Review

Aan het ziekbed zit een Palestijnse Sjeherazade

Bij monde van een Palestijnse verpleger verschaft de Libanese romancier Elias Khoury in ’Poort van de zon’ scherp inzicht in de levens van Palestijnen sinds 1948. Het veelstemmige epos is nu (heel goed) vertaald.

’De geschiedenis houdt niet van winnaars’, constateert de verteller halverwege de lijvige, mooie roman waarin de Libanese schrijver Elias Khoury een panoramisch beeld schetst van zo'n zestig jaar Palestijnse geschiedenis. „Wie wordt geboren,” zegt hij elders, „zit in de val.” Die twee uitspraken zetten de toon voor een meeslepend relaas over het zich al vele jaren uitzichtloos voortslepende conflict in het Midden-Oosten.

De verteller van het boek is Khaliel, een veertigjarige Palestijnse verpleger die geboren is in een vluchtelingenkamp dat in Libanon voor de Palestijnen is ingericht. Zijn vaderland heeft hij, als zoveel Palestijnen, nooit gezien.

In het Galilea-ziekenhuis, nabij Beiroet, ontfermt Khaliel zich over zijn vriend en vrijheidsstrijder Joenis. Die heeft de oorlog van 1948 nog beleefd, heeft een tijdje carrière gemaakt in het Palestijnse staatsapparaat, maar is nu in comateuze toestand het hospitaal binnengebracht.

Khaliel verzorgt Joenis zo goed en zo kwaad als de omstandigheden dat toelaten. Makkelijk is dat niet: het gebouw is in verval, de geneesheer-directeur is doorgaans afwezig om elders bij te klussen, en hoewel Khaliel in feite de verantwoordelijkheid voor het hospitaal draagt, is zijn eigen medische opleiding beperkt tot een stoomcursus die hij vele jaren geleden in China heeft gevolgd.

In de hoop tot de bewusteloze Joenis door te dringen, besluit Khaliel hem het relaas van diens eigen leven te vertellen. Zeven maanden lang, dag na dag, vertelt hij door, als een moderne Sjeherazade. Het hele leven van Joenis, gezien door de ogen van Khaliel, passeert de revue.

Centraal in dat relaas staat Joenis' liefde voor zijn vrouw, Nahiela. Jarenlang zag Joenis haar slechts sporadisch. Hij was voortdurend op de vlucht voor de Israëli, en hun enige ontmoetingsplaats was een grot, de Poort van de zon genaamd, waar ze, aan de blikken van alle anderen onttrokken, spaarzame momenten van intimiteit hadden en hun kinderen konden verwekken.

Dit liefdesverhaal biedt de schrijver de gelegenheid om een beeld te schetsen van ruim zestig jaar Palestijnse geschiedenis via een bonte stoet van de meest uiteenlopende hoofdpersonages en bijfiguren. Het zijn er meer dan vijftig, en ze zijn in hun ingewikkelde onderlinge relaties lang niet altijd even gemakkelijk uit elkaar te houden. Gelukkig heeft de vertaalster – die het boek heeft omgezet in voortreffelijk, vlot lopend Nederlands – aan het eind van het boek een handzaam lijstje ervan opgenomen. Bovendien heeft ze de roman voorzien van een zeer informatief en analytisch nawoord.

Samen bieden al deze mannen en vrouwen, ouders en grootouders, kinderen en vreemden de lezer inzicht in wat zestig jaar psychologische en sociale ontworteling en ontwrichting onder de Palestijnen tot stand hebben kunnen brengen.

Merendeels zijn zij niet geboren op de grond waar zij zich verbonden mee voelen. En die grond is niet alleen volkenrechtelijke niet meer de hunne: ze zijn er niet welkom en hun huizen zijn gesloopt. De eeuwenoude Romeinse olijfbomen die zo kenmerkend waren voor het landschap en waaraan de Palestijnen zo sterk gehecht waren dat ze voor hun gevoel deel uitmaakten van hun identiteit, zijn door de joden gerooid en vervangen door pijnbomen en palmen. „Is het waar dat ze er een Europees land van hebben gemaakt?” vraagt Khaliel aan Joenis, die in het kader van geheime missies vaak in Israël vertoefd heeft.

De Palestijnse vluchtelingen kunnen alleen clandestien naar de bezette gebieden reizen om er een blik te slaan op hun verwoeste huizen en eigendommen. Of in hun kampen kijken naar videobeelden die ervan gemaakt zijn. „Ze zitten thuis te kijken naar filmbeelden die Palestina moeten voorstellen. Wij zijn een volk van video's, ons land is een land van video's geworden,” klaagt een bejaarde krantenverkoper die door de oprukkende beeldcultuur brodeloos is geworden.

Khoury vertelt het allemaal met verve. En hij buit de constructie die hij voor zijn roman heeft gekozen op geraffineerde wijze uit. Wat wij lezen is weliswaar het levensverhaal van Joenis, maar het wordt verteld, en daarmee tegelijkertijd geïnterpreteerd, door Khaliel, die de witte plekken in het relaas naar believen invult, tegenstrijdigheden niet uit de weg gaat, en er op zijn beurt zijn eigen levensverhaal doorheen weeft.

Hierdoor krijgt die enorme hoeveelheid zeer divers materiaal toch de eenheid van een epos, en blijft ook een zekere mate van spanning en mysterie gehandhaafd, want de lezer vraagt zich steeds af in hoeverre de gebeurtenissen waarover hij leest waar, verfraaid of verzonnen zijn.

Hoewel Khoury's verteltoon vrij vlak is - en bij een zo dik boek is dat wel eens bezwaarlijk - weet hij de aandacht van de lezer vast te houden, en de laatste honderdvijftig bladzijden, waarin Khoury's gevoel voor het absurde de ruimte krijgt, zijn ronduit meeslepend. Zo is er het sardonisch vertelde verhaal van de dichter die na een ongeluk in het ziekenhuis belandt, twee dagen lang geniet van de uitvoerige necrologieën die in alle kranten verschijnen, en vervolgens alsnog overlijdt. De tweeregelige berichten waarin de pers daarvan gewag maakt, blijven hem bespaard.

Enige voorkennis van de bewogen geschiedenis van Israël en de tragische lotgevallen van de Palestijnen is overigens zeker een pré, zo niet een must, want veel wordt door de auteur bekend verondersteld. Gelukkig zijn de vele voetnoten van de vertaalster zeer behulpzaam, maar een tijdsbalk achterin het boek zou waarlijk geen luxe zijn geweest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden