Dekolonisatie IndonesiëHadji Agus Salim

Hadji Agus Salim was de grand old man van de Indonesische revolutie. ‘Een echte strijder’

Viering van de 70ste verjaardag van Hadji Agus Salim (tweede van rechts) op 8 oktober 1954. Naast hem zit Rahmi Hatta en zijn vrouw Zainatun Naha. Rechts van hem Soekarno.

Hadji Agus Salim vloog de wereld over om voor internationale erkenning van de jonge Republiek Indonesië te strijden. Als Republikeinse minister van buitenlandse zaken was hij voor Nederland een gerespecteerde gesprekspartner. Deel 7 van een serie over de kinderen van de hoofdrolspelers in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, die 75 jaar geleden begon.

Hadji Agus Salim, Koto Gadang Sumatra (1884 -1954), werd geboren als Mashudul Haq Salim: ‘Verdediger van de waarheid’. “Zijn Javaanse kindermeisje noemde mijn grootvader altijd ‘Den Bagus’ (bagus betekent de mooie, de goede), wat later ‘Agus’ werd. Familie, vrienden en leraren namen de koosnaam over. ‘Salim’ is de naam van zijn vader Sutan Mohammad Salim”, vertelt kleinzoon Agustanzil Sjahroezah (1955) die ook wel Ibong wordt genoemd.

Vanwege zijn vaders positie, die hoofdaanklager was bij de rechtbank van Riau op Sumatra, kon Agus Salim Nederlands onderwijs volgen, dat veel beter stond aangeschreven dan het Indonesische onderwijs. “Hij was in 1903 de beste eindexamenkandidaat van alle Hogere Burgerscholen in Jakarta, Bandung en Surabaya. Maar toen hij na de middelbare school medicijnen wilde studeren in Nederland, kon hij geen studiebeurs krijgen omdat hij niet met Nederlanders was ‘gelijkgesteld’”, vertelt Ibong.

Gelijkgestelde

Hij werd gezien als ‘inlander’, iemand van lagere klasse, zoals Indonesiërs toen doorgaans door Nederlanders werden genoemd. “Twee jaar later ontving mijn grootvader de status van ‘gelijkgestelde’. Maar nog steeds werd hem een studiebeurs geweigerd. Toen hij vervolgens, vanwege zijn goede kennis van de Arabische taal en de Indonesische cultuur, een aanbod kreeg om namens de Nederlandse regering consulair medewerker te worden in Saudi-Arabië, vervulde hij een wens van zijn moeder. Deze baan gaf hem tevens de kans om in de leer te gaan bij zijn oom, die in Saudi-Arabië imam en professor Islamitische studies was.” Zo kwam het dat hij van 1905 tot 1911 in de stad Jeddah aan het werk ging.

Het gesprek met kleinzoon Ibong Sjahroezah vindt plaats ver buiten het drukke centrum van Jakarta, in een buurt met smalle straatjes en af en toe een warung (eetkraampje) waar hij, samen met zijn vrouw Sita Hanimastuty in een prachtig ommuurd vrijstaand huis woont. Het huis is door Sita ontworpen en gebouwd. Ibongs moeder, Violet Hanifah, was Agus Salims derde dochter. “Mijn vader was Djohan Sjahroezah. Hij zette zich, net zoals mijn grootvader, in voor de onafhankelijkheid van Indonesië”, vertelt Ibong.

“Als ik aan mijn grootvader denk, dan denk ik aan zijn moed en consistentie in zijn antikoloniale opstelling, zijn strijd voor de onderdrukten en de opofferingen die hij zich heeft getroost. Toen hij als journalist werkte, schreef hij bijvoorbeeld eens een antikoloniaal artikel dat hij van het Indische gouvernement niet mocht publiceren.

“Omdat hij dat toch deed, werd hij door het nieuwsagentschap ontslagen, waardoor hij met vrouw en tien kinderen noodgedwongen kleiner moest gaan wonen. Hij was standvastig en bleef altijd zijn eigen mening verkondigen; als journalist en later als politicus. Hij was een echte strijder en vertrouwde altijd op de almachtige Allah.

Vrome moslim

“Mijn grootvader slaagde er al vóór de soevereiniteitsoverdracht in om internationale erkenning te krijgen voor de onafhankelijke Republiek Indonesië. Hij was een zeer vrome moslim die goed kon debatteren en mensen op een beleefde manier van zijn standpunten kon overtuigen.”

Hadji Agus Salim hechtte grote waarde aan onderwijs; in zijn geboorteplaats Koto Gadang (Sumatra) richtte hij een school op voor Indonesische kinderen. Daar leerden ze lezen en schrijven en maakten ze kennis met vreemde talen. Salim was ervan overtuigd dat taalbeheersing de sleutel tot kennis was – hij sprak zelf negen talen vloeiend. De waarde van zijn talenkennis zou later blijken tijdens zijn ministerschap.

Zijn eigen kinderen gaf hij thuisonderwijs. “Mijn grootvader wilde niet dat zijn kinderen een ‘inlander-mentaliteit’ ontwikkelden op school. Hij wilde dat ze zouden opgroeien met de trots en waardigheid van onafhankelijke en vrije mensen, die zich niet als ondergeschikt zagen aan de Nederlanders in de kolonie.”

Naar Egypte

In april 1947 – nog voor het begin van Operatie Product, ook wel bekend als de Eerste Politionele Actie – vloog Salim als hoofd van een vierkoppige missie naar Caïro om diplomatieke betrekkingen met Egypte aan te knopen. De delegatie had geen internationaal erkende paspoorten, omdat Indonesië officieel nog geen staat was. “Daardoor werden ze, eenmaal op de luchthaven in Egypte, met een Indonesisch stuk papier in de hand, tegengehouden.

“Maar mijn grootvader sprak vloeiend Arabisch en wist contact te leggen met de secretaris-generaal van de Arabische Liga, die ervoor zorgde dat ze Egypte in mochten en zelfs met premier Mahmoud an-Nukrashi Pasha om de tafel gingen zitten.”

Na de eerste gesprekken oefende de Nederlandse ambassadeur met succes druk uit op de premier om de delegatie niet langer te woord te staan.”

Desondanks, én ondanks het feit dat de delegatie volgens Ibong slechter gekleed ging dan de portiers in Caïro, leidde deze missie, die vier maanden duurde, tot een grote diplomatieke overwinning voor de jonge Republiek. Mede door Salims diplomatieke gaven en zijn kennis van het Arabisch, erkende Egypte in juni 1947 de Indonesische onafhankelijkheid. Andere leden van de Arabische Liga volgden.

Hoewel Salim het koloniale systeem ondubbelzinnig afwees, bleef hij tijdens de dekolonisatieoorlog in gesprek met het Nederlandse bestuur in de archipel. Als adviseur en (vice)minister van buitenlandse zaken belichaamde hij de stroming in de Republiek die meer verwachtte van diplomatie dan van strijd.

Ibong: “In augustus 1947 vloog hij naar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in New York, en een half jaar later maakte hij deel uit van de Indonesische delegatie bij de wapenstilstandsbesprekingen tussen Nederland en de Republiek Indonesië op het Amerikaanse oorlogsschip Renville. In 1949 was hij bovendien een van de Republikeinse onderhandelaars tijdens de Ronde Tafel Conferentie in Den Haag.”

Verbinden

Salim wist verschillende groepen met elkaar te verbinden, ook aan Indonesische zijde: toen hij in 1948 na afloop van Operatie Kraai, ook wel bekend als de Tweede Politionele Actie, samen met president Soekarno en Sutan Sjahrir naar het Sumatraanse vakantieoord Prapat werd verbannen, bracht hij hen dichter bij elkaar.

Kleinzoon Ibong Sjahroezah: ‘Als ik aan mijn grootvader denk, dan denk ik aan zijn moed en consistentie in zijn antikoloniale opstelling.’ Beeld Suzanne Liem

Ibong: “Hij was blij dat hij op deze manier langere tijd bij Bung Karno en Bung Sjahrir (bung is een aanspreekvorm voor een kameraad, red.) kon zijn om hen nader tot elkaar te kunnen brengen; die twee lagen altijd met elkaar overhoop. Hij was, na Soekarno, vicepresident Hatta en premier Sjahrir, de belangrijkste persoon in de Republikeinse regering. Ze waren erg close met elkaar ondanks het leeftijdsverschil: Hij was respectievelijk 17 en 18 jaar ouder dan Soekarno en Hatta en zelfs 25 jaar ouder dan Sjahrir. Daarom werd hij vaak de ‘grand old man’ genoemd.”

Moed en oprechtheid

Ibong is onder andere actief als milieuactivist en is voorman van de anticorruptie-beweging in Indonesië. Hoewel hij zijn grootvader niet heeft gekend, stelt hij hem vaak ten voorbeeld: “Zijn moed en oprechtheid sterken mij bij het innemen van mijn standpunten. Ik vertrouw daarbij, net zoals mijn grootvader, op Allah. Daardoor ben ik nergens bang voor. Ik doe wat mij het beste lijkt en doe alles wat ik kan om de wereld te verbeteren. Mijn grootvader maakte zich niet druk om wat mensen over hem zeiden. Hij deed alleen dat waarvan hij dacht dat het juist was.”

Na de onafhankelijkheid deed Salim wegens zijn verslechterde gezondheid een stap terug en werd hij regeringsadviseur. Hij pakte zijn journalistieke activiteiten weer op en verzorgde in 1953 een reeks lezingen aan de Cornell University over de islam. Salim overleed op 4 november 1954 en werd als eerste op het ereveld Kalibata in Jakarta begraven.

Vaardig onderhandelen

Gezien zijn capaciteiten en uitstraling had Hadji Agus Salim eigenlijk best de grote leider van de Indonesische revolutie en de eerste president van de Republiek kunnen zijn. Hij had echter zijn leeftijd tegen: Salim was al zestig op het moment van de onafhankelijkheidsverklaring, die er versneld was gekomen door jonge radicalen. Waarschijnlijk nog een belangrijker bezwaar: Salim was geen Javaan, maar behoorde tot de Minangkabauers, een volk op West-Sumatra.

Hij had ook oog voor het grotere plaatje. Waar anderen wel eens bleven hangen in eng, bekrompen nationalisme, manifesteerde hij zich als echte internationalist.

Salim werkte in zijn jonge jaren voor de Nederlanders. Bij zijn eerste kennismaking met de antikoloniale vroege nationalistische beweging Sarekat Islam was hij mogelijk politie-informant. Maar hij nam snel afstand van de Nederlanders, want de kern van het gedachtengoed van de beweging sprak hem aan. In nog geen tien jaar tijd groeide hij uit tot een invloedrijk leider, die intern streed tegen mystieke, messianistische en communistische tendensen.

Toen Salim tijdens de Japanse bezetting lid werd van het Onderzoekscomité ter Voorbereiding op de Indonesische Onafhankelijkheid kende hij de wereld van de diplomatie, journalistiek en de politiek van binnenuit. Het maakte hem vanaf augustus 1945 ook uitermate geschikt voor de positie van onderminister en minister van buitenlandse zaken.

Zowel in contacten met Nederland als andere landen bewees hij zijn humor. Salim was een vaardig onderhandelaar, spits en humoristisch en dronk ook graag een glas whisky, zelfs met tegenstanders.

Tijdens de Tweede Politionele Actie vielen Nederlandse luchtlandingstroepen Djokjakarta aan. Ze slaagden in hun opzet: het gevangennemen van de meest vooraanstaande politici van de Republiek. De koloniale overheerser vond Salim zo belangrijk dat hij met Soekarno, Hatta en Sjahrir behoorde tot de arrestanten. Het gezelschap werd overgebracht naar een veiliger geachte plek op Sumatra en daarna naar een oord op Banka-Billiton.

Maar de Tweede Politionele Actie was voor Nederland alleen militair een succes. De wereld dwong Den Haag nu om werk te maken van de soevereiniteitsoverdracht. Salim was een van de Indonesische onderhandelaars tijdens de Ronde Tafel Conferentie in 1949. Na de onafhankelijkheid werd hij adviseur buitenlandse zaken van premier Hatta en keerde hij terug naar een oude liefde, het schrijven. (Paul van der Steen)

Correctie 31/7 In een eerdere versie van dit artikel stond in het bijschrift van de eerste foto dat de vrouw naast Hadji Agus ­Salim zijn echtgenote is. Dat klopt niet. Dat is Rahmi Hatta, de vrouw van vicepresident Mohammed Hatta.

Lees ook:

Huib van Mook zat klem tussen Nederland en Indonesië

Huib van Mook verspeelde als hoogste gezagsdrager in Indonesië het vertrouwen van de Nederlandse politiek. Zijn zoon moest zijn vader maar vergeten, vond zijn voogd. Deel 2 van een serie over de kinderen van de hoofdrolspelers in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, die 75 jaar geleden begon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden