InterviewsBurgeroorlog

Overlevers van de burgeroorlog in Sierra Leone: ‘Vanbinnen ben ik niet kapotgemaakt’

Raja Jandhyala (l) van de verzoeningscommissie spreekt de bevolking van Kailahun toe.  Beeld ANP / AFP
Raja Jandhyala (l) van de verzoeningscommissie spreekt de bevolking van Kailahun toe.Beeld ANP / AFP

Het is morgen twintig jaar geleden dat er een einde kwam aan de burgeroorlog in Sierra Leone. De rechterhand van Tamba Finnoh werd geamputeerd door rebellen van het RUF. Alhaji Babah Sawane vocht als kindsoldaat aan de kant van diezelfde rebellen.

Marnel Breure

Tamba Finnoh: ‘Mijn rol in het leven was nog niet uitgespeeld’

Als je geen stevige persoonlijkheid hebt, overleef je dit niet, zegt Tamba Finnoh. “Maar ik heb een sterk karakter. Als de rebellen mijn andere hand ook hadden afgehakt, dan zou ik nog altijd een mond hebben gehad om mee te praten en de kost te verdienen.”

Tamba Finnoh. Beeld Marnel Breure
Tamba Finnoh.Beeld Marnel Breure

In 1999 werd de rechterhand van Tamba Finnoh (63) geamputeerd door rebellen van het Revolutionary United Front (RUF). De rebellen waren in januari van dat jaar Freetown binnengevallen. Toen ze na een wekenlange strijd weer uit de hoofdstad verdreven waren, verspreidde het geweld zich in volle hevigheid over de rest van Sierra Leone.

Finnoh, in die tijd leraar in het oostelijke district Kono, had zijn heil gezocht in een provincieplaats waar strijdkrachten van het leger gestationeerd waren. Omdat er door de toestroom van vluchtelingen nauwelijks voedsel was, trok hij met een groep burgers de bush in om in omringende dorpen eten te zoeken. “We zijn toen in een hinderlaag van het RUF gelopen en werden allemaal gevangen genomen.”

Eenmaal in het kamp van de rebellen moesten de gevangenen zich opstellen in een rij om geamputeerd te worden. “Ik was als derde aan de beurt”, vertelt Finnoh. Hij ziet het angstwekkende tafereel nog voor zich: “Sommige mensen probeerden te ontsnappen en renden weg. Die werden ter plekke neergeschoten. Het drong tot me door dat ik voor een dwingende keuze stond: amputatie van een of meer ledematen of doodgaan door geweervuur. Ik had het gevoel dat doodgaan een vorm van capitulatie zou zijn. Mijn rol in het leven was nog niet uitgespeeld.”

Na de amputatie van zijn rechterhand - de linker bleef op het nippertje gespaard - probeerde Tamba Finnoh zich hevig bloedend in veiligheid te brengen totdat hij er letterlijk bij neerviel. “Ik was alleen in de bush, er was niemand om me bij te staan. Ik ben toen gaan bidden en heb God gesmeekt om niet toe te staan dat ik zou sterven.” Daarna gebeurde er iets dat hij als niet meer of minder dan een wonder heeft ervaren: “Ik werd opgetild door een enorme kracht die me verder dreef. Later ben ik opnieuw in elkaar gezakt en wéér kwam die kracht over me.”

Het heeft nog bijna een hele dag geduurd voordat Finnoh gevonden werd door twee jongetjes uit een nabijgelegen dorp die de volwassenen waarschuwden. Pas na drie dagen kreeg hij medische hulp: “Als burgerslachtoffer mocht ik het militaire hospitaal niet in. Uiteindelijk ben ik door Zuid-Afrikaanse strijdkrachten per helikopter naar Freetown gebracht en kon ik worden opgenomen in het ziekenhuis.”

Tegenwoordig woont Tamba Finnoh met zijn vrouw Umu en hun kinderen in de periferie van Freetown, in een van de settlements voor geamputeerden en andere oorlogsslachtoffers, die na de oorlog in het hele land zijn opgezet. Finnoh deed na het tekenen van de vrede zijn verhaal aan de Waarheids- en Verzoeningscommissie, legde een getuigenis af voor het Sierra Leone-tribunaal in Freetown en deed dat opnieuw in Den Haag, toen Charles Taylor daar wegens een lange lijst van oorlogsmisdaden werd berecht.

Tamba Finnoh: “Men was bang dat ik de confrontatie met Taylor en andere daders niet aan zou kunnen, maar ik kan dingen goed scheiden. Ik weet precies waar mijn persoon ophoudt en die van de ander begint. En ik ben me bewust van mijn waarde. In Sierra Leone worden mensen met een handicap gestigmatiseerd. Maar ik heb me nooit minder gevoeld.” Finnoh onderstreept zijn woorden door te zwaaien met de hand die hij niet heeft: “Die amputatie verhindert me niet om te doen wat ik te doen heb.”

In het ziekenhuis in Freetown bekeerde Tamba Finnoh zich tot het pinkstergeloof. De godservaring na zijn amputatie zou leidend worden voor deel twee van zijn bestaan: “Begrippen als redding en verlossing hebben veel meer betekenis en diepgang gekregen.”

Inmiddels staat Finnoh als pastor aan het hoofd van een kleine pinkstergemeente die vooral bezocht wordt door mensen aan de arme kant van het maatschappelijk spectrum. Het kerkkoortje wordt geleid door een kleine, scheefgegroeide vrouw die zich op twee ouderwetse houten krukken voortbeweegt.

Finnoh vertelt dat de koorleidster aanvankelijk naar de kerkdiensten kwam zonder een mond te durven opendoen: “Ze dacht dat ze nergens goed voor was. En moet je nu eens zien!” Bespiegelend: “Er is geen blauwdruk voor mens-zijn, iedereen is gemaakt met een eigen doel. Iedereen heeft een gave, maar je moet er achter zien te komen welke dat is. Ik help mensen om te ontdekken wie ze zijn en wat ze kunnen bijdragen. Zelfkennis en gevoel van eigenwaarde, dat is onze grootste kracht.”

null Beeld Bart Friso
Beeld Bart Friso

Alhaji Babah Sawane: ‘Ik was kindsoldaat, maar sprak uiteindelijke de VN toe’

Vrede zit in jezelf, zegt Alhaji Babah Sawane. “Het zit in je diepste innerlijk. Die twee-en-een-half jaar bij de RUF-rebellen hebben me vanbinnen niet kapot gemaakt.” Alhaji Babah Sawane (34) is een voormalig kindsoldaat. Geboren in het district Bombali, in het noorden van Sierra Leone, werd hij als zoon van een moslimfamilie opgevoed in de islamitische traditie. Die opvoeding kreeg hij vooral van een oom, bij wie hij werd ondergebracht nadat zijn vader was overleden.

Alhaji Babah Sawane, voormalig kindsoldaat.  Beeld Marnel Breure
Alhaji Babah Sawane, voormalig kindsoldaat.Beeld Marnel Breure

In 1997 werd het dorp aangevallen en geplunderd door rebellen van het RUF. Huizen werden in brand gestoken, inwoners gedood. Sawane wist te ontkomen en hield zich met andere dorpelingen schuil in de bush, totdat hij tijdens het water halen een groep rebellen tegen het lijf liep. Hij werd gevangen genomen, vastgebonden en naar hun kamp gebracht. Sawane was toen tien jaar oud.

“Ik werd toegewezen aan een commandant die Mara heette”, herinnert Alhaji Babah Sawane zich: “Nadat ik had geleerd om met een geweer om te gaan, moest ik meevechten in een Small Boys Unit. Het kwam er op neer dat we met de rebellen van het ene dorp naar het andere trokken om te roven, moorden, verkrachten en brand te stichten. Er werden voortdurend mensen gedood, aan beide kanten. Burgers, rebellen, kindsoldaten. Ik heb heel veel dode lichamen gezien. Je leefde in constante angst en had geen idee of je zelf de volgende dag wel zou halen.”

Sawane werd gedwongen om mee te doen aan de moord- en slachtpartijen. De details ervan laat hij achterwege, maar in het algemeen geldt dat de Small Boys Units (BSU) tijdens de burgeroorlog bekend stonden om de wreedheid waarmee ze te werk gingen. Vaak voerden de kinderen executies, amputaties en andere extreme martelingen uit.

“Weigeren was geen optie”, zegt Sawane naar aanleiding van zijn eigen ervaringen. “Ik heb een keer geprobeerd om te ontsnappen, maar ben gepakt door een andere rebellengroep. Die hebben me teruggebracht naar Mara. Ik ben toen onder doodsbedreigingen volledig afgetuigd.”

In januari 2000 beleefde Alhaji Babah Sawane een van de mooiste dagen van zijn leven: door tussenkomst van de VN-vredesmacht UNAMSIL werd hij – met meer dan tweehonderd andere Small Boys - uit handen van Mara bevrijd. Hij zat een jaar in een kamp voor voormalige kindsoldaten om een demobilisatieprogramma te ondergaan. Omdat zijn eigen familie onvindbaar was, kwam hij vervolgens bij een pleegmoeder ten noorden van Freetown terecht.

De normaliteit van het leven in een familiehuis stelde Sawane in staat om terug te grijpen op het leven vóór de oorlog: “Ik ben heel gedisciplineerd opgevoed. Dienstbaarheid aan ouderen was heel belangrijk. De oom bij wie ik als kind heb gewoond, stuurde me iedere ochtend naar zijn akker om te zien of de beesten zijn gewassen niet hadden opgegeten. In het huis van mijn pleegmoeder begon ik ongevraagd allerlei klusjes te doen. Ik wilde ook heel graag weer naar school. Ik had twee-en-een-half jaar geen boeken en pennen gezien, alleen machetes en geweren.”

Die vastberadenheid bleef niet zonder resultaat. Eind 2001 sprak Alhaji Babah Sawane, toen veertien jaar oud, in New York de Veiligheidsraad van de VN toe over de situatie van kinderen in gewapende conflicten. Tien jaar later rondde hij in Freetown een studie Vrede en Conflict Management af. Sindsdien heeft hij voor uiteenlopende organisaties gewerkt, meestal met een humanitaire inslag.

“Ik heb een sterke behoefte om bij te dragen aan vredesprocessen”, licht Sawane toe. “De burgeroorlog heeft me van mijn kinderjaren beroofd en daar ben ik niet bepaald de enige in. Dat moet veranderen. Ik ben gedwongen om vreselijke dingen te doen. Daar voel ik me niet schuldig over, want het was niet uit vrije wil. Maar het heeft me wel getekend en het heeft tijd gekost om daar los van te komen. De studie heeft me geholpen om met mijn verleden om te gaan en geeft me de mogelijkheid om iets voor anderen te doen.”

Sawane heeft een zoon van dertien die nog niet weet wat zijn vader heeft doorgemaakt. Mede daarom vindt het gesprek niet thuis plaats maar op het terrein van het Speciaal Hof waar het Sierra Leone-tribunaal heeft plaatsgevonden.

“Mijn zoon heeft een onbezorgd leven en dat wil ik graag zo houden”, zegt Sawane. “Bij de rebellen verborg ik mijn tranen. Als ze je zagen huilen, kreeg je slaag. Openlijk bidden kon ook niet, dus dat deed ik heimelijk, in mezelf. Alles wat menselijk was, moest worden uitgebannen. Het is me gelukt om de menselijkheid weer terug te vinden en vrede te sluiten met mezelf. Intussen weet ik dat conflict veel breder is dan oorlog. Het is overal aanwezig. Ook in families. Conflicten zijn niet te vermijden, confrontaties wel.”

Burgeroorlog in Sierra Leone (1991-2002)

De burgeroorlog in Sierra Leone begon in maart 1991. Rebellen van het Revolutionary United Front (RUF) wilden de corrupte regering van de toenmalige president Joseph Momoh omverwerpen. Vanuit buurland Liberia werd het RUF gesteund door opstandelingenleider Charles Taylor, die in 2016 in Den Haag veroordeeld zou worden tot vijftig jaar cel.

Omdat de smokkel van ‘bloeddiamanten’ voor het RUF een belangrijke bron van inkomsten was, werd de strijd in eerste instantie uitgevochten in het oosten van Sierra Leone: de meeste diamantmijnen liggen in dit gebied. Naderhand breidde de oorlog zich uit over het hele land, ook de hoofdstad Freetown werd meerdere keren ingenomen.

De burgeroorlog kenmerkte zich door excessief geweld tegen de bevolking. Het amputeren van ledematen was naast andere gruwelijke verminken een veel voorkomende praktijk. Vrouwen en meisjes werden systematisch en op brute wijze verkracht. Deze oorlogsmisdaden werden niet alleen gepleegd door het RUF, maar ook door andere strijdende partijen, waaronder het leger van Sierra Leone (SLA).

Alle betrokken fracties maakten gebruik van kindsoldaten. De Small Boys Unit (BSU) van het RUF was het meest omvangrijk: de rebellen beschikten over meer dan 10.000 kinderen, waaronder ook meisjes die dienst deden als seksslavin.

De burgeroorlog werd op 18 januari 2002 officieel beëindigd. Volgens een VN-rapport vielen er 70.000 doden en raakten 2,6 miljoen mensen ontheemd.

Dit artikel kwam mede tot stand op basis van journalistiek onderzoek voor de EO.

Lees ook: Seksueel geweld in Sierra Leone: de oorlog zit nog in de hoofden van de mannen

Deze maand twintig jaar werd in Sierra Leone de vrede getekend. Maar de oorlog ging verder in de hoofden van de mannen en er is nog altijd veel geweld tegen vrouwen. Activisten strijden voor mentaliteitsverandering.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden