AnalyseZweden

Hoe gelijkheidsparadijs Zweden eeuwenlang een van de minst egalitaire landen in Europa was

Beeld Maus Bulhorst

Zweden is het gelijkheidsparadijs met de gratis kinderopvang, vergevorderde seksegelijkheid en een uitgebreide sociale zekerheid. Maar het beeld van de ‘egalitaire traditie’ en ‘oergelijkheid’ wordt keihard onderuit geschopt in een recent verschenen boek. 

Tijdens een partijcongres in 1969 citeerde Olof Palme, de toenmalige sociaal-­democratische premier van Zweden, de Britse socialist Tawney met de ­uitspraak dat ‘de ­gezondheid van de maatschappij ­samenvalt met de bestemming waar diens gezicht naar gericht staat’. Palme constateerde: “Het gezicht van de Zweedse sociaal-democratie moet worden gewend naar een toekomst gekenmerkt door gelijkheid en vrije uitwisseling tussen mensen.”

Palme en zijn kabinet regeerden naar dit streven. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd het land vermaard om diens ‘Zweedse model’, een soort middenweg tussen socialisme en kapitalisme, waarmee Zweden niet alleen een van de welvarendste, maar vooral een van de meest politiek, sociaal en economisch egalitaire naties werd ter wereld.

Dat beeld, van Zweden als gelijkheidsparadijs, is blijven hangen. Zweden: het land van de vergevorderde seksegelijkheid, van gratis kinderopvang en eindeloos ouderschapsverlof, van vaders achter de kinderwagen, het land met een uitgesproken ‘feministische regering’, met gratis onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen, een uitgebreid sociaal vangnet, nauwelijks corruptie of nepotisme, het land waar ieder dubbeltje een kwartje kan worden.

Het land waar nu, in coronatijden, de overheid niets van diens burgers afdwingt maar vertrouwt op eenieders eigen verantwoordelijkheid. En dus, in zekere zin, het principe onderschrijft dat de meerderheid van de mensen beschikt over de moraal en de mogelijkheid goede keuzes te maken voor zichzelf en zijn omgeving. Een gemeenschap van gelijken.

Hoogste doel

Het egalitaire imago houdt goeddeels stand, terwijl ­ in ieder geval de inkomstenongelijkheid al jaren toeneemt. Zweden staat op de eerste plek van Oeso-landen waar de verschillen in inkomsten het hardst groeien. Sinds begin jaren negentig heeft de overheid duidelijk egalitarisme niet meer als hoogste doel. Aan de herverdeling van middelen wordt al jarenlang getornd; erfbelastingen zijn afgeschaft, kapitaalbelastingen verlaagd, en sociale verzekeringen zijn niet meer wat ze waren.

Toch bestaat in Zweden – en daarbuiten – het idee dat een egalitarisme ‘Zwedens lot’ was, zoals bijvoorbeeld uiteengezet door de historici Henrik Berggren en Lars Trägårdh in het boek ‘Är svensken människa?’ (Zijn de Zweden mensen?). Zwedens recente geschiedenis, beargumenteren de twee, is het vanzelfsprekende gevolg van een in de boerensamenleving geworteld individualisme. De Zweedse boer heeft altijd onafhankelijk willen zijn en de staat was er om die onafhankelijkheid te handhaven. De gevierde Zweedse welvaartsstaat zou verankerd liggen in die eeuwenoude traditie van individualisme, egalitarisme en de tolerante ­relatie tussen overheid en het volk.

En ongeveer zo luidt ook de algemeen ­geaccepteerde geschiedenis van Zwedens uitzonderlijke gelijkheid. Waar de Fransen hun eigendunk hebben, de Spanjaarden hun warmbloedigheid, de Nederlanders hun zuinigheid en de Duitsers hun punctualiteit, zo hebben de Zweden hun stereotype van egalitarisme.

Maar de Zweden moeten opzoek naar een nieuw oorsprongsverhaal. De economisch historicus Erik Bengtsson, werkzaam aan de Lund Universiteit, schopt het beeld van een ‘egalitaire traditie’, een ‘oer-gelijkheid’, onderuit in zijn pas verschenen boek ‘Världens jämlikaste land?’ (’s Werelds meest gelijke land?). Aan de hand van niet eerder gebruikt archiefmateriaal, waaronder dat van inkomsten- en kapitaalbelastingen, en een vergelijkende studie van de politieke geschiedenis van verschillende Europese landen, trekt hij de conclusie dat Zweden tot aan het begin van de twintigste eeuw helemaal geen unieke positie had waar het egalitarisme betrof. Eerder het tegenovergestelde: Zweden blonk uit in ongelijkheid.

Bezit versus inspraak

Te beginnen bij Zwedens ondemocratische bestel; terwijl in 1870 landen als Frankrijk en Duitsland al algemeen mannenstemrecht kenden en in andere Europese naties toch op z’n minst de meerderheid van de mannelijke bevolking stemgerechtigd was, mocht slechts een op vijf Zweedse mannen naar de stembus. Tot begin twintigste eeuw was stemrecht in Zweden uitsluitend voorbestemd aan degenen met bovengemiddelde inkomsten en kapitaal. Hoe meer bezit je had, des te meer stemmen je mocht uitbrengen en dus des te groter je politieke inspraak.

In plaats van een democratie (een individu, een stem) gold in Zweden lange tijd het principe van de plutocratie (een kroon, een stem). Het wekt daarom ook nauwelijks verbazing dat het land tot aan de beginjaren 1900 niet alleen ondemocratisch was, maar ook extreme economische ongelijkheid kende. De rijkste 10 procent van de bevolking bezat zo’n 90 procent van al het landelijke vermogen. En gezien diezelfde bovenlaag een machtsmonopolie genoot, was het systeem er op ingericht deze ongelijkheid in stand te houden. De reden van bestaan van het ‘simpele volk’ – de grote meerderheid – was het leveren van goedkope arbeid en het spekken van de kas van hun meerderen.

Tuurlijk: Zweden is op een gegeven ­moment geëgaliseerd, zoveel is zeker. Maar dit is niet een eeuwenoud en eindeloos proces geweest. Volgens Bengtsson gebeurde die gelijktrekking ‘laat en snel’. “Juist omdat het systeem lange tijd zo exclusief was, kon zich van onderop een brede coalitie voor ­democratisering vormen.”

Die coalitie van tegenstanders van het ancien régime groeide begin vorige eeuw uit tot een massale arbeidersbeweging die zich mobiliseerde in de Sociaal-democratische ­Arbeiderspartij (SAP). Toen uiteindelijk het algemeen kiesrecht was ingevoerd en bij de volgende parlementaire verkiezingen de ­oude garde resoluut aan de kant werd gezet, gooide de SAP het roer volledig om. In sneltreinvaart ontwikkelde het nieuwe bestuur een systeem van herverdeling; de herverdeling van kapitaal, inkomsten en politieke ­inspraak. De sociaal-democraten maakten Zweden, zogezegd, het gelijkste land ter ­wereld.

Sprookje

Goed, dat is de Zweedse gelijkheids­geschiedenis in een notedop. Maar hoe zat het dan met die vermeende ‘egalitaire boerensamenleving’? En hoe is het mogelijk dat dit idee van een eeuwenoud egalitarisme zich zo in het collectieve geheugen heeft ­genesteld?

Eerst dat sprookje van die gelijkwaardige agrariërs: Partijleider Ulf Kristersson van de liberaal-conservatieve Moderata samlingspartiet verwees er nog naar in een partijleidersdebat begin vorig jaar: “De Zweedse ­gelijkheid linkt ons aan onze geschiedenis van vrije, bezittende boeren”.

Bengtsson was voor zijn onderzoek de ­archieven van de provincie Skåne ingedoken en ging er alle boerderij-eigenaren na.  En inderdaad: de bezittende boeren die hij teruggaand in de tijd aantrof hadden ­relatief gelijkwaardige posities. Ze hadden al eeuwen inspraak in – of konden toch minstens stemmen voor – het lokale bestuur en waren ‘vrij’: ze hadden geen oversten.

De clou zit ‘m in het woord ‘bezittend’: alleen de boeren die hun eigen grond ­bewerkten konden hun zegje doen. Zij met bezit — land, een boerderij, spaargeld — hadden wat in te brengen in de lokale plutocratie.

Alleen bleek deze groep landbouwers in de minderheid; het merendeel van de bevolking was frälsebonde, een ‘adelboer’ die woonde en werkte op het eigendom van een adellijke familie. Deze adelboeren hadden bezit noch stemrecht en werden bestuurd door diegenen die bezaten.

Zweden had, kortom, een patriarchale, feodale standenmaatschappij, zoals elders in Europa. Ongelijkheid voor de wet was ­ingebed in het systeem; de adel had privileges, alle anderen hadden plichten.

Deze standenmaatschappij hield stand in de achttiende en negentiende eeuw, terwijl de economische ongelijkheid alleen maar toenam. De klasse van bezitloze land- en ­fabrieksarbeiders maakte in 1850 zo’n 60 procent van de bevolking uit. Deze klasse was doorgaans straatarm. Tot zover de egalitaire boerensamenleving.

Waarom is dat geloof in die gelijkheid als boerenvolksaard dan zo hardnekkig?

“Het is”, vertelt Bengtsson, “een romantisch idee over onze nationale oorsprong”. Het is onderdeel van het nationale zelfbeeld waarmee Zweden zich onderscheidt van de rest van Europa. Vanaf de Romantiek duikt het beeld van de simpele doch vrije Zweedse plattelandsbewoner op in literatuur, in poëzie, in de beeldende kunsten, in de folklore.

“In de moderne geschiedenis is dit zelfbeeld ingezet in de politiek”, zegt Bengtsson. In de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog wezen de sociaal-democraten op deze versie van het verleden om het volk ervan te overtuigen dat hun socialistische standpunten niet vreemd of beangstigend (lees: Duits of Russisch) waren, maar gegrond in oud-Zweedse idealen.

Van de elite en voor de elite

De nationale mythe, schrijft Bengtsson, is ook een vorm van nation branding, het ­adverteren van het eigen land. Het gelijkheidssprookje geeft Zweden een uniciteit die het interessant maakt voor bijvoorbeeld internationale organisaties, bedrijven of ­wetenschappers.

In de jaren tien van de vorige eeuw brak Zweden met de officiële ideologie van het ancien régime, toen de volksbewegingen die zich in de decennia ervoor hadden gevormd doorbraken in de politieke arena. ‘Van de elite en voor de elite’ moest na 1917 – het ­revolutionaire jaar waarin honderdduizenden Zweden de straat op gingen met hun eis voor ‘brood en democratie’ en de oude elite zich gedwongen zag het stemrecht uit te breiden – plaats maken voor ‘van het volk en voor het volk’.

Hoe kan het dat de Zweedse politiek zo’n draai maakte? Waarom werd uitgerekend Zweden het ‘gelijkste land ter wereld’?

Bengtsson wijst naar de arbeidersbeweging die zo massaal kon worden juist omdat het de bevolking volkomen aan politieke ­inspraak ontbrak. De heersende elite had niet eens een poging gedaan aan het volk te appelleren, zo stevig dacht ze in het zadel te zitten. En dit gestruisvogel, meent Bengtsson, werd het regime uiteindelijk fataal. Toen het tij van de democratisering niet meer kon worden gekeerd, was de Sociaal-democratische Arbeiderspartij de enige echte optie voor de miljoenen nieuwe kiezers.

Dat de SAP vervolgens zo vlot hervormingen en een beleid van herverdeling wist door te voeren, was deels mogelijk door het reeds bestaande overheidsapparaat. Al sinds de tijd van koning Gustaaf I, begin zestiende eeuw, had Zweden een competente staat, die weliswaar ondemocratisch was, maar ­efficiënt in het controleren en belasten van diens onderdanen.

Thatcher

Zodra de sociaal-democraten aan de macht kwamen, kregen ze toegang tot dit gesmeerde staatsapparaat waarmee ze de ­samenleving konden organiseren en veranderen. Het bestaande belastingsysteem werd ingezet om inkomsten en bezit te herverdelen, met bijvoorbeeld de invoering van progressieve loon-, kapitaal- en erfbelastingen. Mede dankzij de vakbonden, een bloeiende industrie en een ‘solidaire loonpolitiek’ stegen ondertussen de inkomsten van de arbeiders. Voor hen die door ziekte of ouderdom niet meer konden werken kwam een ruimhartig beleid van sociale zekerheid en de segregatie in het schoolsysteem werd afgeschaft, waardoor het opleidingsniveau van de lagere klassen steeg.

“De continuïteit in de geschiedenis van Zweden is er niet een van gelijkheid, maar van overheidscapaciteit”, meent economisch historicus Bengtsson. De laatste paar decennia is de herverdeling van inkomsten en kapitaal zo drastisch ­afgenomen, dat ­onderzoekers van de ­welvaartsstaat zich ­afvragen of in Zweden nog wel kan worden gesproken van een ­sociaal-­democratisch model. Ze zien het land afstevenen op een systeem dat eerder dat van Thatchers Groot-Brittannië of de ­hedendaagse Verenigde ­Staten benadert.

Dat gelijkheid een politieke constructie was in plaats van ‘Zwedens lot’, een nood­zakelijk gevolg van de Zweedse volksaard, ­betekent ook dat die gelijkheid met overheidsmiddelen kan worden teruggedraaid. Egalitarisme is niet aangeboren; het vergt wil, daadkracht en een prioritering die in Zweden – en daarbuiten – ver te zoeken lijken.

Lees ook:
Drukke winkels, volle terrassen: waarom de Zweedse corona-aanpak voor ruzie zorgt in Scandinavië

Vaak gooien we de Scandinavische landen op één hoop. Maar de coronacrisis bewijst dat Zweden een eigenzinnige koers vaart. Noorwegen, Denemarken en Finland kijken daar met argwaan naar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden