Op 10 juli 1992 herdenkt het Comité van Russische soldatenmoeders  de tijdens hun militaire dienst omgekomen kinderen bij het graf van de onbekende soldaat in Moskou. 
 Beeld Photopotam / Alamy
Op 10 juli 1992 herdenkt het Comité van Russische soldatenmoeders de tijdens hun militaire dienst omgekomen kinderen bij het graf van de onbekende soldaat in Moskou.Beeld Photopotam / Alamy

InterviewHistoricus Ivan Arreguín-Toft

Waarom de zwakste partij toch vaak de oorlog wint

Gefascineerd kijkt de wereld toe hoe Rusland zich vertilt aan zijn inval in Oekraïne. Maar dat in een oorlog de zwakste partij wint, is geen uitzondering, zegt historicus Ivan Arreguín-Toft.

Bas den Hond

De Muriden-oorlog is zo goed als vergeten. Maar wie wil begrijpen hoe het relatief kleine Oekraïne zich staande kan houden tegen de grote buur Rusland, zegt de Amerikaanse historicus Ivan Arreguín-Toft, moet toch eens kijken naar de moeite die Rusland zo’n twee eeuwen geleden had om twee gebieden in het Kaukasus-gebergte te veroveren: Tsjetsjenië en Dagestan.

Het lukte uiteindelijk. Maar de strijd tegen de daar wonende bergvolkeren, verenigd door een religieuze leider, kostte twee achtereenvolgende tsaren dertig jaar en ruim een half miljoen gesneuvelde militairen.

Russische legermachten die kwamen aanmarcheren, liepen zich stuk op een vijand die zich specialiseerde in hinderlagen vanuit de dichtbegroeide heuvels en bergen. Rusland won uiteindelijk door Tsjetsjenië platweg te ontbossen. En dan nog hadden de Russische tsaren hun zin niet gekregen zonder een, in vergelijking met Muridenleider imam Shamil, onuitputtelijke bron van verse soldaten.

Onderspit tegen veel zwakkere tegenstanders

In die geschiedenis weerspiegelt zich de paradoxale krachtsverhouding tussen de strijdende partijen in elke oorlog, zo luidt de stelling van Arreguín-Toft. Hij zette die in 2005 uiteen in zijn boek How the Weak Win Wars.

Het komt regelmatig voor dat een David een Goliath verslaat. In de vorige eeuw dolven zelfs beide supermachten de VS en de Sovjet-Unie het onderspit tegen veel zwakkere tegenstanders Vietnam en Afghanistan. Als je alle oorlogen van de laatste eeuw overziet, blijkt dat de partij met de kleinste economie, bevolking en krijgsmacht het in een gestaag groeiend aantal gevallen wint. Tussen 1950 en 1999 in iets meer dan de helft van de conflicten.

De verklaring ligt volgens Arreguín-Toft in de strategie waar beide partijen voor kiezen. Hij hanteert daarvoor een simpel schema: elke partij kan kiezen voor een directe of een indirecte aanpak. Dat geeft vier combinaties.

Kiezen voor een indirecte strijdmethode

Direct, dat is bijvoorbeeld binnenvallen en optrekken naar de hoofdstad van de vijand. Het aangevallen land kan zelf ook voor de directe aanpak gaan en zijn strijdmacht uitsturen om de aanvallers tegen te houden. Als beide partijen dezelfde strategie kiezen zo leert de geschiedenis, wint meestal de sterkste.

De verdedigers kunnen ook kiezen voor een ‘indirecte strategie’. Bijvoorbeeld een guerrilla, om het vijandelijke leger geleidelijk te verzwakken en – nog belangrijker – het moreel aan te tasten. Als de strategieën niet gelijk zijn, kan de zwakste heel goed winnen.

Aanvallers kunnen ook kiezen voor een indirecte strijdmethode. Al moet je daarbij ‘strijd’ tussen aanhalingstekens zetten. De meest voorkomende variant is het treffen van burgerdoelen, om de hulpbronnen en – ook hier weer cruciaal - het moreel van de bevolking en de politieke leiding te ondermijnen.

Mag je de nazi’s koffie serveren?

Hoe past de strijd in Oekraïne in dat schema? Een guerrillastrijd is het niet waar de Russen op stuitten, zegt Arreguín-Toft, terwijl hij koffie drinkt op een terras bij de Harvard Universiteit in Cambridge in de staat Massachusetts, waar hij onderzoek doet op het gebied van internationale veiligheid. Maar de Russen werden teruggedrongen door wat de Oekraïners zelf een ‘strategie van duizend bijensteken’ noemden, op plekken zoals hun bevoorrading en communicatie.

“De Oekraïense generaals stonden voor de keus: proberen we steden als Charkov, Cherson en Marioepol koste wat het kost te verdedigen, zoals we dat in de Tweede Wereldoorlog zouden hebben gedaan? Of wijken we terug, waarbij we de prijs die de Russen daarvoor betalen zo hoog mogelijk maken?

“Basil Liddell Hart, tussen de twee wereldoorlogen de grote Britse autoriteit op het gebied van strategie, was daar een voorstander van. Maar in die dagen vonden de meeste generaals en het publiek dat helemaal niks. Welke politicus kan het idee verkopen: we gaan uiteindelijk winnen, maar in de tussentijd mag je de nazi’s koffie serveren?”

Het is snel met de vijand gebeurd

De Oekraïners waren daar niet gevoelig voor: “Waar zij voor gingen, en ook hebben bereikt, is vertragen en nog eens vertragen – en dat past helemaal in mijn theorie over wat je moet doen als je de zwakkere partij bent”.

Want in de interactie tussen verschillende strategieën is tijd een van de belangrijkste factoren in het voordeel van de zwakke partij. Een groot land trekt altijd ten oorlog met de belofte dat het snel met de vijand gebeurd zal zijn, tegen lage kosten. Wat als die niet wordt ingelost?

Arreguín-Toft: “Het eerste bedrijf in deze hele tragedie was een mislukte poging om president Zelenski en zijn familie in Kiev te ontvoeren. Die werd gevolgd door een invasie op meer fronten om snel Kiev te bereiken en dan alsnog de regering gevangen te nemen. Maar door een slimme strategie van terugtrekken, en het goed doordacht inzetten van manschappen en wapens wist Oekraïne dat uit te stellen. Poetins generaals vertelden hem: dit duurt zes dagen, drie weken op zijn hoogst. Zulke gewekte verwachtingen zijn dodelijk.”

Door Afrikaners gestichte republieken

Geheel volgens het schema in How the Weak Win Wars probeerde Rusland een doorbraak te forceren met een indirecte strategie, een waarvoor Arreguín-Toft in zijn boek een niets aan de verbeelding overlatende term muntte: barbarij. De Russische aanvallen op energiecentrales en het wegvoeren van Oekraïeners naar Russisch gebied passen in een patroon dat je in veel oorlogen ziet opduiken, vooral als die naar de zin van de aanvallers te lang duren.

Het perfecte voorbeeld, zegt Arreguín-Toft, is de Tweede Boerenoorlog, die de Britten van 1899 tot 1902 in Zuid-Afrika vochten om twee door Afrikaners gestichte republieken binnen hun koloniale imperium te brengen. Dat kostte veel meer moeite en verliezen – ruim 22.000 – dan van tevoren was verwacht.

In eerste instantie leek het de Britten voor de wind te gaan, in een krachtmeting waarin beide partijen de directe strategie toepasten. De Boeren zagen al snel hun hoofdsteden Pretoria en Bloemfontein bezet. Ze gaven zich echter niet over.

Eigendommen kwetsbaar voor de vijand

“De Boeren belegden een conferentie om te bespreken of ze de oorlog als guerrilla zouden voortzetten. Als je dat doet, maak je je vrouwen, kinderen en eigendommen kwetsbaar voor de vijand. Daar ging het debat over: waren de Britten op dat gebied te vertrouwen? En het antwoord was: natuurlijk zijn ze dat, het zijn Britten. Ze zullen echt niet gaan verkrachten, vermoorden, plunderen en brandschatten. Maar het trieste is dat generaal Herbert Kitchener precies dat uiteindelijk ging doen. Hij sloot alle niet-strijders op in concentratiekampen, verbrandde de boerderijen, slachtte het vee.”

Die overstap van de Britten naar barbarij – die hen de overwinning opleverde – laat zien hoe landen het schema van Arreguín-Toft doorlopen en daarbij de kansen laten keren. “Als je naar een onbewoond eiland moet en je wilt in die tijd één oorlog bestuderen, doe de Boerenoorlog. Die heeft alles: koppigheid op het gebied van tactiek en strategie, afhankelijkheid van communicatiemiddelen, en niet te vergeten de publieke opinie: het was de eerste oorlog die Groot-Brittannië vocht terwijl het grootste deel van de bevolking het lezen machtig was.”

Sterfte in de concentratiekampen

Dat laatste leidde bijna tot het verliezen van de oorlog door de Britten. Via brieven aan het thuisfront, en vervolgens de kranten, wist iedereen welke slagen de Boeren de Britten toebrachten, en hoeveel ziekte en sterfte er was in de concentratiekampen. De regering moest in het parlement alle zeilen bijzetten om de strijd te mogen volhouden.

Ook dat draagt ertoe bij, zegt Arreguín-Toft, dat het verstrijken van de tijd zo sterk in het voordeel is van de zwakkere partij. In een korte oorlog lijken voor de aanvaller de gebrachte offers beperkt te zullen blijven. En eventueel door die partij gepleegde gruweldaden zijn niet breed bekend. Weten de verdedigers de strijd te rekken, dan wordt dat anders.

Hou je met het oog daarop in ieder geval aan het oorlogsrecht, zou je denken. Maar, zegt Arreguín-Toft, “als je wilt winnen zonder een massamoordenaar te worden, moet je geduldig zijn. En dat vergt een enorme politieke inspanning.”

Macht van een grootmoeder

Die inspanning kan zelfs dictaturen teveel worden, zo ervoeren de leiders van de Sovjet-Unie tijdens de oorlog tegen de Mujahedeen in Afghanistan, die begon met een inval in 1979 onder partijleider Leonid Breznjev, en eindigde met terugtrekking onder hervormer Michail Gorbatsjov. “Wat Gorbatsjov echt de das omdeed, was het Comité van Russische soldatenmoeders”, oordeelt Arreguín-Toft.

“Die hoorden van de regering dat het allemaal prima ging in Afghanistan en dat hun jongens daar heldendaden verrichten, maar wat ze zelf wisten is dat Sergej niet meer schreef. En zoals in veel samenlevingen, en in het bijzonder de meer paternalistische, is de macht van een grootmoeder of moeder iets waar een militair niet tegenop kan. Je kan niet met een bajonet wijzen naar een baboesjka en zeggen dat ze haar mond moet houden, ze zal een waarschuwende vinger opheffen en zeggen: Jij melkmuil, ik ben hier om uit te vinden waar mijn zoon is!

“En nu zijn er opnieuw Russische moeders die zich afvragen: waar is Sergej? En weer zijn die zich aan het mobiliseren, informele netwerken aan het creëren om uit te zoeken wat er aan de hand is. Als de grootmoeders op straat verschijnen, is dat een veeg teken voor elke Russische president.”

Veel beter uitgerust invasieleger

Een andere keerzijde van dictaturen is, zo ziet Arreguín-Toft in de oorlogen die hij analyseerde, dat hun strijdmacht door de bank genomen van lagere kwaliteit is. In zijn boek is het Italiaanse leger dat tussen 1935 en 1940 Ethiopië veroverde daar een voorbeeld van. De Ethiopiërs onder keizer Haile Selassie maakten volgens zijn schema in een directe confrontatie geen kans tegen het veel beter uitgeruste invasieleger dat Benito Mussolini naar Afrika had gestuurd. Maar de eerste slag wonnen ze.

“Poetin maakt nu datzelfde mee. Russische officieren worden bevorderd vanwege hun loyaliteit, niet hun kwaliteit, en dus worden de manschappen slecht geleid. Ook als militairen ondermaats getraind zijn, kunnen ze onder een echt goede onderofficier toch heel effectief zijn. En dan is er bovendien minder kans dat ze moorden, verkrachten en plunderen.”

Dat Oekraïne – met veel materiële hulp van Navo-landen – een als machtiger beschouwde tegenstander het hoofd weet te bieden zal zijn weerslag hebben op omringende landen, zegt Arreguín-Toft. Want hij verklaart het stijgende aantal gevallen waarin die paradox werkelijkheid wordt uit regionale leerprocessen.

Boeren op blote voeten

“In 1949 behaalden Mao en het Rode Leger in China de overwinning. Aan de ene kant had je een enorme hoeveelheid materieel, aan de andere kant vochten boeren op blote voeten, met niet eens allemaal een geweer. Maar die hadden wel een ideaal. In andere Aziatische landen waar de bevolking op moest boksen tegen een vijand die artillerie had, luchtsteun, napalm, automatische wapens, zeiden ze: kan Mao niet hier komen en ons lesgeven?”

De koloniale machthebbers waar ze tegen vochten, zoals de Britten in Maleisië, de Fransen in Vietnam en de Nederlanders in Indonesië, kregen daar allemaal mee te maken. Omgekeerd hadden die hun eigen geschiedenis die de juiste strategie leek aan te wijzen: was niet met conventionele, directe aanvallen de Tweede Wereldoorlog gewonnen? Maar de een na de ander concludeerden dat de enige remedie was wat Arreguín-Toft barbarij noemt.

“De handschoenen gaan uit. Je probeert de tegenstander letterlijk een lesje te leren. En als die het niet lijkt te begrijpen, moet je harder praten. De verleiding wordt dan groot om het oorlogsrecht te schenden. En dan ben je dus olie op het vuur aan het gooien. Er komt steeds meer ‘collateral damage’, bijkomende schade. Dat vind ik een vreselijke uitdrukking trouwens. Als je het gebroken lichaam van je negen jaar oude dochter in je armen houdt, kan het je echt niet schelen of dat met opzet of per ongeluk gebeurde.”

Berucht om hun ongeduld

In zo’n krachtmeting met een indirecte strategie van twee kanten zal volgens zijn schema de sterkste partij het winnen. Maar dan nog kan het lang duren. Te lang voor veel landen. “Amerikanen zijn bijvoorbeeld berucht om hun ongeduld. Ik kan geen door Amerikanen uitgevochten oorlog bedenken waar de publieke opinie langer dan drie jaar achter stond. Inclusief de Tweede Wereldoorlog. In 1945 waren ze het helemaal zat.”

Daar heeft, dat laat het voorbeeld van Oekraïne ook weer zien, een zwakkere aangevallen partij veel minder last van. Die heeft immers een sterkere motivatie. Arreguín-Toft: “Aesopus vertelde het al in een fabel: het konijn ontsnapt aan de vos want het rent voor zijn leven, en de vos alleen maar voor zijn avondeten.”

Lees ook:
Ook vóór Oekraïne legde het Russische leger het al af tegen kleinere tegenstanders

In het dramatische optreden van het Russische leger in Oekraïne klinkt een echo uit het verleden. Ook eerder legde Rusland het op het slagveld af tegen mindere vijanden. De oorzaak: militair wanbeleid.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden