in Gaza gezeten, maar ik was ook op een boekenbeurs in Jeruzalem en bij een conferentie met Israëlische en Arabische auteurs bij de Allenby-brug tussen de Westelijke Jordaanoever en Jordanië, zodat ook Arabische auteurs konden komen. De laatste keer zat ik in Jeruzalem voor mijn tv-programma ‘Benali boekt’,  we gingen na wat de invloed van het boek ‘De zaak ‘40-’61’ van Harry Mulisch nog was. Ik heb daar de stokoude aanklager van Eichmann geïnterviewd, in het theater waar dat proces toen plaatshad. Heel indrukwekkend.”

“Bij aankomst in Israël werd ik er bij een controle steeds uitgepikt en uren ondervraagd. Voor die conferentie zelfs ondanks een brief van de Israëlische ambassade die ik bij me had. Toen ik Israël verliet, weer precies hetzelfde. Ik ga er niet meer heen. Als ik Israëliërs wil zien, dan graag in Tanger, in Marokko, waar ik ook een huis heb. Wist je dat Marokkanen en Israëli’s geen visum meer nodig hebben om naar elkaars land te reizen? Dat is alvast winst.”

Lees ook:

Abdelkader Benali trekt zich terug voor de 4-mei-lezing

Schrijver Abdelkader Benali houdt dit jaar niet de 4 mei-lezing, zoals was aangekondigd. Hij trekt zich terug na ophef over discutabele uitspraken die hij deed in 2006.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden