Mensen in een zwembad in Soweto November 6, 2010. Beeld REUTERS

De Megastad Niels Posthumus

Een praatje duurt in Johannesburg nooit maar even

Ik herstel van een rughernia, en in dat kader zwem ik drie keer per week. Het geluk wil dat ik om de hoek woon bij een zwembad, middenin het centrum van Johannesburg. Het is er zelden erg druk. “Hoe gaat het?”, vraagt een jongen van eind twintig in de baan naast me als ik op een vrijdagochtend even aan een startblok hang om uit te puffen. 

Mensen in Johannesburg groeten elkaar altijd en overal, en willen dan weten hoe het met je gaat. Voor mij is de vraag (How’s it?) na ruim zes jaar in Zuid-Afrika zo normaal geworden, dat ik hem er tijdens bezoekjes aan Nederland ook regelmatig gedachteloos uit flap als ik een halfvolle treincoupé binnenstap. De andere reizigers kijken me dan wat verschrikt aan. In Johannesburg zijn mensen doorgaans opvallend eerlijk in hun antwoord. “Ik heb mijn dag niet” of “Ik ben erg moe”, hoor ik regelmatig van wildvreemden. Er rust geen taboe op vermoeidheid.

Tegen de jongen in het zwembad zeg ik echter vrij mechanisch dat het prima met me gaat. Ik ben buiten adem. Het is overigens niet helemaal onwaar. De naweeën van de hernia zijn onprettig natuurlijk, maar verder is het een fijne winterochtend: de zon voelt zacht en warm, al is het eigenlijk maar achttien graden. 

Puur uit beleefdheid vraag ik ook hoe het met hem is. De jongen komt onmiddellijk met een uitgebreid verhaal, zoals Zuid-Afrikanen in Johannesburg – in zwembaden, in rijen voor de kassa of tijdens het kijken van voetbalwedstrijden in een sportbar – al veel vaker na een simpele beleefdheidsvraag heel hun lief en leed zonder gêne aan me hebben opgedist.

Openheid

“Ik moet zwemmen van de dokter”, zegt hij en wijst op zijn enkel. Op zijn donkere huid is een licht litteken te zien. “Ik werd onlangs op straat beroofd en probeerde me los te rukken. Ik viel en de overvaller stak een mes in mijn enkel.” Het onderwerp ‘criminaliteit’ is zelden ver weg in gesprekken in Johannesburg. Hij moet weer kracht opbouwen, vertelt hij. Hij werpt een zwemplankje in het water. “Ik mag alleen mijn voeten gebruiken.”

Dit soort openheid maakt dat Johannesburg lang niet altijd als een metropool met miljoenen inwoners voelt. Eerder als een dorp. Dat je er best vaak toevallig bekenden tegenkomt, voedt dit gevoel verder. Johannesburg is reusachtig, maar juist daardoor blijven mensen veel in hun eigen wijk. Elke buurt heeft zijn eigen supermarkt, zijn eigen restaurants, cafés, parken en sportclubs. Johannesburg is feitelijk een heel grote groep aan elkaar gegroeide plattelandsstadjes.

Dat iedereen er voortdurend praatjes met elkaar maakt, is echter ook gewoon een typisch kenmerk van Ubuntu, legden Zuid-Afrikaanse vrienden me ooit uit. Die Afrikaanse levensfilosofie stelt immers dat je als individu slechts bestaat door je relaties met anderen. Alleen door je leven met anderen te delen, leef je dus zelf.

Ik kijk de jongen in het zwembad wat weifelend aan, nadat hij is uitgepraat. “Weet je, ik zwem hier ook om te revalideren”, begin ik toch ook maar over mijn hernia. “O shit, hoe is dat gebeurd?” vraagt hij met oprechte interesse. “Lang verhaal”, antwoord ik. We besluiten er voor het gemak maar even bij te gaan zitten, op de rand van het zwembad, in de zachte winterzon.

Uitdijende metropolen bieden een groeiend deel van de wereldbevolking onderdak. Hoe houden de mensen het daar leefbaar? Trouw-correspondenten doen wekelijks verslag uit hun eigen megastad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden