ReportageColombia

In dit Colombiaanse dorp staat de doodskist alvast in de huiskamer, maar de traditie verdwijnt

Gabriela Martínez bij haar kist.Beeld Edwin Koopman

In het Colombiaanse dorp Atánquez halen bejaarden hun eigen doodskist al ver voor hun overlijden in huis. Dat werkt, bezweren ze, ter afschrikking van de man met de zeis. Toch verdwijnt het gebruik.

Leunend op een houten wandelstok schuifelt Juan Cáceres van de veranda zijn boerderij in. De 85-jarige boer, zwarte hoed, wit geruit overhemd en sandalen, gaat een slaapkamer binnen. Achter een enorm tweepersoonsbed, onder doorzichtig plastic staat ze, al twee jaar lang: zijn doodskist. Openmaken wil hij haar niet, dan komt er maar stof bij.

Zo probleemloos als de boer zijn onverwachte gast binnenlaat, zo verbaasd is hij over de belangstelling voor zijn kist. En nee, er is niets lugubers aan. “Waarom zou ik bang zijn voor de dood?” Hij verslikt zich in zijn lach. “Voor je het door hebt, ben je er al ­geweest.”

Op het erf begint een ezel te balken. Ze blijven leuk, de grappen van zijn baas. Cáceres moest tijdens zijn lange leven al menig familielid begraven. ­Ingelijst aan de muur hangen de getuigen: de foto’s van zijn broer, zijn moeder, zijn vrouw en een van hun zoons, vermoord door de paramilitairen.

In Atánquez is het niets bijzonders, een doodskist in de kamer. De meeste bewoners zijn kankuamo, een inheemse groep met een animistische traditie. Eeuwenlang leefde de gemeenschap ­betrekkelijk geïsoleerd van de buitenwereld. Tradities hielden stand, de wetten van de natuur bepaalden de kijk op leven en dood en die laatste was hier nooit een onberekenbare vijand die je opwacht, maar een langverwachte gast op wie werd gerekend. Het goede ging altijd samen met het kwade. Geen ­leven zonder de dood. Niets om bang van te worden, maar iets om je op voor te bereiden.

‘Het kon dagen duren voordat je een kist had geregeld’

Het dorp, enkele duizenden zielen rijk, ligt in het noordoostelijke departement César, op de uitlopers van de imposante Sierra Nevada die scherp afsteekt tegen de felblauwe lucht. Midden op de dag brandt de zon hoog aan de hemel. Heldere beken klateren er van de berg. Wit geschilderde, van hout en klei gebouwde huisjes met zwarte dakpannen en golfplaten daken verraden traditie en armoede. Over de met keien geplaveide straten rijden nauwelijks auto’s. Wie verder moet dan een paar straten neemt een brommer of zijn paard.

Tradities worden soms uit nood geboren. Eugenes Oñate, een lokale radiojournalist, weet hoe het ging. “De weg naar de stad was hier altijd slecht. Als iemand overleed, kon het dagen duren voordat je een kist had geregeld. Er kwam een hoop papierwerk bij kijken en je moest maar net het geld hebben.”

Na een goede oogst was dat geld er wel. Een doodskist voor een oude moeder was een goede investering. “Die kist is een levensverzekering,” weet Oñate. In meerdere opzichten. Wie een kist heeft, leeft langer, dat is vele malen gebleken. Het werkt het ter afschrikking van de man met de zeis, die liever een deurtje verder gaat kijken. “Alsof de dood er dan geen zin meer in heeft.”

De kankuamo vormen een hechte gemeenschap. Iedereen in het dorp kent en helpt elkaar, ook in slechte tijden. “Als hier iemand overlijdt zonder familie, dan neemt de gemeenschap het over. Er is een wake, de een neemt koffie mee, de ander iets te eten, de ander een kaars,” zegt Oñate. Als er geen kist is, dan komt er een kist. Niemand gaat zonder de grond in.

Juan CáceresBeeld Edwin Koopman

Families met een onverwacht sterfgeval doen traditioneel een beroep op hen die al een kist hebben. Uitlenen noemen ze het, ofschoon de kist zelf nooit meer terugkomt. De nabestaanden moesten later een nieuw exemplaar teruggeven, in de regel van een betere kwaliteit. Wie een eenvoudige kist aanschafte en vaak uitleende, kon op zijn eigen begrafenis pronken met prachtexemplaar. Er zijn legendarische gevallen bekend, zoals Feliciano Rodríguez. “Die leende zijn kist wel veertig keer uit. Zodra iemand ziek was of op sterven lag ging hij langs om haar aan te bieden,” vertelt Oñate. Zes maanden geleden stierf hij zelf.

De overleden legende woonde aan de rand van het dorp. Feliciano’s zus Carmen, zelf ook al 78, sjort aan de golfplaten deur die toegang geeft tot de enige woonruimte. De kettingen waarmee de kist aan het plafond was opgetakeld, hangen nu werkloos van de dakbalken naar beneden. Daaronder moet Feliciano zijn leven lang iedere avond in bed zijn gekropen. Zijn laatste rustplaats was het eerste was hij in de ochtend zag.

De niet onbaatzuchtige jovialiteit waarmee hij zijn kist steeds maar weer uitleende, had niet het gewenste effect. Sommige kisten kwamen inderdaad terug, bekleed met zijde, gewatteerd en met veel franje. Maar vaker betrof het een gedrocht van zes goedkope planken, voor weinig geld geassembleerd door de dorpstimmerman die beter was in tuinhekken. Feliciano is in een sober exemplaar de grond in gegaan. Oñate beschrijft het excuus van de arme families “die vaak helemaal geen geld hebben om een goede kist terug te geven”. Maar de schuld moest worden ingelost, er werd uitgeweken naar de meest simpele oplossing.

Het kerkhof van Atánquez, bij de ­ingang van het dorp, wordt omheind door een hagelwitte muur. Een witte boog met een hek van ijzeren spijlen geeft toegang tot de laatste rustplaats van de dorpelingen. Een wirwar van graven verraadt de standsverschillen. De met ornamenten en Christusbeelden gedecoreerde mausolea waar de goede families hun naasten bijzetten, staan tegenover de gemetselde muren met gaten, juist op maat voor een eenvoudige kist. Op het randje past nog net een plastic boeket.

Beeld Edwin Koopman

De afgelopen jaren is de begraafplaats vaker bezocht dan voorheen. Een halve eeuw gewapend conflict is ook aan Atánquez niet voorbijgegaan. De honderden dorpelingen die, meestal door paramilitairen, zijn vermoord om de omgeving te ‘zuiveren’ van linkse guerrilleros vormen het gedeelde trauma waarover niemand meer praat.

Bij een klein wit huis klopt Oñate op de deur. Na drie keer proberen gaat de krakende houten deur open. Een oude, indiaanse vrouw verschijnt in de deuropening, haar lange grijze vlecht over haar rechterschouder. Vanuit haar schommelstoel vertelt de 74-jarige ­Gabriela Martínez hoe zij als enige dochter een kist had geregeld voor haar moeder. Zestien keer leende ze hem uit, maar de laatste keer ging het mis. Het was een straatarme familie en ze had medelijden met ze, maar ze had het nooit moeten doen. Want toen korte tijd later haar eigen moeder overleed, 105 jaar oud, zat ze zelf zonder.

Pas lang na de begrafenis kreeg ze er een terug maar die vindt ze te lelijk om te laten zien, ‘en kapot bovendien’. Pas na aandringen staat Martínez op. Ze loopt naar een gammele kast in gang, die met moeite het verafschuwde exemplaar torst, onder het stof en aan alle kanten beschadigd. De deksel is ontzet en de loshangende bodem van hardboard biedt zicht op de binnenkant. “Deze is hier in het dorp gemaakt”, zegt Martínez op laatdunkende toon. Als het van hier komt, moet het wel prutswerk zijn. Koffiebakken noemen de dorpelingen ze, naar de metalen kuipen waarin ze de bonen wassen, voordat ze worden gebrand.

Doña Gabriela behoort tot de laatsten. Met weemoed vertelt Oñate hoe de traditie verdwijnt. En niet eens door de teleurstellingen zoals die van Gabriela. Het verval begon volgens Oñate met de macht van de katholieke kerk, die schuld en vagevuur predikt en de mensen angst inboezemt voor de dood. “Wie dood gaat, gaat naar de hel om eeuwig te branden. De dood kreeg een slechte naam.”

Mensen willen geen kist meer in de ­kamer; in plaats van zekerheid te bieden, werd die juist een dreiging. De doodsteek kwam van goedbedoelde overheidsprogramma’s die voor de allerarmsten voorzien in een kist van de ­gemeente. Zo is de oude cultuur ingehaald door de tijd. “En een volk zonder cultuur,” weet Oñate, “dat verdwijnt ook fysiek.”

Beeld Edwin Koopman

Een kwartier verderop woont Don Rafael, de laatste timmerman in het dorp die nog wel eens een lijkkist in ­elkaar hamerde. Op het stoepje voor zijn zaak drinkt hij bier met vrienden. In de werkplaats getuigen gedemonteerde bedden en andere stukken meubilair van betere tijden. Met een fles in de hand memoreert Rafael de tijden waarin iemand langskwam om een ­oude kist op te kalefateren. Zijn aangeschoten vrienden sommen de namen op van alle kistenmakers in het dorp die ze zich nog kunnen herinneren, de een nog slechter dan de ander. “Rafael’s kisten waren de beste, je kreeg zin om erin dood te gaan.”

Aan het einde van de middag jaagt een lichte bries de hitte de straten uit, de berg op. Uit cafés klinken de onnavolgbare tonen van een accordeon, de vrolijke vallenato waar deze streek beroemd mee werd. Gasten drinken koffie en bier. Over het conflict wil niemand spreken, maar over de tradities rond de dood heeft ieder een verhaal. Over de lakens, de witte pakken en zijden overhemden die samen met de kist werden bewaard voor de dag van de dood. Over Don Feliciano die ‘meer dan honderd keer’ zijn kist uitleende. En over het verdwijnen van de traditie.

De avond valt. Op de lage houten stoel voor zijn huis lacht de oude Juan Cáceres nog maar eens om de verbazing over de doodskist naast zijn bed. “De dood is als een reis en ik heb mijn koffer klaar.” Hij heeft er nog niet in gelegen maar hij weet zeker dat hij past. “Ik heb nogal brede schouders. Maar dat had ik van tevoren doorgegeven.”

Lees ook:

Sonia Bermúdez, de Colombiaanse die een graf regelt voor doden zonder geld

In Riohacha, in het Caribische deel van Colombia, ontfermt Sonia Bermúdez zich over de doden wier familie geen geld heeft voor een begrafenis: momenteel vaak gevluchte Venezolanen. Een vrouw met een bijzondere band met de dood, die straalt van levenslust.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden