Review

150% INTELLECTUELEN

Met zijn winkelboulevard, sjieke laagbouw en welgevulde supermarkt oogt Prawets als het sjiekste dorp van Bulgarije. Het dankt zijn glamour aan ex- dictator Todor Zjiwkow, die het liet opdirken omdat hij er geboren was. Hij bezorgde Prawets ook een fabriek waar, naar een verouderd Frans ontwerp, halfgeleiders werden gemaakt. Het verhaal gaat dat Zjiwkow het bedrijf opende met de klinkende socialistische en utopsche slogan: 'Dit jaar halfgeleiders - volgend jaar heelgeleiders!" De Britse romanschrijver Julian Barnes hoorde de anecdote van een vriend die hem in Prawets rondleidde. Die vertelde hem ook dat het dorp in Bulgarije de bijnaam 'Klein Zwitserland' draagt. Zwitserland?, zei Barnes, met zo'n vlak landschap? 'Wij Bulgaren', antwoordde de vriend, 'hebben een levendige fantasie.' Barnes bezocht Bulgarije om enige luister bij te zetten aan de verschijning van zijn nieuwste roman, 'The Porcupine', in Bulgaarse vertaling. De hoofdfiguur van 'Het stekelvarken', zoals de pas gepubliceerde Nederlandse versie heet, is een gewezen communistische leider die ergens op de Balkan terechtstaat. Menige Bulgaar herkende in hem Zjiwkow, inmiddels inzittende van een gevangenis. Het viel Barnes op dat het land, waar hij in 1990 voor het laatst was geweest, zich langzaam maar zeker overeind lijkt te werken uit de economische puree. De ongekende prijsstijgingen waarmee dit gepaard gaat, zijn echter voor velen, vooral gepensioneerden, rampzalig. Een gepensioneerde hoogleraar medicijnen moet rondkomen van 1000 leva - een gulden of 70 - per maand. In 1990 kostte de Bulgaarse versie van Barnes' roman 'Flaubert's Parot' nog geen 2 leva, minder dan 15 cent, het equivalent van twee kopjes koffie. Voor 'Het Stekelvarken' moeten de Bulgaren bijna 16 leva betalen. Hoeveel kopjes koffie is dat tegenwoordig?, vroeg Barnes zijn vertaalster. 'In het Sheraton-hotel nog niet een, in een cafe zeven of acht'. We ontwikkelden heel snel onze eigen officieuze rekeneenheid, schreef Barnes later. 'Hoeveel kostte die taxi, Dimitrowa?' 'Twee Stekelvarkens', antwoordde ze. Hoe de Bulgaren op 'Het Stekelvarken' reageerden, beschreef Barnes in een reisverslag voor 'The Times Saturday Review', hieronder. ten dele, in vertaling afgedrukt. Julian Barnes. Vertaling: Jaap de Berg. 'The Porcupine' is verschenen bij Jonathan Cape in Londen, 'Het stekelvarken' bij Atlas in Amsterdam.

Nu is het waar dat ik in grote lijnen gebruik had gemaakt van het proces tegen Todor Zjiwkow, hier en daar iets aan de regionale topografie had ontleend en naar Bulgaarse vrienden had geluisterd. Maar vervolgens was ik mijn eigen gang gegaan, ik had romanfiguren bedacht, een intrige ontwikkeld enzovoorts. Of Bulgaarse lezers er zo tegen aan zouden kijken, was een andere kwestie.

Ik verwachtte achtervolgd te woren door dat ergo en kon het hun niet kwalijk nemen wanneer zij het boek liever als een sleutelverhaal lazen dan als een roman. Zouden ze denken dat ik hun jongste geschiedenis met verbeeldingskracht had herschapen of dat ik haar alleen maar geplunderd en vervormd had? Misschien zou ik wel bij hen overkomen als de zoveelste westerse ondernemer, zij het ditmaal van het literaire soort, dat een smakelijk verhaal uit de streek meepikt.

Wat me ook een bang voorgevoel gaf, was dat de verschijning van mijn boek zo gelukkig getimed leek. Op de dag waarop Zjiwkow gevonnist werd, hield de presentator van het televisiejournaal 's avonds aan het eind van zijn samenvatting een exemplaar van mijn roman omhoog en zei: 'U zult spoedig kunnen lezen wat een Engelse schrijver te zeggen heeft over het proces tegen Zjiwkow'. Ik landde in Sofia met een te zware handkoffer vol literaire - en niet-literaire - angsten. Zo nu en dan zag ik zelfs in een akelig visioen een douanebeambte die met een demonische grijns opkeek van mijn paspoort. 'Zo, meneer Barnes, blij dat u hebt kunnen komen. De maandelijke reunie van voormalige lijfwachten van Todor Zjiwkow is aan de gang in de Vip-room. Ze zouden u graag persoonlijk in ons land verwelkomen.' 'Wacht even, jongens, het is maar een roman hoor, gewoon een aardigheidje ...'

In werkelijkheid werd ik opgewacht door een aardige interviewer van de radio en verwelkomd met een bos bloemen; maar ik verwachtte niet dat het me gemakkelijk zou worden gemaakt. De Bulgaren zijn van nature veerkrachtig, gastvrij en optimistisch (toen hun recente beproevingen het dieptepunt hadden bereikt, kwamen ze uit een opiniepeiling te voorschijn als het op acht na meest optimistische volk ter wereld); ze zijn ook op de man af, rad van tong en twistziek. Nog maar kort geleden liep de leider van de vrije vakbond Podkrepa rond met een vuurwapen onder zijn riem; als iemand hem tegensprak, zwaaide hij er dreigend mee. Ik was voorbereid op het literaire equivalent.

Bovendien zijn de Bulgaren weinig ingenomen met de manier waarop ze eerder in de westerse literatuur zijn bejegend. In 'Arms and the Man' van Shaw en 'Rates of Exchange' van Malcolm Bradbury kwamen ze er niet gunstig af; in John Updike's verhaal 'The Bulgarian Poetess' evenmin. De hoofdpersoon daarvan, de vroegere dissidente dichteres Blaga Dimitrowa, is nu zowaar vice-presidente van het land. Zou ik ontkomen aan de biblio-demonologie? Ik hoorde al iemand een dissertatie slijpen: 'Methodologen van de minachting in post-koloniale westerse fictie'.

Bij de officiele presentatie van mijn boek bij de Unie van Bulgaarse Schrijvers werden me vragen gesteld over 'Britse intellectuelen'. Ik antwoordde dat die uitdrukking in mijn land in het algemeen als een contradictio in terminis werd beschouwd. 'In een Brits gezelschap van deze omvang', legde ik uit, 'zou er misschien een hand worden opgestoken als je vroeg wie van de aanwezigen zich als intellectueel beschouwde. Maar in Frankrijk bijvoorbeeld zou misschien 75 procent reageren.' 'En in Bulgarije', zei een stem achter in de zaal, '150 procent.'

Het regende commentaar, varierend van 'u hebt de waarheid verteld' tot 'u hebt de geschiedenis vervalst'. Blaga Dimitrowa zei, met een glimlach die ik als vriendelijk maar stellig ironisch beoordeelde: 'We zijn eraan gewend geraakt dat buitenlanders ons land aan ons uitleggen.' Verscheidene keren kreeg ik te horen: 'Een Bulgaar kon dit boek niet hebben geschreven' - een zinswending waarin de klemtoon kon varieren. Er was een taalkundig probleem dat ik niet had voorzien: het ontwijkende jargon van het communistische discours bood een westerse schrijver weliswaar een exotisch, prikkelend idioom, maar de lezer in het oosten konden dezelfde woorden als afstompend gewoon ervaren en ze zich herinneren als de wapens van de recente onderdrukking. En er waren steeds weer problemen met de demarcatielijn tussen geschiedenis en fictie. Sommige critici klaagden er bijvoorbeeld over dat ik 'mijn' dictator intelligenter had gemaakt dan de hunne, alsof ik hem daarmee geadeld had; en hoewel ik kon aanvoeren dat mijn motieven literair waren en niet politiek, en dat mijn geografische afstand in zekere zin overeenkwam met hun toekomstige historische afstand, werd me scherp ingeprent hoe gecompliceerd het is om fictie te schrijven zo spoedig na de gebeurtenissen die er aanleiding toe hadden gegeven.

Bulgarije had per slot van rekening niet een van de zachtzinnigste communistische regimes; historisch geheugenverlies ontstaat hier niet zo gemakkelijk. Onder zijn eerste leider, Georgi Dimitrow, en vervolgens onder Zjiwkow was het land een model-satellietstaat van de SowjetUnie. Zjiwkow stelde zelfs aan Breznjew een volledige politieke integratie met de USSR voor. Het was de enige satelliet die er braaf zijn eigen gevangenkampen op nahield (drie in getal); het geschatte aantal politieke moorden onder de communisten is tegenwoordig 200 000. En dit is geen oude geschiedenis, geen mengeling van feit en fictie: nog maar twintig jaar geleden kon je naar een kamp worden gestuurd voor een korte, hevige shockbehandeling omdat je naar de Beatles had geluisterd.

Mijn ongerustheid - dat, hoe serieus ik ook schreef, het resultaat zou overkomen als amateuristisch gedoe van een buitenstaander - luwde deels toen ik, bij de presentatie van mijn boek, twee oudere heren ontmoette. Ik had hen op de eerste rij zien zitten: ze leken in de zeventig en waren onberispelijk gekleed in lichte zomerkostuums; de een volgde de gang van zaken heel precies, de ander verveelde zich blijkbaar. Na afloop kwamen ze arm in arm het podium op, gingen vlak voor me staan en spraken recht in mijn gezicht. Ze zeiden me dat ze beiden de kampen hadden overleefd en anderhalf jaar geleden lid waren geweest van de Grote Nationale Vergadering, die de grondwet had aangenomen. De een, die zo onoplettend had geleken, bleek blind te zijn; hij vertelde hoe hij in het kamp gedichten had geschreven en ze van buiten had geleerd om ze niet verloren te laten gaan. De ander zei dat ze beiden mijn roman hadden gelezen, de realiteit ervan konden beamen en me ervoor wilden bedanken. Alles wat je op zo'n moment kunt denken, is: 'Dit verdien ik niet.'

Ten slotte volgde een ontmoeting van een soort dat iedere schrijver half begeert en half vreest. In 'Het stekelvarken' stel ik de gesloten zekerheden van een communistische ideoloog tegenover de zwakheden en de open onzekerheden van zijn aanklager, Peter Solinsky, een kribbige, onheldhaftige man, gevoelig voor de verleiding om een loopje met de wet te nemen en zo een veroordeling te bewerkstelligen. De voormalige leider maakt hem uit voor 'een imbeciele knaap' en 'een zielige, onbenullige jurist', bespot zijn 'glimmende Italiaanse kostuum' en verzwakt zijn positie bij de rechtbank door te onthullen dat Solinsky eens vreemd was gegaan toen hij voor de partij een reis naar Italie maakte.

Solinsky was uiteraard een figuur die ik volledig had verzonnen; niettemin stond er waarschijnlijk paniek op mijn gezicht te lezen, toen ik bij de Unie van Bulgaarse Schrijvers werd voorgesteld aan een man die zei: 'Ik ben Peter Solinsky.' Het was openbare aanklager Zjekow, die nog maar kort tevoren over zijn bijna-naamgenoot, Zjiwkow, had gezegevierd. Tot mijn onmiddellijke opluchting stelde ik vast dat mijn aanklager (klein, met een olijfkleurige teint, mager, kalend) sterk verschilde van deze aanklager (groot, blozend, welgedaan, met een royale haardos); het luchtte me ook op dat hij glimlachte. 'Nee, ik zal u niet vervolgen', zei hij. Het kon me niet ontgaan dat hij een buitengewoon sjiek blauwzijden kostuum droeg, dat, inderdaad, zeer beslist, glom. Ik vermoedde hier Bulgaarse ironie achter, maar vroeg er maar liever niet naar.

Later slenterden we langs de stoffige boulevards van Sofia, pratend over het verschil tussen fictie en realiteit. Ik vroeg hem of hij ooit bang was geweest toen hij als aanklager van Zjiwkow optrad. 'Nee', antwoordde hij, 'ik had geen lijfwachten.' 'Ik bedoelde: bang voor hem, in de rechtszaal.' 'Nee, al moet ik toegeven dat mijn keel zich samenkneep toen het proces begon.' Hij vertelde dat het eerste woord van zijn openingsproces eenvoudigweg 'genoeg' was - waarmee hij wilde zeggen: genoeg van dit tijdperk, genoeg van Zjiwkow, genoeg van de omhaal van woorden. Er klonk gerechtelijke dramatiek in door, maar mijn aanklager had er waarschijnijk niet genoeg flair voor.

Overigens vind ik het jammer dat ik twee details die hij me vertelde, niet eerder wist. Het eerste was dat Zjiwkow, die zich zijn leven lang van alcohol en tabak had onthouden, tijdens het proces een zware roker werd; hij bietste sigaretten van zijn bewakers, en nu, begin tachtig, rookt hij aan een stuk door de beste merken.

De aanklager herinnerde zich ook een gesprek buiten de rechtszaal waarin Zjiwkow hem vroeg wat hij verdiende en zich verrast toonde over zijn lage salaris. 'U had naar mij toe moeten komen', zei de voormalige dictator minzaam. 'Ik heb nooit geweten dat openbare aanklagers zo slecht werden betaald. Ik zou u een hoger salaris hebben gegeven'. En dan, vermoedde hij blijkbaar, zou Zjiwkow deze onzinnige gerechtelijke vervolging bespaard zijn gebleven.

Op een zeker ogenblik tijdens onze wandeling deed zich een charmante literaire coincidentie voor. Na zijn overwinning ontdekt mijn aanklager tot zijn genoegen dat 'vrouwen nu naar hem glimlachten, zelfs vrouwen die hem niet kenden'. Terwijl we voorbij een cafe liepen, sprong een uitbundige blondine overeind en begon kushandjes in onze richting te werpen. Ze waren, helaas, niet bestemd voor de bezoekende Britse romanschrijver. Nadat openbare aanklager Zjekow en ik ieder ons weegs waren gegaan, vroeg mijn uitgever hem of er iets in mijn roman was dat hem aanstoot had gegeven. 'Nee', antwoordde hij. 'Eigenlijk benijd ik de openbare aanklager van meneer Barnes wel om zijn affaire met die Italiaanse vrouw.'

Op weg naar de luchthaven hoorde ik dat 'Het stekelvarken' nummer drie stond op de Bulgaarse bestsellerlijst. Ik hoorde ook dat Zjiwkow een exemplaar besteld had om in zijn cel te lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden