null

EssayPhilip Huff

Een ode aan New York: ‘Het is de hele wereld in het klein. En in veelvoud’

Beeld Richard Koek

Je hebt vooraf, door alle films, series en boeken, een idee van hoe New York zal zijn. Pas achteraf weet je hoe de stad is, of was, voor jou. Voor Philip Huff is New York de hele wereld in het klein. En in veelvoud.

Ik was niet zo jong toen ik aankwam in New York, dertig, en iets ouder toen ik de stad verliet, vijfendertig. Ik wilde geen leven achterlaten, ik wilde het – mijn leven – simpelweg voortzetten, vergroten. Ik herinner me weinig meer van mijn aankomst in de stad, behalve dan dat ik het bericht kreeg dat mijn nichtje was geboren. Mijn schoonzus was begonnen met bevallen toen het vliegtuig vertrok uit Amsterdam.

Ik herinner me de aankomstterminal, maar dat komt, denk ik, omdat ik er daarna nog zo vaak doorheen liep, het zijn herhaalde beelden opgestapeld tot één driedimensionale kaart in mijn hoofd, de verplaatsbare trekband-afzetpalen bij de taxistandplaats incluis.

Philip Huff (1984) schrijft gedichten, verhalen, essays, scenario’s en romans. Zijn debuutroman Dagen van gras verscheen in 2009, Boek van de doden (2014) is zijn meest recente roman. In 2020 ging zijn eerste korte film als regisseur, Bosrandgeluk, in première.

Ik wist waarheen ik ging met mijn drie zware tassen: 225 South Third Street, Williamsburg. Ik zei het adres heel terloops tegen de toezichthouder bij de standplaats en nog een keer, in de taxi, in de hoop dat de twee mannen dachten dat het niet de eerste keer was dat ik in deze stad naar mijn huis ging.

Ik weet nu dat je dan 225 South Third, Brooklyn moet zeggen, zonder Street en Williamsburg, tenzij je wil laten weten dat je nieuw bent in de stad, natuurlijk. Ik zou enkele weken logeren op dat adres, totdat ik een eigen plek vond, op Manhattan, op Avenue A, op de hoek van de vierde straat. Ik woonde daar in een appartement op de negende verdieping met een uitzicht over Midtown. Ik had nog nooit in zo’n grote stad gewoond, nog nooit zo hoog gewoond, nog nooit zo’n uitzicht gehad. In dat opzicht alleen al, al woonde ik op twintig vierkante meter, was mijn leven verrijkt, groter geworden dan het was.

En toen moest ik de stad daarbuiten nog leren kennen.

null Beeld Richard Koek
Beeld Richard Koek

Ik weet de datum van mijn aankomst nog wel goed: 19 april 2015. Je aankomstdatum is in New York een belangrijke datum, zoals je geboortedatum. De dagstempel van een nieuw begin. Maar ik herinner me verder niets concreets meer van eerste weken in New York, behalve dan het gedoe dat ik had met de twee kartonnen dozen die ik mezelf uit Nederland had toegestuurd – een met persoonlijke favorieten en een met boeken die ik nog wilde lezen – en die zoek waren geraakt in het postsysteem.

In de doos met favorieten zaten vier boeken van Joan Didion, waaronder Slouching Towards Bethlehem, haar eerste bundel essays uit 1968. Didion is een van de scherpzinnigste chroniqueurs van de Amerikaanse samenleving, een schrijver die je blik op de wereld verandert. Niemand kan na lezing van haar werk hetzelfde kijken naar New York als daarvoor.

Huilbuien, feestjes, winkels die ze niet kon betreden

In Slouching Towards Bethlehem schrijft Didion dat het eenvoudig is het begin van de dingen te zien, maar ingewikkelder om het einde te zien. Zoals wel vaker bij Didion, die in 1934 in Sacramento werd geboren, volgt de scherp verwoordde conclusie uit een persoonlijke ervaring: ze herinnert zich met een helderheid die de haren in haar nek overeind doen staan het begin van haar tijd in New York, maar niet het einde.

Ze herinnert zich van het eerste dag in New York het asfalt van de landingsbaan, de jurk die ze droeg, de warme lucht die naar schimmel rook. Van het einde herinnert ze zich huilbuien, feestjes, buurten die ze vermeed en winkels die ze niet kon betreden: ‘De ene dag kon ik niet naar binnen bij Schrafft’s, de volgende dag was het Bonwit Teller’.

Wie Goodbye to All That leest, ziet dat dat het heel duidelijk was waarom de schrijfster naar New York kwam en minder duidelijk waarom ze er wegging. Didion was 21 toen ze aankwam, vastbesloten ‘iets’ van haar leven te maken en Sacramento, haar jeugd, het provinciale Amerika achter zich te laten. Ze vertrok op haar 28ste, gedesillusioneerd: ‘Ik wilde niet langer horen over voorschotten die anderen van hun uitgeverij hadden gekregen, over toneelstukken die in Philadelphia problemen hadden met de tweede akte, of over mensen die ik echt heel leuk zou vinden als ik zou langskomen om hen te ontmoeten’.

Didion schrijft: ‘Ik had ze altijd allemaal al eens ontmoet’. Didion is klaar met de stad, het waarom daarvan is minder duidelijk te achterhalen, al doet ze in het essay dus een poging.

null Beeld Richard Koek
Beeld Richard Koek

Ik weet niet meer waar ik mijn dozen met boeken ophaalde, hoe ik ze naar mijn logeeradres kreeg, noch hoe ik ermee van mijn logeeradres naar mijn eerste eigen plek in Alphabet City verhuisde. Ik herinner me mijn eerste bezoek aan Tompkins Square Park niet meer, wel – nu nog, wederom als een montage – de skaters op het asfaltveld, de nannies en de kinderen op de speelplaats, de hondenuitlaters bij het hondenveld en de lucht boven dat alles: helder, een vlekkeloos blauw.

Het gouden harnas van een engel, zwevend boven de grond

Ik herinner me juist de weken voor mijn vertrek uit New York veel beter dan de aankomst: door de ziekte van mijn moeder was ik tijdens mijn laatste jaar Amerika veel vaker in Nederland dan ik had verwacht, mijn visum was nog maar twee maanden geldig en ergens in het jaar voordat het verliep had ik besloten terug te keren naar huis.

Mijn slotweken in New York, in oktober en november 2019, beleefde ik dus heel bewust. Mijn laatste bezoek aan het Metropolitan Museum en Jules Bastien-Lepage’s Joan of Arc, het gouden harnas van een van de engelen zwevend boven de grond, ik kan elke stap ophalen; mijn laatste keer rondlopen in de Upper East Side, in de buurt waar Joan Didion woonde, idem; mijn laatste keer de Midden-Oosten-salon, dit keer diep in Brooklyn, waar het gele herfstlicht tussen de overkappingen van de verhoogde metro op de rechthoeken van het platform viel, een van de twee lampen boven de sporen al aan en voor me het uitzicht op een restaurant genaamd Thai Me, ik zal het nooit vergeten.

En de laatste keer Bleecker Street (waar ik mijn laatste jaar in New York een werkplek had): op de hoek, bij Von, staan enkele mensen te roken. Voor Ghost Donkey staat een rij. Het is koud. De stad ruikt fris, naar de winter al, wit en rein. Ik loop richting de boksschool, waar onder rood en blauw neonlicht enkele op elkaar gestapelde, ouderwetse televisies zwart-wit filmfragmenten de wereld ingooien: Andy Warhol die een hamburger uit zijn wikkel haalt en begint te eten.

Op de Bowery komt een stoet auto’s voorbij, als ik mijn ogen half dichtdoe, lijkt het of de sluitertijd verandert: de taxi’s trekken een spoor van rood licht mee.

Dit gaat dus over míjn New York

Je hebt vooraf, door alle films, series en boeken, een idee van hoe New York zal zijn, maar pas achteraf, als je vertrekt, heb je daadwerkelijk een idee van hoe New York is, of was, voor jou. Voor iedere inwoner is de stad een andere stad.

Zo is het New York van Joan Didion, hoewel toegankelijk voor velen, het New York van één iemand. En omdat ík dit stuk schrijf, gaat het over mijn New York. Dus sluit ik mijn ogen opnieuw, loop ik Bleecker af, of op East Fourth langs de New York Theatre Workshop, waar ik Hadestown zag, of sta ik op Astor Place buiten Joe’s pub op de brede stoep op Denise te wachten.

null Beeld Richard Koek
Beeld Richard Koek

Ik had die straten, buurten en plekken leren kennen doordat ik de gewoonte had de eerste weken en maanden van mijn verblijf in New York zoveel mogelijk te lopen. Naar afspraken, om mensen te ontmoeten aan wie ik via de mail was voorgesteld, maar ook ‘s zonder afspraak, doelloos dus en domweg gelukkig, onderwijl een 3D-map makend van de stad. De infrastructuur, stadsdelen, gebouwen in kaart brengen.

Pas later begreep ik, net als Didion, dat een stad, meer nog dan haar plekken, haar bewoners is. Of, beter gezegd: dat de mensen de stad tot leven laten tot komen. En, in tegenstelling tot Didion, ben ik in New York nooit op het punt gekomen dat ik iedereen al eens had ontmoet. Elke keer opnieuw, bij elke ontmoeting, leerde ik een nieuwe stad kennen.

Elke dag biedt de kans op een nieuw begin

New York biedt elke dag opnieuw de mogelijkheid van een nieuw begin: in Brooklyn, Manhattan, Queens, The Bronx en Staten Island is op werkelijk elke plek de mogelijkheid een interessant iemand te leren kennen. Zolang je in New York woont en leeft en het voorrecht hebt jezelf niet kapot te hoeven werken of, wellicht dus: het voorrecht de stad te kúnnen verlaten, is het onmogelijk je te vervelen.

Ik kwam veertien jaar na 9/11 naar de stad. De ramp was te lang geleden om nog een dagelijks gespreksonderwerp te zijn, zelfs de financiële crisis van 2008 was te lang geleden. De grootste ramp was Trump, een zoon van de stad, maar het zwarte schaap. Ik herinner me de sfeer in de metro de dag na zijn verkiezing: huilende mensen, Amerikaanse vrienden die uit schaamte afspraken afzegden.

Een van die vrienden was Dina, die ik ontmoette tijdens een etentje van een gemeenschappelijke vriendin. Dina kwam uit Koeweit en had met een groepje andere immigranten uit het Midden-Oosten besloten dat de enige momenten dat ze elkaar zagen, ze dansten, dronken en feesten. Dat moest anders kunnen. Om elkaar – en zichzelf en hun cultuur – beter te leren begrijpen, besloten ze een maandelijkse salon te geven, waarin telkens twee van hen een onderwerp uit hun cultuur toelichtten.

Dat kon zijn: de oorsprong van Arabische dans, de achtergrond van labne, de geschiedenis van het Mohammedaanse rijk. Gasten waren welkom, ook mensen die niet uit het Midden-Oosten kwamen. De groep groeide. Met sprekers-en-luisteraars en luisteraars. Zo zat ik elke maand in een klein appartementje met vele anderen van over de hele wereld op de vloer, terwijl de bakken met eten rondgingen en iedereen aandachtig luisterde naar één iemand anders.

Dat is New York: de hele wereld in het klein. En in veelvoud. Een Koreatown op Manhattan én in Brooklyn. Een Boeddhistische tempel diep in Queens met gratis eten, de Islamic Council of America op East Eleventh. De kerk van Peter Stuyvesant, om de hoek.

Koren van over de hele wereld repeteren in Central Park

Een middag met Martin, in Central Park, waar we om de zoveel minuten lopen koren van over de hele wereld stonden te repeteren voor waarschijnlijk een of andere zangwedstrijd. Martin herkende de muziek van John Dunstaple, maar veel muziek kende ik niet en zullen we nooit meer kunnen terugvinden.

Ook goed, zei Martin met zijn kenmerkende, Scandinavische stoïcisme. Ondertussen het geluid van een hysterische sirene, ergens op Park Avenue.

Ik herinner me een begrafenis in Joe’s Pub, van een jonge, aan aids overleden toneelschrijver, een vriend van Denise. Het hele gebouw van het Public Theater was afgeladen, elke zaal zat vol toneelliefhebbers die, behalve in de hoofdzaal, naar een videostream van de dienst keken: soms kun je de liefde voor een mens, voor een ambacht, voor kunst voelen zoals je, ik vermoed, als gelovige Gods aanwezigheid kunt voelen in een kerk. In zo’n cultuur ontstaat een wonder als de musical Hadestown.

null Beeld Richard Koek
Beeld Richard Koek

Ik heb eerder geschreven over mijn haat voor New York. Ik gebruikte – en gebruik – het woord ‘haat’ niet lichtzinnig of informeel. Ik bedoelde toen dat ik delen van de stad echt haatte; de manier waarop je ouders kunt haten die je seksualiteit of levensstijl niet begrijpen of politici die enkel anderen de schuld geven van wat er misgaat. De haat van teleurstelling.

Die teleurstelling overtrof persoonlijke teleurstelling. Het was een teleurstelling gebaseerd op het inzicht dat de energie die je voelde in de stad voor een groot deel wanhoop was, de paniek van mensen die moesten pompen of verzuipen, het was haat voor het winner takes all-model. Het is een teleurstelling, een haat, die je ook terugvindt in Didions Goodbye to All That.

Maar die teleurstelling is dus maar een kant van het verhaal (ook in dat essay, trouwens. Didion kwam later weer in New York wonen).

Verliefd op Annabelle, de portier en de tafel

Ik herinner me ook dit: een avond eten bij Joan Didion, over wie een andere vriendin, Annabelle, een documentaire maakte. Annabelle wist hoe grote fan ik was en had me als verrassing meegenomen. Ik was verliefd op New York die avond, verliefd op Annabelle. die mijn haastig aangeschafte bosje bloemen zag en toen begon te lachen en zei: ‘Dat is hier in Amerika een ik-wil-met-je-neuken-boeketje.’ Verliefd op de portier die vroeg voor wie ik kwam en mijn antwoord ‘Mevrouw Didion’ met een glimlach beantwoordde: ‘Mevrouw Dunne. Ik laat het haar weten.’

Ik was verliefd op de tafel, afgeladen met haar boeken, vertalingen, opgestuurd vanuit de hele wereld; verliefd op het boek van Orwell dat opgeslagen op de koffietafel lag, de kaft kapotgelezen, verliefd op de zwart-wit-foto van een snelweg ergens in het westen (Californië?).

De keren dat ik bij Joan Didion thuis was, dacht ik: deze foto van deze snelweg moet ik goed bekijken, want het kan de laatste keer zijn dat ik ‘m zie.

null Beeld Richard Koek
Beeld Richard Koek

Ondanks de lage uitkomst-waarschijnlijkheid van veel dromen, was niets werkelijk onmogelijk in New York: je kon echt aan tafel belanden bij een van je grote voorbeelden en met het gezelschap praten over Eric Arthur Blair!

Ik herinner me meer verliefdheidsmomenten van de stad der steden: sneeuw op de platte daken van de Lower East Side; mijn buurvrouw op Grand Street (ik was inmiddels verhuisd), Betty, die al sinds de oplevering van het gebouw in haar appartement woonde; handgeschreven brieven van Hemingway, op papier van het rode kruis, in de Morgan Library.

De stad had mij niets beloofd

En ik herinner me dus dat ik de laatste dagen van november door New York liep en dacht dat de loopbaanbeloften die ik de stad had toegeschreven niet allemaal waren gelukt (wel had ik gepubliceerd in The New York Review of Books en op de website van The Paris Review, maar mijn Engelstalige roman had ik niet verkocht) maar nogmaals, de stad had mij niets beloofd, het waren míjn verwachtingen geweest en op andere vlakken had de stad mij weer veel meer gegeven dan ik had verwacht, omdat je je nooit een voorstelling van de mensen kunt maken die je nog ontmoet en derhalve geen idee hebt van wat ze je allemaal kunnen geven.

Het is bijna twee jaar geleden dat ik New York verliet, dat voelt als – en ís, wellicht – een tijd geleden. Maar spreek ik Denise, Martin of Annabelle, of lees ik Goodbye to All That, dan weet ik dat New York nog altijd onderdeel is van mijn dagelijks leven, dat je geen ‘tot ziens’ kunt zeggen tegen alles wat je in de hoofdstad van de wereld hebt gezien en nooit meer zult vergeten.

Lees ook:

Oog in oog met wat in New York niet meer bestaat

Columnist Stevo Akkerman: ‘Nog altijd wordt er gebouwd ‘in de schaduw van geen torens’, zoals striptekenaar Art Spiegelman het noemde – de omtrek van de twee ingestorte wolkenkrabbers blijft hier eeuwig in de lucht hangen, wat er ook gebeurt.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden