Review

AAAAAAAAAHHH!!EMOTIES

Als we schrikken, tolt het in ons hoofd. De rationele hersenschors zegt dat vrees voor muizen ongegrond is, maar de emotionele amandelkern trekt zijn eigen plan. En doet dat razendsnel, nog immer opgejaagd door oerangsten voor aanvallend wild. Neuroloog Joseph LeDoux bracht de sluipwegen van onberedeneerde angsten, fobieën en paniekaanvallen in kaart. Joseph LeDoux. The Emotional Brain: the mysterious underpinnings of emotional life. Uitgeverij Simon & Schuster, New York. 384 pag. ¿ 56,25. Daniel Goleman. Emotionele intelligentie: emoties als sleutel tot succes. Uitgeverij Contact, Amsterdam. 447 pag. ¿42,50.

Of geven gevoelens onze gedachten juist alle ruimte en krijgen emoties dus eigenlijk pas warmte en kleur na de nodige overpeinzingen van boven? Misschien hebben de hersenen ongemerkt die knapperd waar we mee swingen al lang beoordeeld voordat de vlinders in de buik opkomen. En gaat het in noodsituaties niet meestal zo: daar loopt een grizzlybeer, 'sterk en gevaarlijk beest' weten de hersenen, we worden bang, rennen!

Integendeel, in menige situatie komt het denken er in eerste instantie niet aan te pas, doordat cognitieve processen te sloom op gang komen. Charles Darwin drukte in de dierentuin eens zijn neus tegen de glazen kooi van een adder, met het vaste voornemen die neus daar te houden als de slang aanviel. De adder haalde inderdaad uit naar het glas, en weg schoot Darwin. “De rede was machteloos tegen de voorstelling van een gevaar, dat ik nooit eerder had ervaren.”

Maar wie of wat deed Darwin terugdeinzen? En waarom ontsteken we af en toe in hevige woede, waar het verstand even later het hoofd om schudt? Nog zo'n vergissing: je loopt door het bos en wil al aan de haal gaan om dat serpent te ontlopen als van boven de geruststellende mededeling komt van 'joh, 't is maar een kromme stok'. Emoties als angst en vrees hebben kennelijk meer haast dan het verstand.

Gelukkig maar, schrijft de Amerikaanse neuroloog Joseph LeDoux in The Emotional Brain, een fascinerend verslag van de speurtocht naar de 'fundamenten van het emotionele leven'. De verklaring voor die overhaaste, soms voorbarige angst is voor de hand liggend: die hebben we geërfd uit een grijs verleden van miljoenen jaren her.

Het is allemaal begonnen sinds allerlei dieren bij elkaar op het menu staan. Door de evolutie heen slopen er verscheidene schrikmechanismen in om de kans te verhogen een hongerige roofdier te ontlopen. Oog in oog met zo'n rover doet de prooi er verstandig aan ter plaatse te verstijven - beweging valt immers op -, om ondertussen het lijf gereed te maken voor een mogelijke vechtpartij of een vlucht: de hartslag schiet omhoog, de bloeddruk stijgt, spieren raken doorbloed.

Ooit deed ook de mens zijn voordeel met die oplettende angsthaas in hem. Hij hoefde zich niet te verbeelden dat hij het gevaar wel met wikken en wegen kon afwenden, daar wachtte de alligator echt niet op. In die dagen was angst een goede raadgever, een mensenredder vaak. Weliswaar lopen we nu niet dagelijks meer tegen krokodillen op, maar die razendsnelle emotionele reactie, voor het denken uit, zit er nog altijd ingebakken.

Er zijn meer emoties die weigeren naar het verstand te luisteren. Mensen met onberedeneerde angststoornissen, fobieën en paniekaanvallen bij voorbeeld, kunnen zelf vaak geen hoogte krijgen van hun vrees, die zich volledig aan de rede lijkt te onttrekken. En dat ook letterlijk doet, vermoeden neurologen als LeDoux. Hij slaagde erin om in de hersenen zichtbaar te maken hoe emoties gedeeltelijk hun eigen plan trekken, zonder ruggespraak met hersengebieden waarin de cognitieve (denk)processen tot stand komen.

Zulke emoties regeren over ons, tot spijt van Plato die deze “wilde paarden” sterk onderwaardeerde en ze liever getemd zag. Dat zal echter niet gaan zonder ernstige herseningrepen, van het type doorsnijdingen die LeDoux in hersenen van ratten uitvoerde, op zoek naar de “wegenkaart van de angst”.

Hij greep daartoe terug op de conditioneringsproeven van de Russische fysioloog Ivan Pavlov, die een hond enkele keren een belletje liet horen vlak voordat hij te eten kreeg. Na enige oefening kwamen de speekselklieren van het beest al bij het rinkelen van belletje op gang. Zo liet LeDoux bij ratten een milde elektrische schok voorafgaan door een toon, waarna de ratten alleen al bij het horen van de toon angstreacties vertoonden. Toon en schok hoorden onlosmakelijk bij elkaar. Voor LeDoux was de vraag welke hersengebieden bij het leerproces van deze angstreacties zijn betrokken (zie kader), en welke de rat eventueel kon missen.

Vreemd genoeg hoefde de rat zich niet per se te bedienen van de hersenschors, het hogere circuit waarin de rat net als elk zoogdier zo zijn afwegingen maakt. Na beschadiging van de gehoorcentra in die hersenschors konden de ratten toch de toon met de akelige schok in verband brengen. Ze leerden in wezen zonder begeleiding van hun meester.

Met geavanceerde beeldtechnieken - chemische stofjes kunnen het pad van de hersensignalen zichtbaar maken - bracht LeDoux vervolgens de wegenkaart van de toonprikkel verder in kaart. Naast de hoofdweg naar de hersenschors bleek de prikkel nog een zijweg te volgen, direct richting emotionele centra, waar het signaal werd opgevangen in de amygdala of amandelkern. En dat is uitgerekend het hersengebiedje dat emotionele reacties op gang brengt.

Nu de hoofdweg in de ratjes was afgesneden, werd de amandelkern dus alleen via een korte, snelle binnenweg bediend. Een rommelige, neurale sluiproute, stelde LeDoux vast, want deze geconditioneerde ratten konden geen onderscheid maken in toonverschillen, terwijl ratten met een normale hersenschors dat wel kunnen. Voor een amandelkern die zijn geluidsprikkels zonder tussenkomst van de hersenschors ontvangt moeten The Beatles en The Rolling Stones ongeveer hetzelfde klinken, schrijft LeDoux.

Maar waarom bleef door de evolutie heen deze slordige hersenroute ook na de ontwikkeling van de hersenschors intact? Omdat dit ogenschijnlijk inferieure pad tijdwinst oplevert. Een gehoorprikkel doet er in de rat twaalf milliseconde over om rechtstreeks naar de amandelkern te reizen en via de hersenschors twee keer zo lang. Daar kan een rat oog in oog met een jakhals niet op wachten. En wij ook niet. Darwin kon nog zo vastberaden de neus tegen het glas drukken, zijn amandelkern was sneller dan zijn rationele stoerheid.

Wat zou het leven zijn zonder dit hersengebied? Dat is een bijna onmogelijke vraag; patiënten die louter een beschadiging in de amandelkern hebben zijn er nauwelijks. De neuroloog Antonio Damasio onderzocht er één, een vrouw die desgevraagd wel verschillende emoties op gezichten kon thuisbrengen maar angst niet: die gelaatsuitdrukking ontging haar volledig. Voor LeDoux is dat bewijs genoeg dat onze amandelkern nog altijd dezelfde functie vervult als bij dieren uit lang vervlogen tijden, “in zekere zin zijn we emotionele hagedissen”.

De psycholoog Daniel Goleman waagt zich in Emotionele intelligentie haast aan een lofzang op de amandelkern. Zonder deze 'zetel van de passie' raken we in een toestand van 'affectieve blindheid', in een leven ontdaan van persoonlijke inhoud, afgestompt en zonder tranen.

Maar dan de keerzijde. Goleman herinnert aan Richard Robles, die zichzelf op de dag van Martin Luther Kings I Have a Dream had beloofd dat dit toch echt zijn laatste kraak zou zijn, hij wilde het rechte pad op. Helaas, een van de twee carrièremeisjes die het appartement bewoonde bleek thuis. Geen nood, ze werd even vastgebonden. Maar toen de tweede vrouw vlak voor Robles' vertrek ook arriveerde en verzekerde dat ze zijn gezicht zou onthouden, sloegen de stoppen door. In razernij en woede bleef hij maar steken met het keukenmes, en zegt daar nu in zijn cel nog over: “Mijn hoofd knalde gewoon uit elkaar.” Hier werd iemand gegijzeld door zijn amandelkern, weet Goleman.

Van die emotionele gijzelingen, waarbij de rationeel oordelende hersenschors volledig wordt overgeslagen, zijn talloze voorbeelden bekend. En ze zijn hardnekkig: sommige indrukken die via de sluiproute naar de amandelkern tot stand zijn gekomen lijken veel dieper in de hersenen gekerfd dan emoties waarbij hogere hersencentra hebben bemiddeld. Dat verklaart mogelijk waarom mensen gebukt gaan onder het juk van traumatische ervaringen, waar ze verstandelijk geen greep op hebben.

VERVOLG OP PAGINA 16

AAAAAAAAAHHH!! VERVOLG VAN PAGINA 15

Voor een deel zijn het misschien jeugdervaringen. De amandelkern is vroeger rijp dan andere kernen die verantwoordelijk zijn voor de expliciete herinneringen van na het derde levensjaar. De amandelkern heeft zogezegd al het een en ander meegemaakt voordat je er zelf bij bent en blijft plagen met wat impliciete herinneringen worden genoemd.

Iets vergelijkbaars moet volgens LeDoux zijn gebeurd met de vrouwelijke patiënt van de Franse arts Edouard Claparede, begin deze eeuw. Zij had zo'n ernstige beschadiging in de hogere hersencircuits dat zij geen enkele nieuwe herinnering kon vormen. Als Claparede maar enkele minuten zijn spreekkamer verliet, moest hij zich bij terugkomst opnieuw aan haar voorstellen. Op een goede dag gaf hij haar weer een hand, waarin dit keer een naald verborgen zat waar hij haar mee prikte. Bij volgende gelegenheden ontweek ze zijn uitgestoken hand: zelf had ze later werkelijk geen idee waarom, maar haar amandelkern wist beter, vermoedt LeDoux.

Volgens de neuroloog geldt voor tal van angststoornissen dat het rudimenten zijn van ervaringen van weleer, opgeslagen in dat oude hersengebied waarin de emotionele centra zetelen. De beter geschoolde hersengebieden krijgen er geen vat op en slagen er niet in om die hevige emoties van hun zware lading te ontdoen. Fobieën, volstrekt onberedeneerde paniekaanvallen, oorlogssyndromen, ze willen maar niet uitdoven, doordat de amandelkern en aangrenzende centra zich bij deze emoties niet door de hersenschors laten bepraten - vandaar ook de moeizame resultaten bij gesprekstherapieën - en geheel autonoom hun eigen plan trekken.

En dan gaat het tollen in zo'n geconditioneerde bovenkamer: angst zet aan om die lift waarin je bent beroofd voortaan te mijden, en de daardoor verminderde angst bevestigt weer dat je dat beter maar kunt blijven doen. Zo kom je nooit meer in de lift of als fobielijder nooit meer in kleine kamertjes of op grote pleinen. Vermijdingsgedrag versterkt blijkbaar zichzelf.

Is het af te leren? Bange ratten schrikken na verloop van tijd niet meer als je eerst hun vluchtwegen afsluit en ze dan langzaam laat merken dat na die toon geen elektrische schok meer volgt. Maar onze fobieën lijken hardnekkiger, wat volgens sommige neurologen geen wonder is: conditionering van ratten in het laboratorium is gebaseerd op gekunstelde situaties, maar wij dragen een door de evolutie gevoede angst mee voor reële gevaren, een vrees voor groot wild en grote hoogten.

Die aanleg moet volgens neurologen genetisch verankerd zijn en het hangt dan ook van je genen af hoe gevoelig je voor fobieën bent. Dat zou mede verklaren waarom sommige mensen zelfs voor spinnen doodsbenauwd zijn en blijven, terwijl ze hun aanvankelijke angst voor pistolen op den duur gemakkelijk onderdrukken. Messen en blaffers hebben, in tegenstelling tot spinnen kennelijk, geen geschiedenis in de hersenen en de amandelkern ziet er dan al gauw weinig bedreigends meer in.

Hoe dan ook, bij vlagen lijken homo sapiens en homo emotionalis in ons om de scepter te strijden, en de laatste is volgens neurologen vooral in stressachtige situaties aan de winnende hand. LeDoux geeft voorbeelden van Vietnamveteranen, bij wie de hersengebieden die voor bewuste herinneringen zorgdragen (zoals de Hippocampus) onder invloed van spanningen een beetje zijn verschrompeld, terwijl zo'n emotiemachine als de amandelkern op het strijdtoneel juist onbedaarlijk actief wordt.

Bedenk daarbij dat dat centrum zijn informatie onder hyperspannende omstandigheden allereerst langs de onbetrouwbare neurale sluiproute ontvangt en dus niet erg fijnzinnig kan registreren: dan hoeft de veteraan maar een dichtklappende deur of een brandluchtje te ruiken en zijn amandelkern, nauwelijks gecorrigeerd door de denkcentra, staat weer midden in de oorlog.

De hartslag vliegt omhoog, de bloeddruk stijgt: op zo'n moment vertelt het lichaam dus zelf dat er van alles aan de hand is. Die lichamelijke feedback is volgens LeDoux een ontzettend belangrijke component in onze emotionele reacties.

Daarmee zijn we terug bij William James, de aartsvader van de psychologen. Die hield het er eind vorige eeuw al op dat we bij het zien van de beer niet gaan rennen omdat we bang zijn, maar dat we zo vreselijk bang zijn doordat we ons lijf voelen rennen. En we huilen niet omdat we verdrietig zijn, maar we zijn verdrietig omdat we zo huilen.

Zo zit het natuurlijk niet helemaal, weet LeDoux, maar sinds zijn onderzoek hebben onze hoogcognitieve gaven wel aan autoriteit ingeboet. Uit emotionele hersenspelonken en vanuit het lichaam zelf wordt soms net zo overtuigend en net zo beslissend tegen ons aan gepraat als door het verstand. De ene keer zwepen ze onze angst op, maar uit lichamelijke opwinding kunnen ook mooie gevoelens worden geboren. Dat was ooit eens weggelegd voor proefpersonen die niet in een steriele kamer maar op een zwaaiende hangbrug door een schone dame werden ondervraagd: op de hangbrug werden ze smoorverliefd op de interviewster.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden