Kajakken op de Deense efterskole.

ReportageDenemarken

Een jaartje zingen en tuinieren op de ‘efterskole’ is voor Denen heel gewoon

Kajakken op de Deense efterskole.

Ruim een op de vijf jongeren in Denemarken doet kostschoolervaring op. De populaire ‘efterskole’ streeft verlichtingsidealen na.

Anne Grietje Franssen

Aan het eind van een onverharde landweg door een glooiend Deens landschap, zo’n 60 kilometer ten noordwesten van Kopenhagen, ligt een landgoed dat oogt als een traditionele boerderij. Hier staat, grenzend aan bos en zee, een cluster gebouwen met rieten en roodbedakpande daken. Paarden briesen in hun weide de bezoeker tegemoet, de stallen ruik je op een halve kilometer afstand. Verderop worden de contouren zichtbaar van een groentekas en moestuin. Alleen de groepen loslopende jongeren verraden de aard van deze plek.

Dit is de Baunehøj Efterskole, een van de circa 240 private kostscholen die Denemarken telt. Zo’n honderd bovenbouwleerlingen van rond de zestien jaar volgen op het Baunehøj hun tiende klas — een klas bovenop het reguliere middelbare onderwijs dat loopt tot en met klas negen.

Dat doen ze niet omdat het probleemgevallen of schipperskinderen zijn, ze diplomatenouders hebben of van een adellijk geslacht afstammen. Nee, in Denemarken is één of een paar jaar kostschool voor jongeren tussen de 14 en de 18 heel gewoon.

De traditie stamt uit halverwege de negentiende eeuw, maar de populariteit ervan is de afgelopen twintig jaar enorm toegenomen. Inmiddels beginnen jaarlijks grofweg 30.000 Deense scholieren aan een jaar ‘intern’. Ruim een op de vijf Deense jongeren doet kostschoolervaring op.

Scholieren koken zelf

In het kantinegebouw van Baunehøj gaan — net zoals in alle andere gebouwen hier — de schoenen uit. Een dozijn scholieren beweegt zich loom in vrijetijdskleding door de open, professionele keuken die aan de eetzaal grenst. De kliek bakt cake en zet koffie voor de pauze die eraan komt. “We hebben een chef die het proces begeleidt”, vertelt directeur Ulrik Goos Iversen, “maar het zijn uiteindelijk de scholieren die het eten bereiden voor hun leeftijdsgenoten. Als zij ’s ochtends niet op tijd hun bed uitkomen, heeft niemand ontbijt.”

Deze efterskole (letterlijk: na-school) was twintig jaar geleden een middenklasseproject voor studenten met problemen, zegt Goos Iversen. “Maar nu is het bijna de standaard. Je kunt er als jongere voor kiezen om níet te gaan, maar dat is dan wel een actieve keuze.”

null Beeld

De eerste efterskole werd in de naleep van de Romantiek en tijdens het opkomende nationale bewustzijn in 1851 opgericht als onderdeel van een nieuwe ‘vrije scholenbeweging’. Aan de basis van die beweging stond dichter, politicus en onderwijsontwikkelaar Nikolaj Grundtvig, die zijn verlichtingsidealen op het Deense onderwijssysteem projecteerde. Hij stond kritisch tegenover de staatsscholen die, zo vond hij, alleen in ‘dode kennis’ handelden. Zo moesten schoolgaande Denen stoffige teksten als die van de Bijbel uitpluizen, terwijl, vond Grundtvig, studenten bovenal zouden moeten worden voorbereid op het werkelijke leven zoals dat zich buiten de muren van het schoolgebouw afspeelde. Bovendien: wilde de jonge democratie slagen, dan moest de bevolking worden geïnformeerd over de wereld, de maatschappij en wat het betekent om een goede en betrokken burger te zijn.

De gemeenschappelijke noemer van Grundtvigs pedagogische koers was het bevorderen van de vrije geest en ‘gedisciplineerde creativiteit’ in alle aspecten van het onderwijs. Hij moedigde waarden als wijsheid, mededogen en gelijkheid aan en verzette zich tegen alle vormen van dwang, zoals examens, die enkel zouden leiden tot afstomping van de menselijke ziel.

De initiële doelgroep van de nieuwe scholenbeweging was de minderjarige plattelandsbevolking. Deze jongeren werden aangemoedigd hun basisonderwijs aan te vullen met ‘vrije studies’ aan een efterskole of folkehøjskole, de volkshogeschool, een soort equivalent van de efterskole voor volwassenen.

Zagen en timmeren op de efterskole.  Beeld
Zagen en timmeren op de efterskole.

Het idee was de boerenstand van een groep onderdanen te transformeren tot geëngageerde leden van de maatschappij die zichzelf een identiteit konden aanmeten, die in staat waren de instrumenten van de democratie toe te passen en die sociale barrières konden overstijgen. Het vrije onderwijs zou in de 19de en 20ste eeuw een belangrijke rol krijgen in de ontwikkeling van het staatsbestel en de moderne Deense samenleving.

Geen toegangseisen

Nu nog ligt de focus van de efterskole op verlichtingsidealen als democratisch burgerschap, maatschappijkritiek, gemeenschapszin en de ontplooiing van het individu. Met welke vakken en onderwijsmethoden de vrije scholen die idealen willen overbrengen, is aan henzelf. Er zijn geen toegangseisen, er is geen vast curriculum en er worden geen officiële examens afgelegd.

“Elke efterskole heeft een eigen profiel”, legt Goos Iversen uit. “Sommige hebben een specifieke politieke, religieuze of pedagogische grondslag. Er zijn scholen die zich profileren met bijvoorbeeld conservatisme, het christendom, sport of theater.”

Het Baunehøj is niet gestoeld op een bepaalde stroming of activiteit, en voor een Deense kostschool is het curriculum vrij generiek. Alle leerlingen krijgen basisvakken als wiskunde, Deens en Engels. Daarnaast zijn er de (verplichte) praktische en thematische vakken als ‘van moestuin tot keuken’, schoonmaken en koken, burgerschap, democratie en koorzang. Elke scholier kiest bovendien een richting waar hij zich een jaar lang, vijf uur per week, in verdiept: paardrijden bijvoorbeeld, of ontwerpen, muziek, houtbewerking, theater, of friluftsliv (letterlijk ‘buitenluchtleven’). Tot slot zijn er facultatieve vakken zoals kajakken, yoga, mountainbiken en fotografie.

“Je komt hier niet om je cijfers op te halen”, zegt scholier Nellie (16), die samen met Otto (16) een rondleiding geeft over het terrein. “Je mag hier je examens overdoen als je niet tevreden was met je eindresultaten in de negende klas, maar het is niet verplicht.” In principe is deze tiende klas een extra jaar, het is niet noodzakelijk voor een vervolgopleiding. “Je gaat hier vooral heen voor het sociale aspect.”

Nellie en Otto (allebei 16).  Beeld
Nellie en Otto (allebei 16).

Zo’n kostschooljaar is een keuze – hoewel niet voor iedereen. Zowel instellingen als leerlingen ontvangen overheidssubsidies, maar desalniettemin is een jaar aan de efter­skole niet goedkoop. Een week Baunehøj kost 2500 Deense kroon, of ongeveer 335 euro, het schooljaar heeft 42 weken. Dat komt neer op een totaalbedrag van ruim 14.000 euro.

“Niemand betaalt het volle pond”, zegt Goos Iversen. Gemiddeld betalen ouders, afhankelijk van hun inkomen, tussen de 5000 en 9000 euro voor een kostschooljaar. De kosten voor een jaar efterskole zijn sinds het jaar 2000 bovendien met gemiddeld 75 procent gestegen. “Een systeem dat afhankelijk is van subsidies, is een onrechtvaardig systeem.”

Culturele verschillen

Zo heeft het Baunehøj volgens de directeur ‘een gigantisch probleem’ met het aantrekken van minderheden. “Vooral moslimkinderen hebben we hier zelden. Dat kan financiële redenen hebben, maar vaak is het ook ingegeven door culturele verschillen. In veel moslimgezinnen heerst een enorm taboe op je kinderen uit handen geven. Dat zou een teken zijn van je eigen onkunde.”

Nochtans probeert Goos Iversen keer op keer het gesprek aan te gaan. In de lente komt bijvoorbeeld een islamitische vrije school een kijkje nemen op het Baunehøj.

Tegelijkertijd, zegt de directeur er vlug achteraan, is een efterskole voor heel veel leerlingen wél toegankelijk. “Er loopt hier van alles rond, deze school is absoluut niet alleen weggelegd voor de meest bevoorrechte klasse.”

Dat neemt niet weg dat de private scholen de ongelijkheidskloof verbreden in een land dat zich voortstaat op zijn egalitaire onderwijssysteem. “Het is zo dat de Deense kostscholen tieners helpen bij hun identiteitsvorming”, zegt universitair hoofddocent aan de Roskilde Universiteit Ambrosius Madsen. “In een globaliserende wereld is het steeds moeilijker je eigen plek te vinden, waardoor veel efterskole-gangers een streepje voor hebben op de rest van de tieners.”

Nellie koos voor het Baunehøj vanwege het muzikale karakter. Otto kende iemand die op deze efterskole had gezeten die zei dat het best een goede school was. Bij de open dag, vertelt Otto, hadden ze hier taart gebakken en had het Baunehøj een betere indruk achtergelaten dan de andere scholen die hij had bezocht.

Maar hij wilde bovenal niet achterblijven bij zijn vrienden. Iedereen in zijn hoofdstedelijke kringen ging dit jaar naar een residentiële school. “Hier naartoe gaan voelde voor mij als een nieuwe start.”

Net de zeventiende eeuw

Er zijn negen woningen, vertelt Nellie, elk met tussen de acht en vijftien scholieren van dezelfde sekse. “De eerste weken mag je niet in de andere huizen komen. Het is de bedoeling dat je vertrouwd raakt met de groep jongeren en de mentor in jouw huis. In die periode zijn telefoons bovendien verboden, in sommige opzichten is het net de zeventiende eeuw.”

Nellie heeft net een nieuwe kamer en kamergenoot gekregen. “Mijn vorige huisgenoot en ik lagen elkaar slecht. Ik ben extravert, zij introvert. Niks ten nadele van haar hoor, maar het boterde gewoon niet zo.”

Ze toont haar nieuwe kamer, met uitzicht over zee. En bezaaid met kleren, sieraden, schriftjes, boeken en prullen. “In de paar dagen dat mijn nieuwe kamergenoot en ik hier samenwonen, hebben we al drie discussies gehad over haar troep.”

Muziek maken op de efterskole.  Beeld
Muziek maken op de efterskole.

Het is een niet ongecompliceerd maar essentieel aspect van de efter­skole: samenleven, solidariteit, je eigen identiteit en plek vinden binnen de grotere gemeenschap. Onenigheden hebben en die zo oplossen dat de situatie leefbaar blijft.

Elk van de huizen heeft, naast leerlingen, een zogenoemde huisleraar. Veel leraren wonen ook intern, en zijn meer dan een onderwijzer alleen: leerlingen en docenten leren, eten, spelen, zingen, praten en leven samen. “Mijn huisleraar is als een grote broer of ouder”, vertelt Otto. Nellie vond haar vertrouwenspersoon in leraar Emil: “We bespreken alles. Problemen in het huis, twijfels, opruimkwesties. Hij weet het als ik verdrietig ben.”

‘Blij om eindelijk weg te zijn’

Of ze hun ouderlijk huis missen? “Ik ben blij om eindelijk weg te zijn”, zegt Nellie. De meeste leerlingen gaan in het weekend naar huis, al hebben ze ook de optie op Baunehøj te blijven.

“Ik heb vaak zin om terug naar Kopenhagen te gaan”, zegt Otto. “Maar als ik eenmaal thuis ben, wil ik meteen weer terug naar school. Mijn ouders hebben altijd honderd vragen en willen in het weekend allemaal dingen ondernemen. Ik ben de hele week al zo sociaal geweest dat ik zaterdag en zondag het liefst alleen op mijn kamer zit.”

Naast het samenleven is ook een gedeeld ritme een centraal element. Vraag Goos Iversen naar de hoeveelheid vrije tijd van de leerlingen, en hij antwoordt: vrijheid zit in de gestructureerde gemeenschap, in Gemeinschaft. In de regelmaat en voorspelbaarheid van het gezamenlijke programma. De scholieren weten vrijwel exact wat ze morgen of, zeg, volgende week woensdag zullen doen.

“Alle dagen zijn weliswaar anders”, zegt Nellie, “met de ene dag een redelijk normale schooldag en de volgende dag weer een project zoals tijdens de theaterweek, de oogstweek, of de politieke utopieweek. Elk moment is volgepland met activiteiten. Er is amper tijd voor niks doen.”

Een gemiddelde, doordeweekse dag verloopt ongeveer als volgt: om zeven uur start het ontbijt. De leerlingen met ‘huisdienst’, waar iedereen één keer per week aan moet geloven, staan om half zeven al in de eetzaal om voorbereidingen te treffen. Om acht uur wordt er afgewassen en schoongemaakt. Om half negen wordt er een half uur gezamenlijk gezongen en vertelt een leerling of leraar ten overstaan van de hele school iets over zichzelf.

Dat zogeheten storytelling is van oudsher een uitgesproken efterskole-ritueel: het moet de jongeren helpen hun eigen stem te vinden, gevoelens uit te spreken en naar elkaar te luisteren. “Sommige leerlingen vertellen iets heel dramatisch”, vertelt Nellie. “Anderen sommen droogjes op wat ze in het weekend hebben gedaan.”

Vervolgens volgen de leerlingen vakken, met een ‘opfrispauze’ om tien uur en een lunchpauze om half een. Van een tot kwart voor twee maken ze alles weer aan kant, daarna heeft iedereen tot kwart voor vier nog les. Dan begint de wisselende middagactiviteit. Dat kan van alles zijn, van muziek maken tot een samenkomst over de schoolpolitiek. Om kwart over zes wordt er gedineerd, om zeven uur is er een uurtje ‘stiltetijd’ waarin de leerlingen zich terugtrekken in hun woonhuis. Rond acht uur begint vaak nog een avondprogramma, en om tien uur gaat het licht uit.

Vandaag is zo’n dag dat alles ietsjes anders gaat. De scholieren hebben geen les gehad, maar een toetsmoment. Volgens Nellie staat er niks op het spel; het is alleen een graadmeter van waar de jongeren nu staan. De middagactiviteit is een ‘fotosafari’, bedacht door leerlingen. Maar daarna zetten de vaste programmaonderdelen zich gewoon weer voort: zingen, koken, eten.

Otto heeft zichzelf zien veranderen. “Ik was heel verlegen en stil toen ik hier kwam. Inmiddels durf ik mezelf uit te drukken, het is ook onmogelijk je te verstoppen. Dag en nacht leef je met je vrienden en genieten we van ons jong-zijn. Ik zou willen dat dit jaar nooit voorbijging.”

Lees ook:

Lerarentekort? Neem een voorbeeld aan Denemarken

Ook Denemarken worstelt met een lerarentekort en heeft geen parttimers die meer zouden kunnen werken. Ze kozen voor een drastische maatregel om de werkdruk in de hand te houden. Dat is ook iets voor Nederland, oppert Johanna Popkema-van Bolhuis, intern begeleider in het basisonderwijs, in dit opiniestuk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden