75 jaar bevrijdingZweeds pragmatisme

Zo neutraal was Zweden niet tijdens de oorlog

IJzererts uit de mijnen in noordelijk Zweden.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Op de Zweedse neutraliteit tijdens de Tweede Wereldoorlog is veel af te dingen, neem alleen al de ijzerertstransporten naar het Derde Rijk. Dat besef begint in Zweden ook door te dringen, maar het land houdt vast aan zijn vredelievendheid zelfbeeld.

Het jaar is 1938 en de vooruitzichten zijn omineus. In februari heeft de Duitse führer Adolf ­Hitler het ministerie van oorlog ontbonden en het Oberkommando der Wehrmacht opgericht, wat de dictator uitrust met de directe zeggenschap over het leger. In de maanden die volgen, laat de führer zijn machtspositie, grootheidswaanzin en territo­riumdrang gelden: met de Anschluss van Oostenrijk, de bezetting van Sudetenland en de Kristallnacht — een voorbode van de Holocaust. Europa kijkt gelaten toe.

Tegen bovenstaand decor maakt de Zweedse premier Per Albin Hansson zich op voor wat dan al onvermijdelijk lijkt. Een tweede Grote Oorlog stevent af op Europa.

In de eerste vijftig jaar na de wapenstilstand was het gangbare narratief in Zweden dat van het ‘realisme van de kleine staat’: Zweden had gewetensvol gehandeld binnen de kaders van haalbaarheid, die verankerd lagen in de geopolitieke situatie, ligging en historische betrekkingen.

En net als elders in Europa werd in Zweden de heldhaftigheid van enkele individuen uitvergroot, alsof zij symbool stonden voor de deugdelijkheid van het hele Zweedse volk: waar andere landen hun verzetshelden vereerden, bewierookte Zweden ‘zijn’ Raoul Wallenberg, die de levens van tienduizenden Joden in Hongarije had gered, of Folke Bernadotte, die in het laatste jaar van de oorlog het Rode Kruis mobiliseerde, dat twintigduizend concentratiekampgevangenen bevrijdde.

Die nationale zelfgenoegzaamheid nam met het einde van de Koude Oorlog af. De Duitse historicus Nicolas Berg bedacht er de term Erinnerungskämpfe voor: de herinneringsstrijd. Was er vanuit een ander oogpunt een tegengesteld verhaal over datzelfde verleden te vertellen? Welk aandeel had Zweden in de Holocaust gehad, bijvoorbeeld met de ijzerertshandel en de initiële onwil om Joodse vluchtelingen te ontvangen?

Per Albin Hansson was premier van Zweden van 1932 tot 1946.Beeld Wikimedia Commons

Hongersnood in de Eerste Wereldoorlog

Tijdens die Eerste Wereldoorlog in de jaren tien van de twintigste eeuw konden Zweden en de Scandinavische buurlanden zich afzijdig houden. Maar Scandinavië betaalde evengoed een prijs. Niet aan de linie of in de loopgraven, maar binnen de geborgenheid van de huizen van het volk. De toenmalige premier van Zweden, Hjalmar Hammarskjöld, vader van de latere VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjöld, voerde een politiek van een puriteinse neutraliteit, die de betrekkingen met oorlogvoerend Europa dwarsboomde. De handel stokte, met nijpende voedseltekorten tot gevolg. Zweden, neutraal als het was, maakte zijn eigen oorlogswinter door.

Die halsstarrigheid van premier Hammerskjöld dwong hem in 1917 tot aftreden. Hungerskjöld, zou de ex-premier­­ worden genoemd.

Nee, zover zou premier Per Albin Hansson het niet laten komen, stelde hij zijn onderdanen in 1938 gerust. “De Zweedse partij is niet bereid tot absolute neutraliteit. In plaats daarvan zeggen we dat we onszelf buiten de oorlog zullen houden. Maar kunnen we dat ook waarmaken? Als zich een situatie aandient waarin dat niet lukt, moeten we er zeker van zijn dat we aan de juiste zijde eindigen. We moeten verder kijken dan neutraliteit alleen.”

Dat de Zweedse neutraliteit niet absoluut was, bleek al snel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Met de Russische inval van Finland, het buurland dat een lange geschiedenis deelde met Zweden, werd het officiële overheidsbeleid gewijzigd van neutraal naar non-belligerent, niet-oorlogvoerend, opdat Zweden toch op z’n minst voedsel, medische voorraden en kleding naar de bevriende natie kon verschepen.

De Zweedse bijstand zou niet beperkt blijven tot humanitaire burenhulp. Integendeel: de daaropvolgende neutraliteitsbreuk zou de traditionele loyaliteiten schaden. Met Hitlers invasie van Noorwegen in april 1940 stond de oorlog ineens aan een tweede Zweedse grens. Om nazi-Duitsland ­tevreden te stellen, besloot Zweden concessies te doen: de regering stelde het spoornetwerk open voor Duitse ­‘civiele’ transporten van en naar Noorwegen, zoals die van gewonde troepen en ongewapende mariniers.

De Zweedse overheid vreesde vergelding van de geallieerden

Voor Duitsland was de boodschap: de Zweden zijn ons goedgezind. Dus vroegen ze nog een gunst, dit keer voor het vervoer van honderd wagons aan legeruitrustingen. “Als je ruzie met ons wil, kan je die krijgen”, dreigde rijksmaarschalk Hermann Göring. Na langdurig beraad besloot de Zweedse regering te weigeren, ondanks vóórstemmen uit het koningshuis en het ministerie van buitenlandse zaken. Principes hadden er weinig mee van doen; de overheid vreesde, bij nog een concessie aan de Asmogendheid, vergelding van de ge­allieerden.

“Dus nu hebben we onze kostbare en strikte neutraliteit gebroken”, schreef premier Hansson in zijn dagboek, “in de wetenschap dat het in de huidige situatie onredelijk is het risico van oorlog te nemen”.

“De echte betekenis van de concessie was politiek”, meent Scandinavië-onderzoeker aan de universiteit van Edinburgh John Gilmour in zijn boek ‘Sweden, the Swastika and Stalin’. De tegemoetkoming aan het Derde Rijk demonstreerde dat een democratisch land als Zweden zich door een dictator kon laten dwingen zijn neutraliteit op te geven ten gunste van de eigen onafhankelijkheid.

Dat Zweden geen positie durfde in te nemen tegen de Duitse agressor tekende zich nog eens af in 1941 toen het land weigerde de Noorse regering in ballingschap te erkennen als enige legitieme overheid. De duizenden Noorse vluchtelingen beschouwde de Zweedse regering vooral als ‘veiligheidsrisico’ en premier Hansson liet na nazi-Duitsland te berispen voor het gewelddadige machtsvertoon in het buurland dat, net als Finland, gewoonlijk als informele bondgenoot gold.

De Zweedse meningen over nazi-Duitsland waren sterk verdeeld. Het koningshuis en de adel hadden van oudsher nauwe banden met de Duitse elite en waren doorgaans geneigd zich welwillend op te stellen tegenover Hitler en de zijnen. Lijnrecht daartegenover stond de publieke opinie, bij monde van de populaire media.

Die uitten zich uitgesproken afkeurend, niet alleen over de Duitsers maar ook over de eigen regering die volgens de opiniemakers veel te veel door de vingers zag. Kritische publicaties werden beantwoord met censuur. Het ‘voorzichtigheid voor alles’-beleid noopte de Zweedse overheid ertoe zeventien krantentitels te confisqueren, die met ontzetting over de marteling van Noorse verzetsstrijders hadden ­bericht. De regering vreesde dat deze anti-Duitse geluiden zouden resulteren in repressailles.

Voortdurende ijzerertstransporten naar nazi-Duitsland

Maar het meest controversiële onderdeel van het Zweedse oorlogsverleden betreft de voortdurende ijzerertsexport naar het Derde Rijk. Nazi-Duitsland gebruikte de miljoenen tonnen Zweedse ijzererts en kogellagers voor de wapenproductie. De Britse Conservatieve politicus Sir Ralph Glyn, parlementslid in de oorlogsjaren, zou later verkondigen dat opschorting van de ijzerertshandel ‘tot een onmiddellijk staakt-het-vuren’ zou hebben geleid.

Een mijnwerker bedient een boormachine in een ijzerertsmijn bij de stad Kiruna in het noorden van Zweden (1940). Gedurende de oorlog leverde de Zweden grote hoeveelheden ijzererts aan de Duitsers en aan de Britten.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

De Zweedse transporten waren goed voor zo’n 60 procent van de Duitse en 30 procent van de Britse ijzerertsvoorraden tijdens de Tweede Wereldoorlog, vertelt universitair docent en onderzoeker Eric Golson, gespecialiseerd in economische oorlogvoering. Droeg Zweden daarmee bij aan de continuering van de oorlog? “Hoogstwaarschijnlijk wel”, meent Golson. “De productie van vliegtuigen en tanks was zonder die Zweedse aanvoer beduidend lastiger ­geweest.”

De ijzerertsexport, zegt Golson, was onderdeel van een serie compromissen. “Zonder die handel was Zweden, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, verstoken geweest van voedsel en elektriciteit. Het verlengde de oorlog, maar maakte dat de Zweden overleefden.”

Niet alleen zou een handelsstop een schaarste aan levensmiddelen hebben teweeggebracht en zou het licht in Zweden zijn uitgegaan, maar de kans was ook reëel geweest dat ‘iemand zou zijn binnengevallen’.

Golson: “Tijdens de eerste jaren van de oorlog had een handelsstop tot serieuze problemen geleid, maar op het moment dat nazi-Duitsland verzwakte, namen ook de ijzerertstransporten af.” De Zweedse regering achtte het risico tegen die tijd klein dat Hitler middelen en mankracht over had om Zweden te bezetten, en liet zich in haar diplomatieke besluitvorming steeds meer sturen door de geallieerden.

De handel met Groot-Brittannië nam toe, Zweden hielp de geallieerde grootmachten met de inwinning van inlichtingen, stelde zijn luchtbases ter beschikking aan Amerikaanse gevechtstoestellen, en opende in de laatste jaren van de oorlog zijn grenzen voor duizenden Joodse vluchtelingen, van wie er zesduizend uit Denemarken kwamen.

“De regering voerde een aanpassingspolitiek”, verklaart hoofddocent geschiedenis aan de Lund Universiteit Johan Östling. Zweden werd niet geleid door ideologie, maar door pragmatisme en blies linksom of rechtsom — afhankelijk van wat op dat moment de voordeligste alliantie leek. “Ze beleed de ­realpolitik van een kleine staat”, zegt Östling, wat zoveel inhield dat Zweden zich conformeerde aan de sterkste ­partij, met zelfbehoud (en niet neu­traliteit) in het vooruitzicht.

Was het realpolitik of was het kleinmoedigheid?

Was het inderdaad realpolitik? Of was het voornamelijk kleinmoedigheid? “Dat valt werkelijk te bediscussiëren”, antwoordt Östling. “Zweden wilde een bezetting tegen elke prijs voorkomen. Niet alleen Zweden, maar ook de Scandinavische buurlanden hadden daar meer aan: als Zweden zijn onafhankelijkheid zou hebben verloren, hadden die Deense vluchtelingen geen schijn van kans gehad.”

Tegelijkertijd, zegt Östling, kunnen er een paar kritische kanttekeningen worden geplaatst. Onder andere bij de Zweedse vluchtelingenpolitiek: die was, zeker in de beginjaren van de oorlog, en in het bijzonder voor Joden die het Europese continent ontvluchtten, uitermate restrictief. En die repressieve censuur had volgens de historicus ook best wat minder gekund.

Maar een oordeel is achteraf altijd makkelijk geveld. Östling: “We moeten ons proberen in te leven in de precaire situatie waarin Zweden zich bevond. Had de regering moediger op kunnen treden? Hoever had Zweden kunnen gaan zonder de Duitsers zodanig te provoceren dat ze ook ons de oorlog hadden verklaard?”

De erts wordt in Zweden in vrachtwagons gestort.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

De introspectie van jonge Zweedse historici begon in de jaren negentig de thematiek van hun voorgangers te overstemmen. Hun benaderings weerspiegelde een ontwikkeling in continentaal Europa, waar landen als Nederland en Frankrijk hun patriottisch narratief ­onder de loep hadden gelegd. Nieuwe generaties geschiedschrijvers wezen de eerdere zelfrechtvaardiging van de hand: hoe wijdverbreid was de verzetsbeweging nou werkelijk geweest, en had de overheid niet al te meegaand ­gehandeld? Het erfgoed van de oorlog was, een halve eeuw na dato, niet meer zo eenduidig als die leek.

Leitmotiv van het Zweedse contra-narratief was dat de regering, in haar nietsontziende pragmatisme, zich immoreel en onverantwoord had gedragen. Het concessiebeleid zou de oorlog, en daarmee de Shoah, onnodig lang hebben verlengd.

De wijze waarop we herinneren zegt zeker zoveel over het heden als over het verleden

Het was geen toeval, vertelt Östling, dat juist in die tijd verschillende landen zich begonnen te buigen over hun eigen gebrekkige verleden. Na de val van de Muur ontstond een toenemende behoefte aan Europese saamhorigheid. Landen als Zweden, die in dat decennium toetraden tot de EU, begonnen te tornen aan het nationale geheugen ten faveure van een gemeenschappelijke, Europese verhaal. In de woorden van geschiedkundige Klas-Göran Karlsson moest Zweden, hoewel verlaat, “in het reine komen met de verenigende ervaring van oorlog en diens symboliek”.

Het onderstreept nog maar eens dat de wijze waarop we herinneren minstens zoveel zegt over het heden als over dat wat is geschied. Toch heeft de ene benadering van het verleden de andere niet vervangen. De verschillende perspectieven op de oorlog bestaan, vertelt Östling, tegenwoordig naast elkaar. Zo echoot ook

het Zweedse neutraliteitsverhaal na — binnen de landsgrenzen, maar ook daarbuiten. De internationale gemeenschap lijkt de vermeende neutraliteit van Zweden bovendien weleens met pacifisme te verwarren, ook al steunt pacifisme op ideologie en principes en de Zweedse neutraliteit op lijfsbehoud.

Ook de Zweden houden uit alle macht vast aan het vredelievende zelfbeeld. Van tijd tot tijd probeert een politicus de deur naar een Navo-lidmaatschap op een kier te zetten, om die vervolgens hard dicht geslagen te krijgen bij de stembus. Ook al voert Zweden ­samen met Navo-leden grootscheepse militaire oefeningen uit en heeft het land uit angst voor de hete adem van Rusland de dienstplicht heringevoerd. Een Navo-lidmaatschap blijkt een symbolische brug te ver voor Zweden, dat haar morele superioriteit deels aan de neutraliteitssage te danken heeft.

Lees ook: 

Wat heb je nou aan interviews over een oorlog die 75 jaar geleden is geëindigd?

Behalve journalisten interviewen ook geschiedwetenschappers geregeld mensen over wat ze vroeger hebben beleefd. Volgens ‘oral historians’ levert dat waardevolle informatie op, ook al is ons geheugen soms onbetrouwbaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden