InterviewsLibanon

In 40 seconden werd hun stad Beiroet verwoest. ‘Bij één man kon ik zo zijn ribben zien’

Yara Freiha.Beeld Marcel van der Steen

Journalist Marcel van der Steen, in Beiroet in opdracht van Giro 555, tekende voor Trouw de ooggetuigenverslagen op van de mensen die hij fotografeerde.

Haar hond is onrustig als ze thuiskomt, tussen twee lessen in. Ze woont tegenover Athletes Anonymous, de sportschool waar ze lesgeeft. Yoga en calisthenics. Ze wacht op de bank op een late lunch die ze heeft besteld. Omdat de hond maar blijft zeuren, eet ze die niet op maar gaat met haar naar buiten. “Ze heeft mijn leven gered”, zegt Yara Freiha (27).

Want nog maar net is ze het gebouw uitgelopen of ze wordt met een ongelooflijke kracht tegen een muur geslagen. De hond gaat er jankend vandoor.

Het duurt lang voordat ze beseft wat er is gebeurd. Er moet iets in het gebouw zijn ontploft. De generator misschien. Ik moet mijn les afzeggen, denkt ze. Ze is in shock en gaat terug naar boven. De grond is bedekt met glas, maar ze loopt er overheen alsof het er niet is. Pas wanneer vrienden haar proberen te bellen en het afzeggen van de les niet meer nodig blijkt, vallen er kwartjes. Is het weer oorlog? Is het een aanval van Israël? Beide blijken het niet te zijn.

In het dichtstbijzijnde ziekenhuis komt ze in een horrorfilm terecht. Een goede vriendin zou hier zwaargewond heengebracht zijn. Die vindt ze er niet. “Ik kan je niet uitleggen wat een slagveld het was. Ik zag bij mensen de botten uit hun lijf steken, ik zag mensen met de ogen uit het hoofd. Er was een man bij wie ik zo de ribben kon zien.”

“Mijn wijk was het hart van Beiroet. Het is dood nu.” Geen kunstenaars meer, geen volle terrassen. “En onze overheid wist al jaren van het dreigende gevaar. Het komt bovenop de ellende die er al was.”

Door de economische crisis, die vorig jaar voor de eerste klap zorgde, waren tampons al onbetaalbaar geworden, zegt ze, om maar een simpel voorbeeld te noemen. “Ik heb geluk, ik heb twee banen. Maar vrienden weten echt niet meer hoe ze het moeten doen. Onze munt is niets meer waard, onze overheid doet niets. Ja, ze doet alsof ze zich zorgen maakt als het om corona gaat. Maar ondertussen laat ze zes jaar lang weet ik hoeveel ton ammoniumnitraat in de stad liggen. Dit was de genadeklap.”

Yara is vertrokken naar het huis van haar ouders, iets buiten de stad. Deze week is ze eventjes terug en zit ze op haar eigen bank. Het glas is opgeruimd. Maar wonen kan ze er niet meer. “Het is mijn thuis niet meer.”

Nakhle Fadous (85).Beeld Marcel van der Steen

Nakhle Fadous, 85 jaar

“Kom naar binnen, pa.” Meneer Fadous staat op zijn balkon. Hij ziet een klein stukje van de haven. Er brandt iets. En er klinkt een vreemd geluid. Zijn dochter roept hem. Hij draait zich om en wil naar binnen stappen. Halverwege wordt hij tegen de grond geslagen. Hij belandt in de tv-kamer naast de bank. Overal bloed.

Zijn dochter weet hem in de auto te krijgen. De straten liggen vol puin. Eerst denkt hij aan vuurwerk of de oorlog. Hij is oud genoeg, doorstond van alles. Ze rijden de stad uit, ze zijn een van de eersten, en bereiken een ziekenhuis waar nog plaats is.

Het glas is uit zijn armen nu. Met zijn dochter is hij weer thuis, hij zit in zijn stoel. “Ik heb alles meegemaakt, maar dit nog nooit.” De ramen zijn afgedekt met plastic, gekregen van het Rode Kruis, het glas is weg. “Deze wijk was soms wat te druk, te rumoerig.” Overal barretjes en restaurants, jonge mensen tot diep in de nacht. “Maar nu is het te stil, het is doods.”

Veel buren zijn vertrokken, ze vertrouwen hun huizen niet meer. Ze wachten elders tot er hulp komt of wachten op een huis met ramen. Meneer Fadous heeft net zijn huis laten checken. “Het is zeker zeventig jaar oud, maar het staat nog. We slapen in een andere kamer nu, die iets minder is beschadigd.” Weggaan is geen optie, zegt hij. “Ik ga nergens heen. Dit is mijn huis. Ik blijf.”

Muhammad Houssam Daouk.Beeld Marcel van der Steen

Muhammad Houssam Daouk, 11 jaar

Hij moet van z’n moeder zijn zusje halen. Die speelt bij de buren een paar verdiepingen hoger. Het is tegen zessen. Muhammad is gek op z’n vierjarige zusje, zegt hij: “Ik zou nog liever sterven dan dat haar iets overkomt.”

Samen stappen ze in de lift, terug naar huis. Er klinkt een gigantische dreun. Muhammad Houssam Daouk weet niet wat er gebeurt. Zijn zusje huilt. De lift stopt en hangt binnen een paar seconden vol met stof en gruis, ergens tussen de vierde en zesde verdieping. Het licht valt uit. Dan de schreeuwende stem van zijn moeder in de verte. “Waar zijn mijn kinderen, waar zijn mijn kinderen?”

“Het duurde zeker een uur voordat m’n zusje weer was gekalmeerd”, zegt Muhammad. “Ik was ook wel bang, maar niet zo bang als zij.” Buren bevrijden de twee uit de lift. Zijn moeder knijpt hem bijna fijn. Hun appartement is een ravage.

Een paar dagen later is hij samen met zijn moeder op straat in de getroffen wijk Mar Mikhael. Hij wil helpen, zoals zoveel Libanezen dezer dagen doen. Puinruimen, water uitdelen. En hij wil, zoals hij zelf zegt, onderdeel zijn van de revolutie. Niet alleen helpen, maar ook protesteren. Tegen de regering die niets doet. Al is hij, ondanks alles, hoopvol. “Ik hou van Libanon, mijn toekomst is hier. Ik hoop dat die beter wordt dan nu.”

Issa Baitamouni.Beeld Marcel van der Steen

Issa Baitamouni, 24 jaar 

De brandweerwagen is nog altijd niet teruggevonden. Die stond te dicht bij de rampplek. Daar is niets meer van over. “De ambulance vonden we pas na zes dagen. Delen, hier en daar.” Issa Baitamouni is vrij die dag, maar tien van zijn collega’s zijn op de rampplek, dicht bij de brand. Ze waren op de melding afgegaan, vertrokken van de basis Karantina, direct naast de haven.

Zodra Issa na de explosie weer bij zinnen is, gaat ook hij naar de haven. Samen met collega’s gaat hij op zoek naar zijn tien andere collega’s. “Het eerste lichaam dat we vonden was van Sahar, een verpleegkundige. We herkenden haar aan haar nagels en een ketting die ze droeg.”

Het was chaos, vertelt hij. Overal gewonde en verminkte mensen. En dode collega’s. Een deel van de mensen met wie hij werkt is ongedeerd gebleven: degenen die nog op de basis waren. Veertig seconden voor de explosie komt daar een melding binnen. “We hebben versterking nodig.” Veertig seconden, precies genoeg om te zorgen dat de collega’s de slaapzalen verlaten. Ze staan allemaal op de grond als de klap komt. “Dat was hun redding, de slaapzalen zijn compleet vernietigd.”

Het kost dagen om de lichamen bij de haven te vinden. Of delen ervan. Ze vinden de chauffeur, die iets achtergebleven is. Op de vierde dag vinden ze de arm van een sergeant. 

“De eerste week konden we er niet over praten”, zegt Issa. Ze accepteerden de waarheid niet. De tweede week begonnen ze met herstelwerkzaamheden op de kazerne. “En nu, drie weken later, praten we voorzichtig. Nu het stof is neergedaald, komt het verdriet pas binnen.”

Dr. Marie Khalife.Beeld Marcel van der Steen

Dr. Marie Khalife, 36 jaar

Ze krijgt weer kippenvel als ze het vertelt. “Als ik hier nog had gezeten, was ik er niet meer geweest. Dood ja.” Kinderarts Khalife laat de ruimtes zien in het kinderziekenhuis van Karantina. Muren zijn ingestort, plafonds naar beneden gekomen.

“We hoorden een vreemd geluid, het leken straaljagers”, vertelt ze. “Ik verzamelde de verpleegsters. En toen kwam de klap.” Minutenlang kunnen ze niets zien door het puin en het stof. Op de tast gaan ze op zoek naar de kinderen, de baby’s in couveuses. De muur ernaast is weggeblazen. “Het is ongelooflijk, maar we hebben ze allemaal kunnen redden.”

Het geluid zal ze nooit vergeten. “Iedereen huilde, verpleegsters, kinderen, hun moeders.” Ze weet direct: iedereen moet naar buiten. Er moeten infusen verwijderd worden. Verbonden worden de armpjes niet. Wegwezen is het belangrijkste. “Ik had vier baby’s in de couveuses. Die moesten zo snel mogelijk naar een ziekenhuis buiten de stad. Maar onze ambulance was verpletterd. Uiteindelijk konden we het leger bereiken. Zij brachten de baby’s in veiligheid.”

“Het was hier zo mooi. We hadden er zo’n fijne plek van gemaakt.” In de wijk Karantina is veel armoede. Maar in haar ziekenhuis, zegt ze, is iedereen welkom, ook als je geen geld hebt. Ze voelt zich depressief. Want alles is kapot. “Ik wil sterker zijn. Doorgaan met mijn missie. Ook al weet ik niet hoe ik mijn mensen nu moet betalen. Het is een ramp. Maar het leven is hier niet gestopt. Ik ga door, het nog mooier maken.”

Lees ook:

Omdat de regering niet helpt, ruimen inwoners Beiroet zelf maar op: ‘We kijken wie een deur nodig heeft’

Twee weken na de explosie die Beiroet in de as legde, is de overheid nog nergens te bekennen. Bewoners gaan zelf maar aan de slag.

Langzaam maar zeker start de haven van Beiroet weer op, maar er is meer nodig

De haven in Beiroet komt mondjesmaat weer op gang. Goed nieuws voor Libanon, maar er is meer nodig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden