Review

Aan ons land valt altijd wat te veranderen

Als bij stedebouwkundige plannen niet wordt gelet op geschiedenis en plaatselijke tradities, gaat het mis. Laat de culturele planoloog de bijziende politici en beleidsmakers een handje helpen, vindt Steven van Schuppen.

Martin Reints

Het grootste deel van ons land is het resultaat van fantasie, denkwerk en arbeid. Onze landschappen zijn eigenlijk kunstwerken. Met het woord ’natuur’ bedoelt een gewoon mens geen onherbergzame wildernis, maar een weiland met boerderijen of een park dat zo groot is dat we het een bos noemen.

In Duitsland heb ik eens het woord ’Planologenprosa’ gebruikt om de gevoelswaarde van het woord ’groenvoorzieningen’ te verduidelijken. Ik dacht dat ’planologie’ een internationaal begrip is zoals ’geologie’ en ’meteorologie’. Maar de Duitse studenten Nederlands met wie ik een aantal gedichten doornam, tastten volledig in het duister. Ze begonnen enthousiast te raden wat ik met ’Planologie’ kon bedoelen, maar vergeefs. Ik begon tot mijn verrassing college te geven over de kunstmatigheid van onze omgevingen.

De Nederlandse plannenmakerij heeft nooit stil gelegen. We beschouwen ons land als iets waar altijd wat aan te veranderen valt. En omdat iedere verandering voor de een een verbetering betekent maar voor de ander een verslechtering, zijn er tal van adviseurs en bestuurlijke organen aan het werk, in een machinerie die zo onophoudelijk draait als onze gemalen.

Planologie is een Nederlandse vinding. Het woord werd in 1934 voor het eerst gebruikt, en het heeft het buitenland nog niet bereikt. Inmiddels is in de Cultuurnota 2001-2004 een verbijzondering geïntroduceerd: ’culturele planologie’.

De cultureel planoloog probeert de cultuurgeschiedenis en de plaatselijke tradities een plaats te geven in de plannen voor de openbare ruimte. „Culturele planologie is vóór alles de eigen tijd als onderdeel zien van een historisch proces op langere termijn, in een poging de onvermijdelijke bijziendheid van politici en beleidsmakers te verruimen”, schrijft Steven van Schuppen in zijn ’Onland en Geestgrond’. Hij geeft een uitvoerige verhandeling over de ontwikkelingen in uiteenlopende gebieden als het Groene Hart, de omgeving van de Hoogovens, Goeree-Overflakkee, Texel, Hengelo. Daarbij schetst hij inderdaad steeds hoe de huidige toestand is voortgekomen uit het verleden: de invloed van de plaatselijke opvattingen, overtuigingen en behoeften, de landschappelijke beperkingen, de mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen.

Het Hoogovensgebied gold voor en na de oorlog als een proeftuin op het gebied van de ruimtelijke ordening en moderne stedenbouw. De grote ontwikkelingen in deze omgeving zijn op gang gekomen door de ligging. Holland was hier op z’n smalst, en het nabije Amsterdam had behoefte aan een goede verbinding met de zee.

De strook land tussen het IJ en de Noordzee was zes kilometer breed, en daar werd in de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw het Noordzeekanaal doorheen gegraven. Het Wijkermeer en een groot deel van het IJ werden drooggemaakt. De arbeiders die het werk verrichtten, kwamen uit het hele land. Ze leefden in holen en keten op De Heide ten zuiden van het kanaal, in liederlijke omstandigheden. De oorspronkelijke bevolking keek er met angst en afkeer naar; de chique dames en heren uit de Velser buitenplaatsen kwamen soms helpen met voedsel en kleding.

Dertien jaar kostte het graven. Veel kanaalarbeiders bleven er na afloop wonen, en vonden werk in het onderhoud van het kanaal en in de visserij van het snel groeiende IJmuiden. De grote zeesluizen trokken bedrijvigheid aan en er ontstond een levendig uitgaanscentrum.

Aan de noordkant van het nieuwe kanaal werd Beverwijk het centrum van de streek. Het was tuinbouwgebied, bekend om zijn aardbeien. Ook hier vonden veel mensen van elders werk: in de conservenindustrie die er ontstond en in de papierfabriek die er werd neergezet. Na de Eerste Wereldoorlog werden er de Hoogovens gevestigd, natuurlijk met een enorme invloed op de ontwikkelingen. Behalve arbeiders trok de industrie een nieuwe middenstand en een bovenlaag aan, die zich in Velsen en Beverwijk vestigden.

Van Schuppen zet nauwkeurig uiteen hoe deze achtergrond heeft doorgewerkt in de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Zijn verhaal behandelt het verschil in sfeer tussen Beverwijk en IJmuiden, de godsdienstige en politieke opvattingen onder arbeiders en bestuurders, het beslag dat Hoogovens legde op de ruimte, de migratie die er plaatshad, de invloed van Dudok op de architectuur van IJmuiden.

En hij laat zien hoe het moderne stedenbouwkundige plan voor de grote nieuwbouwstad IJmond-Noord moest falen, omdat het niet aansloot op de bestaande situatie. Het was gigantisch, het stond los van wat er was, en de toen heersende wijkgedachte die eraan ten grondslag lag, raakte achterhaald. De ontzuiling, de immigratie, het werk in ploegendiensten en de komst van de pil maakten dat er een andere wereld ontstond dan was voorzien. De plannen uit 1951 verouderden, maar ze werden pas in 1964 afgeblazen. Van Schuppen stelt dat het beter was geweest als vanaf het begin de historisch gegroeide kernen tot uitgangspunt waren genomen. Het zwaartepunt had dan in het oude hart van Beverwijk gelegen.

Nu is er, in de ogen van Van Schuppen, uiteindelijk niets van betekenis van de grond gekomen: „Toen ik eind jaren vijftig in Beverwijk kwam wonen was er helemaal niets te beleven. Toen ik er midden jaren zeventig wegging was er nog steeds niets te beleven. Toen ik er in het midden van de jaren nul van de eenentwintigste eeuw terugkwam voor het schrijven van dit boek, was er nog steeds helemaal niets te beleven.”

De uiteenzetting over de geschiedenis van het Hoogovensgebied laat zien hoe een cultureel planoloog zich met ruimtelijke ontwikkelingen zou kunnen bemoeien. Bestudering van de geschiedenis en begrip voor wat de plaatselijke bevolking en bestuurders bezighoudt, zou tot ander beleid hebben gestimuleerd. De schrijver gaat uitvoerig en nauwkeurig in op de geschiedenis van de gebieden die hij behandelt: de verschillen in ontwikkeling van het toerisme op Goeree-Overflakkee en Texel, de teloorgang van het open landschap tussen Leiden en Alphen, de architectuur in industriegebieden als Twente.

De documentatie die Van Schuppen aanlegt, is van grote waarde voor iedereen die belangstelt in de geschiedenis van onze landschappen. Hopelijk heeft zijn benadering een remmende werking op al te grootscheepse veranderingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden