Onderhandelen

In Scandinavië zijn minderheidskabinetten al jaren heel normaal

De Deense premier Mette Frederiksen leidt een sociaaldemocratisch minderheidskabinet, met steun van vier andere (centrum-linkse) partijen. Om de steun van de gedoogpartijen te waarborgen heeft ze haar harde antimigratietoon wat afgezwakt. Beeld AP
De Deense premier Mette Frederiksen leidt een sociaaldemocratisch minderheidskabinet, met steun van vier andere (centrum-linkse) partijen. Om de steun van de gedoogpartijen te waarborgen heeft ze haar harde antimigratietoon wat afgezwakt.Beeld AP

Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben een traditie van minderheidsbestuur. Hoewel onderhandelen daarbij belangrijker wordt, hoeft het niet te leiden tot tandeloos bestuur.

Terwijl Nederland steigert bij het idee van een minderheidscoalitie — want krijgen we dan nog íets gedaan? — is het principe van de minderheidsregering in Scandinavië zowat traditie.

Noorwegen bijvoorbeeld werd in de twintig jaar van 1985 tot 2005 onafgebroken geregeerd door een kabinet met een minderheid in het parlement. En de huidige premier Erna Solberg leidt sinds begin vorig jaar tevens een (centrum-rechts) minderheidskabinet. De populistische Vooruitgangspartij besloot in januari 2020 zich uit de meerderheidsregering terug te trekken; de populisten weigerden zich te voegen naar het besluit om een aan IS gelieerde vrouw uit Syrië te repatriëren.

Politiek heeft zich aangepast aan de realiteit

Denemarken: een soortgelijk verhaal. Tijdens de zogenoemde ‘aardverschuivingsverkiezingen’ van 1973 wonnen vijf nieuwe of nog niet eerder vertegenwoordigde partijen zetels en werd de helft van de voormalige parlementsleden vervangen. Sinds die versplintering van het politieke landschap zijn minderheidsregeringen er schering en inslag. Zozeer, dat de politiek zich gaandeweg heeft weten aan te passen aan die realiteit. Tegenwoordig lukt het Deense minderheidsregeringen aardig om ad hoc afspraken te maken met wisselende coalities in het parlement.

Zo wordt Denemarken sinds 2019 bestuurd door een sociaaldemocratisch minderheidskabinet onder leiding van Mette Frederiksen, met steun van vier andere (centrum-linkse) partijen. De sociaaldemocraten wonnen de verkiezingen met name door in te zetten op een strenger migratiebeleid. Alleen: om de parlementaire steun van de gedoogpartijen te waarborgen heeft ze haar harde antimigratietoon wat afgezwakt. Als een goede aanvoerder van een minderheidscoalitie bevestigde Frederiksen na de verkiezingen ‘open te staan voor samenwerking met andere partijen over verschillende kwesties’, waaronder de economie.

Ook Zweden, vertelt politicoloog Johan Hellström van de Umea Universiteit, maakt deel uit van deze noordelijke traditie van minderheidsbestuur. “Tijdens ruim 70 procent van de naoorlogse jaren is Zweden geregeerd door een minderheidskabinet”, vertelt hij. Sinds de jaren negentig heeft nog maar één van de in totaal tien kabinetten een meerderheid van zetels in het parlement gehad.

Zo kort mogelijk zonder overheid

Volgens Hellström ligt op z’n minst een deel van de verklaring in Zweden in het staatsrecht. “Het is in onze grondwet verankerd dat het land niet of zo kort mogelijk zonder overheid mag zitten. Dat heeft geleid tot een zogeheten ‘negatief parlementair systeem’: de inkomende regering heeft geen meerderheidssteun nodig. Het volstaat dat geen meerderheid een tegenstem uitbrengt.”

Daarnaast werd de Zweedse politiek tot voor kort gekenmerkt door een duidelijk links en rechts blok. “We hebben in de praktijk altijd een soort tweepartijensysteem gehad. Ofwel de sociaaldemocraten, ofwel een van de rechtse partijen leidde de regering.” Op papier had die regering dan een minderheid in het parlement, maar in de praktijk kon ze rekenen op de steun van alle anderen partijen in ‘hun blok’. Hellström duidt dit principe aan met de term ‘contractparlementarisme’: een minderheidsregering had een vrijwel geïnstitutionaliseerde relatie met hun gedoogpartijen, wat maakte dat ze uiteindelijk weinig verschilde van een meerderheidskabinet.

Volgens Hellström hebben de vele minderheidsregeringen in Zweden niet per se geleid tot tandeloze politiek. “De minderheidskabinetten hebben evenveel wetsvoorstellen weten door te voeren als de meerderheidscoalities en verreweg de meeste kabinetten hebben hun termijn uit kunnen zitten. Alleen: de inhoud van wetsvoorstellen moet natuurlijk wel worden gesteund door partijen in de oppositie. Onderhandelen krijgt een steeds groter aandeel in het bedrijven van politiek.”

Op de laatste benen

Maar in Zweden lijkt de relatief succesvolle traditie van minderheidsregeren op zijn laatste benen te lopen. Want sinds 2014 wordt de grens tussen het linkse en rechtse blok steeds poreuzer. Hedendaagse politieke hangijzers als migratie en integratie overstijgen de oorspronkelijke links-rechtsdichotomie. De vroegere loyaliteiten zijn niet langer vanzelfsprekend.

Kijk naar de recente val van het kabinet van de sociaaldemocratische premier Stefan Löfven: die voltrok zich nadat de linkerpartij samen met conservatief-rechts een motie van wantrouwen steunde. Hellström: “Hier in Zweden lijken we nu af te stevenen op de politieke impasse waar jullie in Nederland zo bang voor zijn.”

Lees ook:

Zo’n minderheidskabinet wordt zweten en zwoegen in de Kamer, iedere dag weer

Een minderheidskabinet is in Nederland zelden stabiel gebleken, eerder de dood dan de gladiolen. Toch is dat nu waar VVD en D66 op af lijken te stevenen. Hoe werkt zo’n kabinet?

Na afwijzing van links doemt minderheidskabinet op van VVD en D66 (en misschien CDA)

VVD, CDA en D66 hebben dinsdag de twee voor de hand liggende varianten voor een meerderheidskabinet definitief van tafel geveegd. Een minderheidskabinet komt nu in beeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden