Pater Frans Lieshout in Papua

Missionaris

Hoe Pater Frans Lieshout aan Papua verknocht raakte

Pater Frans Lieshout in Papua Beeld Jos Donkers

Pater Frans Lieshout kwam als twintiger terecht tussen de stammenoorlogen in Papua. Hij ervoer de zucht naar onafhankelijkheid en de repressie. “De Indonesiërs kwamen als rovers binnen.”

Hij had altijd ­gedacht dat hij tot zijn dood in Papua zou blijven. Dat hij daar, temidden van zijn Papoea-vrienden, aan zijn einde zou komen. Maar recente ­gewelddadige rellen en  uitgezaaide kanker dwongen hem begin deze maand om na 56 tropenjaren terug te keren naar Nederland. Dus nu zit ex-missionaris Frans Lieshout in een klein stadsklooster tussen flatgebouwen in Amsterdam-West: een 84-jarige man met grijs, achterover gekamd haar, een zilverkleurige metalen bril en een enigszins schorre stem. Lieshout maakt zich grote zorgen over wat er in zijn vroegere missiegebied gebeurt. “Het dringt nauwelijks door tot de buitenwereld, maar er is daar echt verschrikkelijk geweld gaande.”

De recentste geweldsgolf begon toen in augustus bij een studentenhuis van Papoea’s in de stad Surabaya op Java een Indonesische vlag was neergehaald. De politie, het leger en nationalistische groepen beschuldigden de Papoea’s daarvan en een menigte bestormde het studentenhuis. In een video die zich verspreidde op sociale media was te zien hoe de meute ‘Apen! Apen!’ scandeerde. Papoea’s reageerden met woedende protesten, die zich snel uitbreidden naar andere steden op Java en naar Papua zelf. De demonstraties waren eerst vooral gericht tegen de aanhoudende discriminatie van de Papoea’s, maar al gauw riepen de betogers eveneens om afscheiding van Papua.

Heftige rellen

Ook in het stadje Wamena, waar Lieshout tot voor kort woonde, kwam het tot heftige rellen. Volgens Human Rights Watch kwamen er zeker 33 mensen om. De mensenrechtenorganisatie drong onlangs aan op een onafhankelijk onderzoek.

“Wamena is voor een groot deel verwoest”, vertelt Lieshout. “Kantoren, winkels, huizen, een supermarkt: honderden gebouwen zijn afgebrand. Er zijn echt de verschrikkelijkste dingen gebeurd. Mensen werden bijvoorbeeld levend verbrand in een winkel, en een Indonesische arts, een man met grote verdiensten, werd overgoten met benzine en in brand gestoken.” Hij slaat een hand voor zijn gezicht. “Ik kan me nog steeds niet voorstellen dat Papoea’s, berglanders, dat hebben gedaan. Misschien zijn er kwade geesten in hen gevaren. Ik weet het niet.”

Beeld Jos Donkers

Volgens Lieshout wemelt het in het stadje, de belangrijkste plaats in de hooglanden, inmiddels van de militairen en oproerpolitie. “Iedereen wordt in de gaten gehouden en arrestaties zijn aan de orde van de dag. Het is gewoon bezet gebied.”

Tegelijk zijn de Indonesische strijdkrachten sinds ongeveer een jaar in en rond het district Nduga, aan de voet van de Nassau-bergen, bezig met een harde antiguerrilla-operatie tegen kleine groepjes licht bewapende Papoea-rebellen. De pater krijgt van vrienden geregeld verontrustende whatsappberichten over bombardementen op kampongs en dorpelingen die massaal op de vlucht zijn geslagen. “Het leger heeft het gebied hermetisch afgesloten. Dus dan weet je wel dat het daar goed mis is.”

Oorlogszuchtige stam

Frans Lieshout zelf arriveerde voor het eerst in Nederlands-Nieuw-Guinea, zoals het gebied toen nog heette, in het voorjaar van 1963, kort voordat Nederland de kolonie overdroeg aan Indonesië. Nederland had hardnekkig geprobeerd vast te klampen aan het overzeese gebiedsdeel, dat het wilde voorbereiden op onafhankelijkheid in 1970, maar was door de Amerikanen, die vreesden dat Indonesië in het communistische kamp zou belanden, gedwongen om het gebied af te staan aan de Indonesiërs. Den Haag wist nog wel in de Verenigde Naties te bedingen dat zes jaar na de overdracht een referendum zou worden gehouden, waarin de Papoea’s zich zouden mogen uitspreken over onafhankelijkheid of aansluiting bij Indonesië, maar dat liep uit op een farce. Indonesië wees gewoon zo’n duizend ‘vertegenwoordigers’ aan, die onder zware druk voor aansluiting kozen.

Lieshout ging, na een inwerkperiode, op 29-jarige leeftijd aan de slag op een afgelegen missiepost in de Baliemvallei in het Papuase bergland. Die vallei was pas in 1938 ‘ontdekt’ door een Amerikaanse onderzoeker, die er bij toeval met een vliegtuig overheen vloog. De jonge pater kwam er terecht in een vruchtbaar oerwoudgebied vol kleine nederzettingen met ronde hutten, waar een oorlogszuchtige stam woonde, die vermoedelijk eeuwenlang geen contact had gehad met de buitenwereld. Overal in de vallei stonden slanke hoge torens, die dienden als uitkijkposten. Bewoners hielden daarmee in de gaten of er leden van een vijandige clan aankwamen.

Gewelddadige manier om conflicten op te lossen

“Het was heel, heel primitief, met veel stammenoorlogen”, vertelt Lieshout. “Maar die gevechten verliepen over het algemeen heel geordend. Het werd niet zomaar oorlog. Dat werd ­opgezet. Het doel was ook nooit om de vijand te verpletteren, maar om weer evenwicht te krijgen.”

“Er was bijvoorbeeld iets gestolen, een vrouw of een varken, en iemand was daar boos over. Als die dan met pijl-en-boog begon te schieten en iemand aan de andere kant werd dodelijk getroffen door een pijl, dan was het oorlog. Maar als er dan aan de overzijde ook iemand was gedood, hielden ze een vreugdedans en dan was het afgelopen. Dan was de balans hersteld. Het was hun gewelddadige manier om conflicten op te lossen. Je moet begrijpen: er was in die gemeenschappen geen politie.”

Lieshout stortte zich in zijn beginjaren enthousiast op het leren van de ­lokale taal en spande zich in om te worden aanvaard door de bevolking. ­Samen met de andere missionarissen en bewoners van de streek bouwde hij bruggen en schooltjes, en legde stukjes weg aan. Ook verleende hij basale medische hulp. Hij lacht: “Je deed soms dingen die je hier Nederland nooit zou ­mogen doen. Ik ben bijvoorbeeld ook vroedvrouw geweest, of hoe moet je dat noemen, vroedman, hahaha. En ik gaf injecties, onder meer tegen framboesia, een infectieziekte. Met peniciline kon je daar wonderen verrichten en zo werd dat ook echt ervaren door de mensen.”

Beeld Jos Donkers

“Als we op vakantie waren geweest in Nederland, namen we vaak ook allerlei zaden mee. En we brachten kippen mee. Dat vonden ze prachtig, want die veren konden ze in hun haar steken.”

Soms waren er pijnlijke teleurstellingen. Zoals toen zich een zonsverduistering voordeed, waardoor het overdag donker werd. De dorpelingen werden doodsbang en gingen bij elkaar zitten om te bespreken wat er aan de hand was. Ze kwamen tot de conclusie dat ze met de bouw van scholen tegen de tradities van de voorouders waren ingegaan. “Er werden toen een heleboel schooltjes in de fik gestoken en er werd een onderwijzer vermoord. Maar dat was geen criminaliteit, dat was gewoon zelfverdediging van de gemeenschap.”

Lieshout merkte vanaf het begin hoe de spanning zich opbouwde tussen de Papoea’s en de nieuwe machthebbers. Volgens hem voelen veel Papoea’s zich niet thuis in Indonesië, omdat ze een ander volk zijn, overwegend christelijk, met een andere cultuur. Tegelijk zag hij hoe Indonesiërs vaak neerkijken op de Papoea’s en hen behandelen als wilden, als weinig meer dan apen of honden.

Traditionele peniskokers verwisselen

Zo begonnen de strijdkrachten in 1971 ‘Operatie Peniskoker’, om de ­bevolking te ‘Indonesiseren’. De militairen probeerden de Papoea’s daarbij aan te zetten hun traditionele peniskokers te verwisselen voor westerse kleren en in moderne, vierhoekige huizen te gaan wonen.

Uitingen van de ­Papoea-cultuur, zoals bepaalde dansen en liederen, werden verboden, en Indonesiërs van elders werden overgebracht naar Papua om de bevolkingssamenstelling te veranderen. Wie het waagde de Morgenster, de Papoea-vlag, te hijsen, riskeerde een lange celstraf, of erger.

Het versterkte allemaal de onvrede onder de Papoea’s en in 1977 brak een opstand uit, onder leiding van de Organisatie voor een Vrij Papua (OPM). De Papoea-rebellen vochten slechts met beperkte wapens, waaronder speren en pijl-en-boog, tegen militairen met helikopters, gevechtsvliegtuigen en raketten. Hele Papoea-dorpen werden plat gebombardeerd. In de decennia daarna volgden meer opstanden, die telkens weer hard de kop in werden gedrukt.

Papoa's worden kleine minderheid

“De Indonesiërs kwamen vanaf het begin als rovers binnen, met een militair gezicht, als bezettingsmacht. En dat zijn ze nog steeds. Indonesië heeft nog altijd een enorme troepenmacht in Papua.”

“Er blijven ook alsmaar meer Indonesiërs van elders naar Papua komen. Ik denk dat nog maar de helft van de inwoners Papoea is, en als het zo doorgaat, worden de Papoea’s een kleine minderheid in hun eigen regio. Toen ik er in 1963 kwam, woonden er nog vrijwel geen islamitische Indonesiërs. Alleen in het westen een paar kleine groepen. Maar nu is de islam zeker in de steden een zeer overheersend element. Het stikt er van de moskeeën.”

“En het is natuurlijk ook dubbelzinnig. De nieuwkomers hebben vaak meer kennis en vaardigheden. Je ziet dat bijvoorbeeld op de markt in Wamena. Alle winkeltjes daar worden gerund door Indonesiërs. Wij hebben wel ­geprobeerd om jonge Papoea’s te ondersteunen bij het beginnen van een kleine kiosk, maar dat mislukte. Want als je moeder komt voor een pakje sigaretten, dan vraag je geen geld van haar. Binnen een mum van tijd was zo’n ­kiosk dan leeg zonder dat er geld was binnengekomen. Het is dus niet zo dat Papoea’s geen winkels mogen beginnen, maar ze zijn er voor het overgrote deel gewoon nog niet aan toe.”

Beeld Jos Donkers

“Hoe verhoud je je tot die mensen? Dat moet je uitvinden. En de Indonesiërs vinden dat moeilijk, net als wij ­Nederlanders het lastig vonden. Maar ik ben ervan overtuigd: als de Indonesiërs de Papoea’s minder hadden onderdrukt en gediscrimineerd, dan was hun onafhankelijkheidswens lang niet zo sterk geweest. Indonesië heeft het verzet voor een groot deel aan zichzelf te wijten.”

Het viel de bejaarde Lieshout afgelopen maand, mede gezien de huidige ­onrust in het gebied, zwaar om afscheid te nemen van zijn vrienden in Papua. Ook omdat hij maar al te goed besefte dat hij het tropische bergland met zijn groene wouden, ruige rotspieken en grijze nevels vermoedelijk nooit meer zal zien. Maar de kanker woekert al vier jaar voort in zijn lichaam en van zijn arts kreeg hij laatst te horen dat zijn toestand ‘niet rooskleurig’ is. Hij heeft waarschijnlijk meer zorg nodig dan in Papua beschikbaar is.

“Natuurlijk mis ik het”, zegt de frèle pater, lopend door het kleine klooster aan de rand van Amsterdam, waar hij sinds anderhalve week verblijft. “Ik heb daar al mijn sociale contacten. Ik mis de warmte, de sfeer, de tijd die mensen ­nemen om naar elkaar te luisteren.”

Geen terugkeer

Onder zijn vest tegen de Hollandse kou draagt hij een gebatikt Indonesisch overhemd. Lieshout vertelt dat hij al ­jaren officieel Indonesiër is. Hij heeft geen Nederlands paspoort meer, als ­gevolg van zijn bijzondere levensloop. Want generaal Suharto, de vroegere Indonesische sterke man, dreigde in de jaren tachtig om alle buitenlandse zendelingen en missionarissen Papua uit te gooien. Om toch te kunnen blijven, namen Lieshout en veel van zijn missiebroeders de Indonesische nationaliteit aan.

Maar ondanks dat Indonesische staatsburgerschap heeft Lieshout zich erbij neergelegd dat een terugkeer naar zijn geliefde Papua er, gezien zijn verzwakkende gestel en het opgelaaide ­geweld, waarschijnlijk niet meer in zit. “Ik ben 84, bijna 85. Op een gegeven moment is het tijd om je terug te trekken.” Hij legt een hand op zijn borstkas. “Dat voel je ook van binnen.”

Lees ook:

Nederland moet zich bij de VN inzetten voor een vrij Papua

Papua past niet goed bij Indonesië en heeft genoeg in huis voor autonomie, betoogt Maarten van der Schaft, voormalig medewerker bij de Aziatische Ontwikkelingsbank.

‘Alsof we halve beesten zijn’ - hoe West-Papua steeds verder wegdrijft van Indonesië

Nederland plantte ooit, een beetje per ongeluk, de zaadjes van nationalisme in West-Papua, Indonesische repressie deed de rest. Maar de kansen op onafhankelijkheid lijken klein.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden