Review

'1968' had eigenlijk geen ideologie

Eén ding is zeker, in de jaren zestig van de vorige eeuw veranderde de geschiedenis. De vraag of dit ten goede of ten kwade was, vormt de inzet van vele actuele debatten. In film en literatuur, filosofie en politiek wordt hevig gestreden over de waarde en erfenis van dit roemrijke en utopische of juist vreselijke en afschrikwekkende decennium.

In recente films waarin de babyboom-generatie uit die tijd zelf terugblikt, gebeurt dat meestal ondanks de ingehouden ironie met de nodige sympathie en inlevingsvermogen. Zowel in 'Les invasions barbares' van de Canadese regisseur Denys Arcand als in 'La meglio giuventu' van de Italiaan Mario Tullio Giordana komt, ondanks alle kritiek, de jaren-zestiggeneratie er redelijk goed van af. In de literatuur lijken de accenten anders te liggen. De succesvolle Franse romancier Michel Houellebecq geeft hier met zijn felle kritiek op de verwording en leegheid van de jaren zestig eerder de toon aan. In filosofie en politiek tenslotte zijn de kaarten helemaal anders geschud. Zowel in de wereld van het denken als die van het handelen is het neoconservatisme, dat wil afrekenen met de erfenis van de jaren zestig, overheersend.

Zowel nationaal als internationaal, bij onze eigen conservatieve Edmund Burke stichting en bij Amerikaanse 'neocons', lijken de jaren zestig de schuld te krijgen van alles wat er maatschappelijk maar mis kan gaan.

Opvallend in deze ideologische strijd is dat er heel verschillende beelden opgeroepen worden, die vaak weinig met de historische werkelijkheid te maken hebben. Meer nog dan bij de verdedigers, die ongetwijfeld te weinig oog hebben voor de duistere en gevaarlijke kanten die de revolutionaire denkbeelden met zich meebrachten, lijkt dit te gelden voor (neo)conservatieve tegenstanders van de 'geest van de jaren zestig'. Zij lijken vaak zo gebiologeerd door hun zondebok dat zij nauwelijks meer kunnen waarnemen wat er toen werkelijk gebeurde. Om maar een voorbeeld uit mijn eigen vakgebied, de filosofie, te noemen: de zeer invloedrijke Engelse conservatieve denker Richard Scruton laat de Parijse studenten in mei 1968 in opstand komen onder inspiratie van de machtsanalyses van de Franse historicus en filosoof Michel Foucault. Hij beschrijft herhaaldelijk met een zekere gretigheid in interviews hoe hij vanuit zijn Parijse hotelkamer moest aanschouwen hoe zij in naam van Foucault de vreselijkste vernielingen aanrichtten. Scruton besloot toen al, zo suggereert hij, dit gevaarlijke denken te bestrijden. Maar de machtstheorie van Foucault is pas in het midden van de jaren zeventig ontwikkeld en verschilde aanmerkelijk van de ideeën die de studenten in Parijs bezielden.

Scrutons verblinding is slechts een van de vele vertekeningen die rond de jaren zestig optreden. In het algemeen kunnen we stellen dat de progressieve politieke correctheid en de dogmatische verbetenheid die inderdaad ergerniswekkend waren, vooral uit de jaren zeventig stammen. De jaren zestig waren veel opener, zoekender en ook onzekerder dan het beeld dat de tegenstanders er met graagte van ophangen.

Dat laatste blijkt uit de schitterende kroniek van de Amerikaanse onderzoeksjournalist Mark Kurlansky, die ook onlangs in een Nederlandse vertaling verscheen. De titel ervan '1968 -The Year that Rocked the World' (in de Nederlandse vertaling, 'Het jaar waarin alles anders werd', is de swing er helaas uit verdwenen) blijkt niets te veel gezegd. 1968 was inderdaad een soort culminatiepunt waarin sluimerende onvrede aan de oppervlakte kwam en maatschappelijke spanningen overal tot gewelddadige botsingen leidden. Van Frankrijk tot Mexico, van Oost-Europa tot Vietnam, van West-Duitsland tot de VS vond de confrontatie plaats tussen hen die volgens een veelgehoorde leuze alles anders wilden en de verdedigers van de status-quo.

1968 was het jaar van het Tet-offensief, dat het begin van de Amerikaanse terugtocht uit Vietnam inluidde, van de moord op Martin Luther King en Robert Kennedy in de Verenigde Staten, van de Praagse Lente en de Russische inval in Praag, van de moord op protesterende Mexicaanse studenten, vlak voor de Olympische Spelen in Mexico City tijdens welke Amerikaanse medaillewinnaars voor het oog van de hele televisiekijkende wereld de Black Power-groet brachten, van universiteitsbezettingen en de gewelddadige beëindiging ervan op vele plaatsen.

Maar het was natuurlijk ook het jaar van muziek en poëzie, van Bob Dylan en de Beatles, van Alan Ginsberg en Jim Morrison met The Doors. Kurlansky geeft van dit alles een schitterende beschrijving, die de lezer deel laat krijgen aan de verwarring en angst, de hoop en het enthousiasme die velen toen bezielden. Hij doet dit vooral door de vele gebeurtenissen als het ware op heterdaad te betrappen. Via krantenartikelen, citaten van hoofdrolspelers, sfeertekeningen, volg je als lezer chronologisch de toen voor iedereen onverwachte ontwikkelingen.

Drie dingen vallen op. In de eerste plaats kwam het meeste van wat er in 1968 gebeurde totaal onverwacht. Kurlansky citeert uitspraken van staatshoofden en wetenschappers, die er in het begin van het jaar van overtuigd waren dat het een rustig, zelfs gezapig jaar zou worden. De Gaulle voorzag stabiliteit in Frankrijk, Johnson voorspelde de definitieve Amerikaanse overwinning in Vietnam, kritische sociale wetenschappers als Marcuse hekelden de passiviteit van de consumptiemaatschappij. En toen werd tot ieders verrassing inderdaad 'alles anders'.

Dat dit gebeurde, zo blijkt in de tweede plaats, valt grotendeels te wijten aan de botheid en blindheid van veel toenmalige machthebbers. Doordat zij star vasthielden aan hun regels en orde, radicaliseerden de aanvankelijk kleine protesterende groepjes snel en kregen ze een massale aanhang. Als er iets uit Kurlansky's verslag duidelijk wordt, dan is het wel -alle neoconservatieve nostalgie ten spijt- dat de mentaliteit waartegen de '68'ers' ten strijde trokken, verstikkend en onhoudbaar was. Ideeën over de gelijkberechtiging van zwarten, homo's en vrouwen die voor ons vanzelfsprekend zijn, moesten in 1968 werkelijk met zweet, bloed en tranen bevochten worden.

In de derde plaats is het goed te ontdekken dat de meeste leiders van de protestbeweging eigenlijk nauwelijks een samenhangende ideologie hadden. Zij lieten zich eerder sturen door de ontwikkelingen dan dat ze er richting aan gaven.

Noch Alexander Dubcek, communistisch leider tijdens de Praagse Lente, noch Daniel Cohn-Bendit, aanvoerder van de Parijse studenten, noch de pragmatisch ingestelde Amerikaanse voorgangers, beschikten over duidelijke, vaste uitgangspunten voor hun handelen. Die werden pas ontwikkeld toen de grote maatschappelijke bewegingen al in het defensief waren. Als een soort mosterd na de maaltijd werd de vaak sterk marxistisch gekleurde ideologie in de jaren zeventig aangeleverd.

Dit boek kan helpen om veel bestaande mythen, die in de huidige discussies een rol spelen, te ontkrachten. Maar bovenal is het een schitterend relaas voor wie het allemaal nog eens wil (her)beleven. Voor ons Nederlanders is misschien het enige minpunt dat ons land er zeer bekaaid af komt. Dit zeg ik allerminst uit chauvinisme. Een aantal vaderlandse ontwikkelingen uit de jaren zestig -van Provo tot de veranderingen in de rooms-katholieke kerk- vonden internationaal weerklank. Kurlansky heeft er geen oog voor. Maar gelukkig hebben wij met het nog steeds verkrijgbare 'New Babylon in aanbouw' van James Kennedy onze eigen vaderlandse aanvulling op het magistraal geschetste tijdsbeeld dat Kurlansky ons verschaft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden