Aart Staartjes

Beeld ANP

Aart Staartjes (Amsterdam, 1938) is acteur, programmamaker, regisseur en producent. Hij is het brein achter menig kindertelevisieprogramma. De laatste jaren is hij vooral te zien als 'Meneer Aart' in 'Sesamstraat' en - onder andere - als Ta, een zeurderig oud vrouwtje, in 'Het Klokhuis'. Vorig jaar kreeg hij de Academy Carriere Award voor zijn hele oeuvre. In de televisieserie 'Mevrouw de Minister', die morgen van start gaat, speelt Aart Staartjes zijn favoriete rol: een bijrol. Lees hieronder het interview met Arjan Visser uit 2005, hier leest u het in memoriam voor de 12 januari 2020 overleden acteur terug.

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,'Denk erom,' zei mijn moeder, 'God ziet alles.' Ik stelde mij voor hoe een oude man op een wolk eindeloos naar mij zat te turen. Iemand die alles zag, alles hoorde en ook nog mijn gedachten kon lezen: ik vond het een angstig beeld. Later, op de zondagsschool, vroeg de juffrouw of ik wel wist wie de Heiland was. Ik had geen idee. Heiland, weiland? Wat moest ik ermee? 'De Heiland,' drong ze aan, 'onze Heiland!' Het maakte mij alleen maar banger: over wie had ze het dan? Op de middelbare school kreeg ik voor het eerst een beter, meer filosofisch, beeld van God. Dominee Bunk, die ons godsdienstles gaf, vertelde over het joodse volk en over de God die je niet kon benoemen. Het onuitsprekelijke. Dat vond ik wel een mooie gedachte. Als we het dan toch een naam moet geven, laten we het dan De Natuur noemen: de immorele kracht die overvloedig schept en onverbiddelijk vernietigt. Het besef dat ik daar een onderdeeltje van ben maakt mij nederig.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,In de bijbel wordt gesproken over 'De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob'. Ieder heeft zijn eigen God. Zodra je God in beelden probeert te vangen, verbreek je de code. Of het zin heeft die God aan te roepen is weer een tweede. Ja, ik heb het wel eens gedaan. Het gebeurde tijdens een aardbeving. Ik zat op de achtste verdieping van een hotel en ik zag het gebouw dat naast het onze stond heen en weer bewegen. Alles schudde, spiegels knapten van de muren, alarmen gingen loeien en ik riep: 'O God, laat het niet gebeuren!' Ik was zo verschrikkelijk bang. Ik had geen andere tekst meer, het ontsnapte mij... En Hij heeft mij gehoord? Nee, natuurlijk niet. Hij heeft ook niets gehoord toen de mensen gilden in de gaskamers. Of toen er een slachting plaatsvond in Rwanda. Waarom zou Hij zich op dat moment dan wel iets van mij aantrekken? Ik geloof in het Kwade - ik ben als de dood voor zwarte kunst en griezelfilms - maar dat het Goede ook bestaat is mij nog niet gebleken.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Wat er in naam van God of Allah gebeurt, dát is pas erg. Vloeken niet. Vloeken is hooguit ruw taalgebruik. Je raadt het al: ik doe het ook. Wanneer? Als iets mislukt, als ik in het nauw zit, als dingen die ik goed bedoel toch verkeerd worden begrepen. Ik kan tegen mijn vrouw heel boosaardig doen. Driftig. Ongeduldig. Dom.''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Ik had altijd wel een bootje of een auto om op te knappen. In Nederland werd het steeds moeilijker om daar ruimte voor te vinden, maar op mijn Griekse eiland lukt het nog volop. We wonen er op een kale rots die de heilige Johannes wordt genoemd. Ik heb er samen met Nicolas, de schaapsherder, een irrigatiesysteem aangelegd. Het werkt prachtig, maar er gaat nog wel eens een pomp stuk. Die maak ik dan. Als ik maar twee uur per dag kan klussen, dan ben ik al heel tevreden. Ik heb mijzelf daar ook een beetje verstopt, dat is waar. Het is een ballingsoord. Ik hou niet van die radio- en televisiesfeer. Ik ga nooit naar party's - het doet mij helemaal niets. Daar komt nog bij dat ik er enorm van kan genieten om anoniem te zijn. De eilandbewoners gaan met mij om omdat ze me aardig vinden. Niet omdat ik een toneelspeler ben, bekend van de televisie. Als mensen in Nederland leuk tegen mij doen, word ik al snel wantrouwig.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn vader maakte tijdens de oorlog klompen in zijn timmerloodsje aan de dijk. Ik liep er graag op, maar op school was ik de enige. Die klompen moest je uittrekken als je naar binnenging. Dat had iets vernederends: op je sokken in de klas. In het speelkwartier mocht ik niet meedoen met voetballen want die klompen waren 'slecht voor de bal'. Ik had wel schoenen, maar die mocht ik alleen op zondag dragen. Klagen? Nooit. Mijn vader vond dat ik niet moest zeuren. Hij zei altijd dat ik dapper moest zijn, mijn rug moest rechten: 'Ben jij nou een kerel?' Toen ik wilde leren schaatsen, zei hij: 'Hier heb je schaatsen en daar is het ijs'. En mijn moeder... tja, mijn moeder. Mijn moeder was zelf een klager. Ze heeft, naar eigen zeggen, 'alle ziektes van de wereld gehad' en 'meerdere keren op het randje van de dood gelegen'. Als ik een keer echt ziek was, zei ze: 'Dat stelt toch niks voor jongen, hup het bed uit, ben jij gek! Wat ík heb meegemaakt, dát is pas erg.' Dus ik was nooit ziek. Ik zei niets. Ik hulde mij in grijsheid. Ik las niet, was niet populair, speelde het liefst met de houtkrullen onder de werkbank van mijn vader. Mijn broer, die zeven jaar ouder was, was veel slimmer dan ik. Ik vond en vind hem nog altijd briljant. Met hem kon mijn moeder voor de dag komen. Voor hem had ze alle aandacht, tegen mij deed ze kil. Als mijn broer en ik allebei in de kamer waren, ging mijn moeder met haar rug naar mij toe zitten. Als ik er iets van durfde te zeggen, strafte ze mij door dagen niet met mij te praten.''

,,Het is gek, maar eigenlijk heeft de oorlog er voor gezorgd dat ik toch een prettige jeugd heb gehad. Ik ging niet naar school, werd omgeven door ooms die, ondergedoken voor de arbeidsdienst, in de loods van mijn vader werkten en kon het heel goed vinden met mijn grootmoeder die bij ons in huis was komen wonen. Ik sliep samen met haar in een bed. Zij was de moeder van mijn moeder, een onaangepaste boerin aan wie iedereen binnen de kortste keren een hekel had. Ze vertelde tot ieders ergernis - behalve de mijne - wel tachtig keer hetzelfde verhaal, riep tijdens het kaarten altijd 'Snotverdulleme!' en liet steevast drie scheten voor het slapen gaan. Ze zou zo door Astrid Lindgren verzonnen kunnen zijn. En ik voelde mij veilig bij haar. Misschien herkende ik het buitenbeentje in haar - al heb ik mij in die tijd niet zo gevoeld. Ik kreeg steeds meer conflicten met mijn moeder, maar het heeft nog jaren geduurd voordat ik wist waardoor die knoop in mijn buik werd veroorzaakt. Ik was al in de veertig toen ik bij een psychiater terechtkwam, die ontrafelde waarom ik mij zo radeloos voelde. Niet dat de therapie mijn relatie met haar erdoor verbeterde; dat was een verloren zaak.''

,,Uiteindelijk heeft Hannah, mijn tweede vrouw, ervoor gezorgd dat ik haar toch weer ben gaan opzoeken. Mijn moeder was aan het dementeren en woonde in een bejaardenhuis waar ze heel slecht werd behandeld. Hannah zei: 'Daar moet je iets aan doen, je moet je moeder daar weg zien te halen'. De familie was het er niet mee eens - 'Waar bemoeit die vrouw zich mee?' - en het bleek niet makkelijk om haar ergens anders geplaatst te krijgen. Na een hoop gedoe vonden we een plaats voor haar in een klein tehuis in Ilpendam. Daar sprak zij de taal van haar jeugd weer en werd buitengewoon goed verzorgd. Een voordeel van haar dementie was dat haar karakter als eerste werd aangetast: mijn moeder werd in haar laatste jaren nog een heel vriendelijk vrouwtje. Toch kon ik mij niet onmiddellijk met haar verzoenen. Weer was het Hannah die mij daarbij moest helpen. Ze zei: 'Kijk nou eens goed naar haar, ze kan je geen pijn meer doen. Ze vergeet alles, maar herinnert zich jouw naam. Toe nou, straks is ze dood en dan heb je spijt.' Toen heb ik mij eroverheen gezet. Met die andere vrouw, de kille moeder, is het nooit goed gekomen. Ik heb haar in mijn toneelspel een plaats gegeven. Zij is Ta, van To en Ta uit 'Het Klokhuis'. Een treurige figuur. Ze heeft zichzelf er nooit in herkend, maar dat komt waarschijnlijk doordat ze zich vooral ergerde aan het feit dat ik in die scènes vrouwenkleren droeg. 'De Stratenmakeropzeeshow' was ook niets voor haar. Ze was deftig. 'De freule', zei mijn vader altijd. Hij was op den duur wel trots op mij. Zij niet... nee, zij niet.''

,,Verdrietig? Ja, Dat is het ook wel, maar je moet niet vergeten dat het mij in zekere zin ook heeft geholpen. Ik heb het allemaal gebruikt. Ik ben sterker uit de strijd gekomen. Maar ik moet je nu eerst nog iets vertellen wat in dit verhaal ook belangrijk is...''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Vlak na de oorlog, in december 1945, werd mijn zusje geboren. Ze heeft tijdens de geboorte waarschijnlijk zuurstofgebrek gehad en kwam met een zware hersenbeschadiging ter wereld. Ze kon niet eten, nauwelijks slikken en niet poepen. Haar ontlasting moest met glycerine-spuiten gehaald worden. Ze kreeg stuipen, ze misvormde helemaal; ik kon er niet naar kijken. Mijn moeder gebruikte haar om medelijden mee op te wekken. Te pas en te onpas zei ze: 'Ja, ziet u, ik heb namelijk een gehandicapt kind'. Dan kromp ik ineen. Ik vond het zo gênant. Er werd ons ingeprent dat we van haar moesten houden, maar ik bracht het niet op. Ja, ze had een naam: Willy. Maar het was geen mens, het was een plant. Ze werd pontificaal, middenin de kamer gelegd. Mijn moeder koesterde haar als een Madonna. Vriendjes durfden na één keer niet meer met mij mee naar huis. Eerlijk gezegd was ik zelf ook een beetje bang van haar. Ik heb mijn vader meerdere keren horen zeggen dat hij er een kussen op zou duwen. En ik hoopte iedere avond dat hij het zou doen; dat ze weg zou zijn als ik wakker werd. Zij had het kleine beetje aandacht dat mijn moeder nog voor mij kon opbrengen weer van mij afgepakt.''

,,Het enige wat ik kon doen was de boel ontvluchten. Mijn broer ging vroeg het huis uit. Ik ben op mijn zeventiende gegaan. Mijn ouders hadden altijd ruzie, ze konden elkaar wel vermoorden, het was verschrikkelijk. Hun huwelijk is toen op de klippen gelopen, maar ze zijn uiteindelijk pas gescheiden toen ze al in de zeventig waren. Het meisje is dertien jaar geworden. Mijn moeder heeft niet zoveel problemen met haar dood gehad. Ze werd actief bij de Plattelandsvrouwen, leerde autorijden en veerde helemaal op. Mijn vader kreeg last van gewetenswroeging, hij ging er haast aan onderdoor. Hij had haar doodgewenst en voelde zich daar schuldig om. Op de begrafenis kon hij maar één woord uitbrengen: Waarom. Verder kwam hij niet. Waarom? En toen begon hij te huilen. Het ging dwars door mij heen.''

,,Toch heeft die ervaring mij ook geholpen toen mijn vader stierf. Hij is geëindigd in een verpleegtehuis. Na een paar beroertes, achter elkaar, ging het snel bergafwaarts met hem. Ik woonde vlakbij het tehuis en kon hem een paar keer per dag bezoeken. Op een gegeven moment kon hij niet meer praten. Hij kreeg het steeds benauwder en het leek wel alsof hij ieder moment kon stikken. Ik dacht: Zo kan het niet langer. Op een dag heb ik tegen de dokter van het verpleegtehuis gezegd: 'Ik geloof dat ik in de geest van mijn vader spreek als ik u vraag om er een eind aan te maken'. Hij wilde eerst weten of ik kon bewijzen dat mijn vader er zo ook over dacht. Gelukkig had hij nog ergens zo'n codicil - dat hij al eens had verscheurd, maar daarna toch weer met stukken plakband aan elkaar had gelijmd - en kon ik de dokter ervan overtuigen dat ik heel goed wist wat ik van hem vroeg. Mijn vader kreeg twee middelen: morfine om de pijn te bestrijden en valium om hem rustig te houden. Een dodelijke combinatie. Ik was er alleen bij toen hij de injecties kreeg. Hij zou er tweeentwintig uur over doen om dood te gaan. Het laatste wat hij heeft gezegd was: 'Ja'.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Het ging helemaal mis. Mijn huwelijk werd onleefbaar. Ik stuitte op een enorme kilheid bij mijn vrouw; een kilheid die mij woedend maakte. Ik begon heftig te drinken en te roken. Ik werd destructief en dacht: Het kan maar beter afgelopen zijn. Mijn vrienden zagen hoe slecht het met mij ging. Zij stuurden mij naar de psychiater. Voordat ik naar die mevrouw toeging, dacht ik nog dat ik er mijn huwelijk mee zou redden, maar gaandeweg werd mij duidelijk dat er veel meer aan de hand was in mijn leven. Mijn huwelijk was gebaseerd op een neurotische beslissing. Ik had onbewust naar een vrouw gezocht die in conflictsituaties hetzelfde gedrag vertoonde als mijn moeder. Het was diezelfde kilheid die mij nu opbrak. Het werd een lange therapie: ik heb er zeven jaar over gedaan. Het was heel zwaar, heel moeilijk, maar het werd een geweldige avonturenreis. Mijn psychiater hing vaak slap van het lachen in haar stoel en zei dan: 'Ach, ach, meneer Staartjes, nou u bakt ze bruin hoor! U zoekt het ook elke keer weer op!' Ik dacht altijd dat ik de touwtjes in handen had, maar zij heeft mij geleerd de werkelijkheid onder ogen te zien. Juist die koppigheid heeft ervoor gezorgd dat ik het zo moeilijk vond om te scheiden. Het is uiteindelijk met één grote klap gebeurd. Heel traumatisch, heel akelig. Het kon niet anders en het komt, denk ik, nooit meer goed. Toch heeft die ervaring mij er niet van weerhouden om, een paar jaar later, nog een keer te trouwen. Want ik vind nog steeds: als je je liefde verklaart, moet je ervan uitgaan dat het voor altijd is.''

8. Gij zult niet stelen

,,Twintig jaar geleden heb ik een flesje deodorant gestolen. Ik vond het te duur en ik dacht: Weet je wat, ik steek het in mijn zak. Nog voordat ik buiten stond, had ik spijt. Ik voelde mezelf zo'n lul. Wat een onzin zeg. Nee, niet stelen. Schiet je niets mee op.''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Waarom zou ik liegen? Waarom zou ik mezelf mooier voordoen dan ik ben? Ik vind het veel leuker om te zeggen dat ik een b-acteur ben. Dat vind ik ook echt. Ik neem genoegen met de middelmaat. Ik ambieer geen hoofdrol. Het liefst speel ik een ongelooflijke etterlijer, met af en toe een zin. Als ik al naar een Oscar zou verlangen, dan wil ik hem het liefst voor de beste mannelijke bijrol.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Ik ben goed in doorzetten. Tegen de stroom in, als het nodig is. Het nadeel van zo'n instelling is dat ik mij ga vervelen zodra de boel op rolletjes loopt. Nee, ik heb nu geen nieuwe ondernemingen meer opgezet. Ik vind het wel mooi zo. Ik heb genoeg erkenning gehad. Door het toneel kon ik overleven. Het was een openbaring: ik kon het zomaar, had eigenlijk geen schoolopleiding nodig. Zestien jaar lang had ik, als een Kees de Jongen, alles in mij opgezogen en daarna kon ik het spelen, het kwam vanzelf. Het was dé manier om mijn gevoelens te sublimeren. Al mijn woede, al mijn depressies, al mijn verdriet kon ik er in kwijt. Ik voelde mij onaantastbaar; ik had een plek gevonden waar ik kon overleven. Ja, misschien werd ik wereldvreemd - ik liet mij niet meer zien. Je zou ook kunnen zeggen dat het een voortzetting was van het leven met mijn moeder, met Willy, met al die onuitgesproken dingen. Ik durf de laatste jaren pas te laten zien wie ik in werkelijkheid ben. Er is geen pose meer. Het is niet meer nodig. Ik voel me veilig. Ik ben met een leuke vrouw getrouwd tegen wie ik alles kan zeggen. Ik heb een prijs gekregen voor mijn verdiensten op het toneel. Ik heb een huis in Nederland en een huis in Griekenland. Een mooi wit huis, met blauwe vensters. Bovenop de kale berg heb ik een oase aangelegd.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden