Oorlogsgraven Myanmar

Een Dodenspoorlijn vol levende herinneringen

Het treinstation van Thanbyuzayat, waar de spoorlijn begon Beeld Ate Hoekstra

In Thailand steken iedere week tienduizenden mensen een spoorbrug over die in de Tweede Wereldoorlog door krijgsgevangenen is gebouwd. Minder bekend is dat er ook aan de Myanmarese zijde van de ‘Dodenspoorlijn’ duizenden krijgsgevangenen omkwamen. Onder hen 621 Nederlanders.

In het zuiden van Myanmar, het vroegere Burma, rijdt een kleine delegatie van de Commonwealth War Graves Commission (CWGC) op drie scooters over een smal pad dat door een rubberplantage leidt. Ze rijden over hobbelige zandpaden, door ondiepe waterplassen en langs lange rijen rubberbomen. Plotseling houdt de voorste scooter halt. De leider van het stel, Thet Mon, springt van het voertuig af. Hij snelt op sandalen het bos in, duwt takken en planten aan de kant en negeert de dikke rode mieren die bij zijn been omhoog kruipen. Midden in een drooggevallen sloot blijft hij staan. Hij wijst naar de restanten van vier houten palen; pijlers van een lang vergane spoorbrug. “Hier vlakbij was vroeger een kamp. De eerste Nederlanders die als krijgsgevangenen naar Burma kwamen, werden naar dit kamp gestuurd.”

Dat gebeurde in 1942. Hier was toen nog een dicht bedekt oerwoud waar Japan, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in een groot deel van Zuidoost-Azië heer en meester was, krijgsgevangenen naartoe stuurde om een spoorweg aan te leggen die Thailand met Burma moest verbinden, de zogenoemde ‘Dodenspoorlijn’. Tienduizenden mensen kwamen bij de aanleg om het leven.

Onder hen waren zo’n drieduizend Nederlanders. De meesten stierven in Thailand, waar wekelijks tienduizenden toeristen een beroemde brug oversteken die door krijgsgevangenen is gebouwd. Veel minder bekend is dat 621 Nederlanders aan de Burmese zijde van de spoorlijn omkwamen. Sommigen bezweken door een tropische ziekte, anderen door uitputting of omdat ze te zwaar werden afgeranseld door de Japanners. Ze werden aanvankelijk naast de spoorlijn begraven en zijn later herbegraven in Thanbyuzayat, enkele kilometers verwijderd van de plek waar een klein deel van een oude spoorbrug nog zichtbaar is.

Expert oorlogsgraven

“In het verleden zag je de restanten van de rails hier nog goed”, vertelt Mon vanuit de drooggevallen sloot. “Maar het wordt minder en minder. Na verloop van tijd vergaat het ­allemaal.” Mon werkt sinds 17 jaar voor de CWGC, die de erevelden van de Gemenebestlanden onderhoudt. Hij is een expert waar het gaat om oorlogsgraven in Myanmar. Sinds 2005 verwelkomde hij verscheidene Nederlandse delegaties in Thanbyuzayat.

Op de erevelden van Thanbyuzayat liggen meer dan 3600 krijgsgevangenen begraven. Beeld Ate Hoekstra

Mon wijst naar de witte grindsteentjes die tussen de planten liggen. Die lagen vroeger tussen de rails van de beruchte spoorlijn. Het zijn enkele van de laatste aanwijzingen van wat hier is gebeurd. Veel zichtbaarder is het ereveld waar de overleden krijgsgevangenen een laatste rustplaats kregen. Het gras is er groen en kortgeknipt. Bij de poort staat een houten kruis dat in de jaren ‘40 door spoorarbeiders is gemaakt om hun overleden collega’s te herdenken.

De begraafplaats wordt vooral gebruikt voor overledenen uit Gemenebestlanden als Engeland, Australië en Nieuw-Zeeland. Maar er is ook een sectie ingericht voor Nederland. Daar is onder meer de in Nederlands-Indië geboren Sijtje Jeekel begraven, een man die bij de marine en het Koninklijk Nederlands Indisch Leger heeft gediend. In 1942 werd Jeekel gevangengenomen en naar Burma verscheept. Volgens zijn grafsteen overleed soldaat S. Jeekel op 7 september 1943. Hij werd slechts 29 jaar oud.

Op zoek naar identiteit

“Ik was krap twee maanden oud toen hij verdween”, vertelt Jeekels zoon Sijtje Jeekel jr. per telefoon vanuit Middenmeer. “Pas in 1946 kreeg mijn moeder bericht van het Rode Kruis dat hij was overleden. Wij zaten daarvoor in een Jappenkamp (een door Japan in Nederlands-Indië opgezet interneringskamp waar burgers en soldaten werden vastgehouden, red.). Daar kregen we bijna geen informatie. Pas na de capitulatie was er ruimte voor vragen. Iedereen was iedereen kwijt.”

Na het overlijden van zijn moeder ging Jeekel jr. op zoek naar antwoorden. Hij wilde meer weten over zijn vader en diens trieste lot. Halverwege de jaren ‘80 ontvingen hij en zijn toenmalige echtgenote een foto van het graf van de Oorlogsgravenstichting. Het was het begin van een verdere zoektocht, die in 2007 en 2008 leidde naar Thanbyuzayat. Een eerder bezoek aan de oorlogsgraven was zo goed als onmogelijk. Myanmar was een militaire dictatuur. Er woedden gewapende conflicten. Een groot deel van het land gold als verboden terrein. “En ik moest wel voorzichtig zijn. Ik was onderofficier bij de marine. Stel dat Burma andere bedoelingen met mij had, dan was ik de klos geweest”, zegt Jeekel.

Het graf van Sijtje Jeekel. Beeld Ate Hoekstra

Pas toen hij 65 was stond de oud-marinier voor het eerst in zijn leven bij het graf van zijn vader. “Dat was een heel emotionele gebeurtenis. Want dan sta je daar, op dat grote ereveld, bij het graf. Voor je het weet is het te kort en is het voorbij. Daarom zijn we in 2008 teruggegaan.”

Voor Jeekel was het een zoektocht naar identiteit. “Mijn moeder zei altijd dat het een heel lieve man was, maar verder wisten we niet veel. Maar het ging natuurlijk wel om mijn vader en om vragen als: waar kom ik vandaan? Wie ben ik?”

Inmiddels is duidelijk dat de vader van Jeekel in december 1942 met de Nitimei Maru vanuit Singapore vertrok. Maar nog voor het Japanse schip Burma kon bereiken werd het gebombardeerd door geallieerde troepen. Het schip, waarop zo’n duizend Nederlandse krijgsgevangenen zaten, ging ten onder en 38 Nederlanders overleden. Jeekels vader werd opgepikt door een ander Japans schip en bereikte in januari 1943 alsnog de Burmese kust.

De jungle in

In Thanbyuzayat loopt Thet Mon het perron van het lokale treinstation op. Een paar mensen zitten er met grote winkeltassen te wachten op de volgende trein. Een hond loopt snuffelend rond. In de stationshal ligt de kaartjesverkoper op een houten bank te slapen. “Dit was het beginpunt van de Dodenspoorlijn”, vertelt Mon. Hij wijst in de richting van het Death Railway Museum dat in 2016 een paar kilometer verderop werd geopend. De eigenaars daarvan beweren dat de spoorlijn op exact die plek begon. Onterecht, aldus de Myanmar-directeur van de CWGC. “De lijn begon echt hier.”

Mon ging zelf jarenlang op onderzoek uit. Hij wilde alles weten over de Dodenspoorlijn en de dwangarbeiders die door Japan aan het werk werden gezet. Had hij een vrije dag, dan ging hij op zoek naar restanten van de spoorlijn. “Ik parkeerde mijn auto langs de kant van de weg en liep zo de jungle in. Internet hadden we hier nog niet, telefoons waren er nauwelijks. Tegenwoordig gaat het veel makkelijker. Nu gebruiken we gps-systemen om plattegronden te maken.”

Ruim zeventig jaar na de capitulatie van ­Japan is er veel meer bekend over de Dodenspoorlijn dan pakweg dertig jaar geleden. Toch zijn er nog altijd onopgeloste mysteries. Zo zijn er in Thanbyuzayat 127 krijgsgevangenen begraven wier identiteit onbekend is. Dat gebeurt overal waar krijgsgevangenen overlijden, vertelt Richard Hills, de Azië-, Afrika- en Stille Zuidzee-directeur van de CWGC. “Veel van hen blijven ongeïdentificeerd, soms duikt er nog bewijs op dat iemand in het gebied heeft gewerkt en is overleden. We weten dan de exacte begraaflocatie niet, maar we kunnen dan op het ereveld wel melden dat bijvoorbeeld ‘soldaat Smit’ op deze begraafplaats ligt.”

Wat is er met hem gebeurd?

In Myanmar komt daar nog bij dat sommige gebieden nog altijd als verboden terrein gelden, meestal omdat er een gewapend conflict heerst. Zo weet Thet Mon dat er bij de grens met Thailand nog zeker één buitenlandse soldaat onder de grond ligt. “Maar vaak is niet meer te zien waar mensen tijdens de oorlog zijn begraven. Het is 75 jaar geleden. Het is moeilijk ze nog te vinden.”

Thet Mon. Beeld Ate Hoekstra

Op het ereveld loopt Mon rond met een papiertje met Nederlandse namen. Hij wil meer weten. Niet alleen over hen die hier hun laatste rustplaats kregen. Maar ook over hen die uit de greep van de Japanners wisten te ontsnappen. “Wat is er bijvoorbeeld met deze man gebeurd? Met Knoester?”, vraagt hij zich hardop af. “Hij kwam in 1942 naar Burma en ontsnapte samen met een man genaamd Ferry Portier. Waar is hij gebleven?”

Van Portier en Knoester is bekend dat zij na hun vlucht werden opgenomen door de Karen, een etnische minderheidsgroep die in Myanmar aan de grens met Thailand woont. Samen met de Karen vochten zij tegen de Japanners en het Burmese leger. Portier keerde uiteindelijk terug naar Nederland. Maar Knoester? Mon vraagt zich nog altijd af hoe het met hem is afgelopen.

Oorlogskruis

Voor Sijtje Jeekel jr. is het verhaal inmiddels wel rond. Zijn vader kreeg zes jaar geleden postuum het Mobilisatie Oorlogskruis toegekend voor getoonde moed en dapperheid. Jeekel nam de onderscheiding namens zijn vader in ontvangst. Een ontzettend belangrijk moment, vertelt hij. “Het was erkenning voor mijn vader, een teken dat hij heeft bestaan.”

De oud-marinier voelt geen haat of woede jegens Japan of Indonesië voor wat in de jaren ‘40 is gebeurd. “Ik heb het geaccepteerd. Het was oorlog; het was nu eenmaal zo. We kunnen wel naar Japan wijzen, maar hoeveel schepen hebben de geallieerden wel niet gebombardeerd? Ik heb geen wroeging. Voor mij is het verhaal compleet.”

Wel hoopt Jeekel nog eens terug te gaan naar Thanbyuzayat, samen met zijn kleinkinderen. “Soms heb ik heimwee naar Burma”, vertelt hij. “Toen ik er was deed Burma mij denken aan mijn kindertijd. Al die bomen, de tropische vruchten, de geuren en de kleuren. Hoe de mensen er wonen en leven, en de enorme gastvrijheid: het deed me denken aan alle dingen die ik leuk vond in Indonesië.”

Dwangarbeid voor 424 kilometer spoor

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Japan heer en meester in grote delen van Azië. Om het Japanse leger in Myanmar beter te kunnen ondersteunen begon Japan in juni 1942 aan de bouw van een 424 kilometer lange spoorlijn van Thailand naar toenmalig Burma. De lijn liep over de heuvels van de Drie Pagoden Pas en dwars door het oerwoud.

Voor het aanleggen van de spoorlijn zette Japan dwangarbeiders in. Vanuit onder meer het huidige Indonesië en het huidige Maleisië werden tienduizenden krijgsgevangenen ingescheept, met name Britten, Australiërs, Indiërs, Amerikanen en Nederlanders. Naar schatting 13.000 van hen kwamen om bij het project, vaak als het gevolg van uitputting, ondervoeding, tropische ziekten en marteling. Nog vele malen hoger was het aantal lokale dwangarbeiders dat werd ingezet. Tussen de 80.000 en de 100.000 lokale burgers overleden.

In oktober 1943 werd de Dodenspoorlijn voltooid. Twee maanden later was de lijn operationeel. In Thailand is een klein deel van de lijn nog altijd in gebruik, met name voor de tienduizenden toeristen die wekelijks voor de beruchte spoorlijn afreizen naar Kanchanaburi. Daar is tevens de brug te vinden die centraal stond in de film ‘The Bridge on the River Kwai’.

Lees ook:

Wrede Japanners, koude Nederlanders; twee verhalen over de bezetting van Nederlands-Indië en wat daarna kwam

Japan capituleerde op 15 augustus 1945. Mensen die de Japanse bezetting van toenmalig Nederlands-Indië aan den lijve ondervonden, zijn er niet veel meer. Trouw sprak twee van hen.

‘Troostmeisje’ Jan Ruff-O’Herne (1923-2019) verbond haar lot aan dat van vrouwen in alle oorlogen

Mensenrechtenactiviste en voormalig ‘troostmeisje’ Jan Ruff-O’Herne overleed in augustus. Ze was de eerste Europese vrouw die vertelde over de georganiseerde verkrachtingen door Japanse militairen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden