In de bossen bij Sobibor staat bij een later gevonden massagraf een houten bord met de tekst ‘Ter nagedachtenis aan de Joden die hier rusten, vermoord tijdens de Holocaust’.

ReportageGrafschennis

De pijnlijke geschiedenis van de goudkoorts rond Sobibor: ‘Ze geven geen moer om wat hier gebeurd is’

In de bossen bij Sobibor staat bij een later gevonden massagraf een houten bord met de tekst ‘Ter nagedachtenis aan de Joden die hier rusten, vermoord tijdens de Holocaust’.Beeld Rosanne Kropman

Ver buiten de massagraven van Sobibor zijn grote hoeveelheden as en gewassen botsplinters gevonden. De vraag hoe om te gaan met dit verplaatste stuk van het massagraf staat zes jaar na de vondst nog open. Ondertussen gaat de zoektocht naar meer verplaatste menselijke resten verder.

Rosanne Kropman

De houthakker was al bijna aan het eind van zijn leven toen hij erover begon. Hij woonde net als Bartosz in Sobibor, een lintdorp op een paar kilometer van het vernietigingskamp in Oost-Polen, dat de nazi’s in 1943 tot de grond toe hadden laten afbreken om de massamoord die ze er hadden gepleegd te verhullen. Alles wat restte van de moordmachine waren de verkoolde botsplinters die op de plek van de massagraven door het gras staken, en een houten gebouw vlakbij het spoor waar de SS ingekwartierd zat.

Bartosz, een generatie jonger, had zijn oren gespitst toen de oude houthakker sprak over het goud van de Joden die er vermoord waren. De man was ongewoon loslippig geweest. “Hij noemde twee of drie plaatsen en zei dat de botten met vrachtwagens verplaatst werden”, herinnert Bartosz zich.

De man had zijn leven lang in deze bossen gewerkt, Bartosz twijfelde niet of het waar was. De houthakker had het ook over plekken bij de rivier, waar de as gezeefd en gewassen werd, in de hoop dat een gouden tand, een oorbel of ring zou blijven hangen in het raster van de zeef. “Voor zover ik weet was het bij de rivier in Tarasienka, zeven kilometer verderop, ook langs het spoor.”

Maar toen Bartosz doorvroeg – waar lagen die beenderen precies, wie had ze verplaatst? – was de houthakker steeds vager geworden in zijn antwoorden. “Ik denk dat hij de mensen kende die de botten verplaatst hadden, hij ontweek mijn vragen. Hij wist het, maar wilde het niet zeggen.”

Bartosz had in 2016 zijn rubberlaarzen aangetrokken en was het bos aan de andere kant van de sporen ingelopen. Hij wilde deze plekken vinden, het zou belangrijk zijn voor het archeologisch onderzoek dat op dat moment in Sobibor plaatsvond en waaraan hij meewerkte als arbeider voor het ruwe graafwerk.

Een van de grote taboes

De goudzoekerij in de massagraven was en is een van de grote taboes in de gebieden rond de drie vernietigingskampen Treblinka, Belzec en Sobibor. Erover spreken staat haaks op het dominante maar weinig waarheidsgetrouwe patriottistische narratief dat Polen framet als nobele slachtoffers van de nazi’s die de Joden probeerden te helpen zo veel als ze konden. Ook Bartosz is op zijn hoede, hij wil de plekken laten zien in het bos naast Sobibor, maar niet met zijn echte naam in de media om problemen met zijn dorpsgenoten of Staatsmuseum Majdanek, dat Sobibor beheert, te voorkomen.

Zorgvuldig ontwijkt hij de natte stukken tussen de kaarsrechte bomen, dit drassige veengebied wordt nog steeds gebruikt voor de houtproductie. Al is het ver in het voorjaar, het moeras rond Sobibor staat nog altijd vol water, maar nu heeft Bartosz geen laarzen aan. “Ja, hier naar beneden. Voorzichtig, we kunnen wel om dat water heen.”

Bartosz is ruim twintig jaar bij vernietigingskamp Sobibor betrokken, vertelt hij, bedachtzaam tussen de bomen doorstappend. “Het was geen idealisme, ik had gewoon werk nodig in 2000. Ik nam aan wat er was.” Toen begon de Poolse archeoloog Andrej Kola het eerste onderzoek in Sobibor, een bruusk project waarbij met grondboren 1800 gaten geboord werden op de plek waar Sobibor stond, en in de zes massagraven, om die in kaart te brengen. Bartosz was een van de arbeiders die geworven waren in het dorp om de gaten te maken.

Het rook afschuwelijk

“Al in het eerste jaar maakten wij die gaten en bereikten we een plek waar de nazi’s de lijken niet hadden verbrand. Ze gooiden de lichamen in diepe kuilen en gooiden er ongebluste kalk op. Laag op laag op laag. Het rook afschuwelijk. Met onze boren probeerden we erdoorheen te komen, en… het waren stapels botten. Onze boren begonnen door te buigen. We kwamen niet verder. Toen we de boor weer omhoog haalden, zat er een lange vlecht aan. Dat was voor het eerst dat ik me realiseerde dat het geen naamloze slachtoffers waren, of een statistiek. Het waren gewoon mensen. Ik was er hevig door geraakt, het veranderde mijn kijk op deze plek. Dat werd later onderstreept, toen we persoonlijke spullen opgroeven, vooral kinderspeelgoed raakte me. Dat hier kinderen zijn geweest, met hun moeders die ze getroost hebben, die hoop hebben gehouden tot het laatst. En dat hun levens zo bruut zijn afgenomen.”

Hij staat stil. “Wacht even, ik moet even nadenken. Het is lang geleden dat ik hier was. Ik denk dat we deze kant op moeten.”

In 2016 zocht Bartosz aanvankelijk dichter in de buurt van het water, maar de bosbodem leek overal hetzelfde: dorre bladeren op een laag compost. Wat hij zocht vond hij uiteindelijk dichter bij Sobibor dan hij had verwacht, op een paar honderd meter van de plek waar vroeger het laatste hek van het vernietigingskamp heeft gestaan. Tachtig jaar oude stukken roestige prikkeldraad zitten daar nog altijd vergroeid in de stam van de dennenbomen.

Wojciech Mazurek, Pools archeoloog,  leidt de opgravingen rond Sobibor. Beeld Rosanne Kropman
Wojciech Mazurek, Pools archeoloog, leidt de opgravingen rond Sobibor.Beeld Rosanne Kropman

“Ik wilde net teruggaan toen ik op een plek in het bos kwam waar wilde zwijnen hadden gewroet. Dankzij die zwijnen heb ik deze plek kunnen vinden, ze hadden op een paar vierkante meter de laag met bladeren omgewoeld. En toen zag ik het: verbrande botten, hopen. Niet groot, het waren vooral kleine splinters, van een, twee centimeter. En twee roestige schoppen, verstopt onder de begroeiing.”

Begraven kostbaarheden

Wanneer de as hier gebracht is, is onbekend. In de oorlog wist de bevolking al van dit afgelegen, arme stuk Polen dat hier kostbaarheden begraven lagen. Als ze bij de veewagons konden komen die stonden te wachten tot de trein het vernietigingskamp binnen gerangeerd werd, spoedden ze zich ernaartoe. Een horloge voor wat te eten, gouden munten voor een slok water. Vrouwen verhuurden hun lichaam in ruil voor de kostbaarheden die de Oekraïense bewakers meenamen uit Sobibor, schrijven Holocaust-onderzoekers Jan en Irena Gross in hun boek Golden Harvest.

Nadat de nazi’s zich hadden teruggetrokken, kwamen omwonenden met scheppen en zeven om door de as te gaan. Tot in de jaren tachtig werden er mensen opgepakt, blijkt uit lokale politierapporten. Rond Sobibor doet het verhaal de ronde dat vlak na de oorlog tot bijna honderd man tegelijk hadden gezocht naar kostbaarheden. De straffen waren kort, als de politie al iets deed om het verbod op grafschennis te handhaven.

De onverschillige houding van zijn dorpsgenoten ten aanzien van het vernietigingskamp, ook nu nog, verbaast Bartosz. “Ze geven geen moer om wat hier gebeurd is. De meeste mensen die hier wonen zijn nog nooit in het museum geweest. Ze verdiepen zich er niet in, terwijl ze op een plek wonen… misschien moet ik het niet zeggen, omdat ik hier woon, maar ik snap het gewoon niet. Het zijn religieuze mensen die naar de kerk gaan. Dan zouden ze toch meer gevoel bij deze plek moeten hebben? Maar het lijkt wel het tegenovergestelde.”

Bartosz vertraagt zijn pas door de ritselende dorre bladeren. “We zijn er bijna.”

Voor een omgevallen hek houdt Bartosz halt. “Wat ziet het er hier vreselijk uit. Het was hier netjes afgehekt.” Stukjes door de zon verbleekt afzetlint hangen nog aan het ijzerdraad dat een cirkel met een doorsnee van een meter of tien had moeten afsluiten. Ernaast staat een houten bordje dat wel stand heeft gehouden in de drassige bodem in een bos vol dieren. Zes jaar terug, bij de ontdekking, plaatste een rabbijn het bord met de tekst ‘Ter nagedachtenis aan de Joden die hier rusten, vermoord tijdens de Holocaust’.

De botten liggen overal

De grafheuvel is slechts een hobbel, die ook gevormd zou kunnen zijn door de elementen, op ruim een kilometer verwijderd van de landweg die naar het herinneringscentrum voert. Het is er stil, met alleen de geluiden van het bos. “Zie je die brandnetels op dat heuveltje?” vraagt Bartosz. Nog laag bij de grond steken ze onder een boomstam uit, en bedekken een cirkel van een doorsnee van een meter of tien. “Deze plant groeit in dit bos alleen op plekken waar beenderen liggen. Als je de bladeren weg zou halen zie je het meteen, de botten liggen overal.”

Het waren de brandnetels die Bartosz ook naar de tweede en derde asheuvels leidden, enkele honderden meters verderop in het bos. De tweede plek is nog groter dan het heuveltje waar het bordje bij staat. In een cirkel van 15 meter is ook hier het hek ingestort. Ook hier steken brandnetels boven de bladeren uit. Het water van het moeras staat hier nog in de cirkel, waardoor de botsplinters seizoen na seizoen verder verspreid raken. “Het is te nat, maar verderop is nog een plek, kleiner dan deze. Maar daar kunnen we nu niet naartoe vanwege het water.”

De Poolse hemel is strakblauw, het is windstil, imposant reiken de hoge sparren, eiken en berken naar boven. Wie niet weet wat er onder de bladeren zit, zal het een idyllische plek vinden. “Zo zijn die dingen,” zegt Bartosz. “Icarus bouwde zijn eigen vleugels, maar stortte ter aarde. Een boer zag hem vallen toen hij zijn akker omploegde. De boer keek toe hoe Icarus stierf en ging door met ploegen. Tragedies vermengen zich met het alledaagse.”

In het moerassige bos groeien de brandnetels alleen op de plekken waar menselijke resten begraven liggen. Beeld Rosanne Kropman
In het moerassige bos groeien de brandnetels alleen op de plekken waar menselijke resten begraven liggen.Beeld Rosanne Kropman

Toen Bartosz zijn melding deed bij het museum werd dat hem niet in dank afgenomen, herinnert hij zich. Alsof hij de rust verstoord had met zijn vondst. “Eerst was er paniek, alsof er een bom was afgegaan. Ik merkte een soort vijandigheid naar mij toe. Ik snap dat niet goed, maar ze zagen het vooral als een probleem.” Hij knikt naar het omgevallen hek op de vergeten plek. “Je ziet hier het enthousiasme.”

Een pijnlijke geschiedenis

Voor Polen is dit een pijnlijke geschiedenis, zegt Wojciech Mazurek, de Poolse archeoloog die de opgravingen sinds 2007 leidt en Bartosz aanspoorde om te zoeken naar de plekken die de oude houthakker had genoemd. Hij wacht aan de bosrand, een pijnlijk been na een dag tuinieren in zijn moestuin heeft hem ervan weerhouden mee het bos in te lopen.

De verhalen waren er altijd al, maar door het werk van de archeologen is nu ook de schaal van de goudroof steeds duidelijker, door de kuilen in de grond op de plek waar ze onderzoek deden, een leeggeschept massagraf en sinds 2016 dus de asplekken buiten het kampterrein. Al wordt dat niet aan de grote klok gehangen. In het herinneringscentrum wordt geen melding gemaakt van de goudkoorts rond Sobibor na de oorlog. De tentoonstelling gaat vooral over de archeologische vondsten die te koppelen zijn aan de 170.000 tot 250.000 mensen die tussen 1941 en 1943 vermoord werden in Sobibor.

Mazurek vindt het toch belangrijk om door te zoeken naar de verplaatste as en botresten uit de massagraven, zowel in het bos als erbuiten, al zijn de aanknopingspunten schaars. “Waarschijnlijk zijn er wel meer plekken.” Afgelopen voorjaar zocht hij al bij het riviertje dat de houthakker – inmiddels overleden – genoemd had, maar vond niets. “Het was overwoekerd, maar het zou ook kunnen dat de rivier de botresten heeft meegenomen.” Het moet hier een soort kleine goudkoorts geweest zijn, dat is nu eenmaal onderdeel van de geschiedenis van deze plek, verzucht Mazurek. Maar negeren kan niet. “Blootleggen, documenteren, erkennen dat het er nu eenmaal is, dat is de beste manier om ermee om te gaan.”

Wie bekommert zich om de as?

Bij de herinrichting van Sobibor, waar al ruim tien jaar aan gewerkt wordt, werden de massagraven afgedekt met een laag witte stenen zodat dier noch mens de graven nog kon verstoren. De as in het bos ligt echter buiten het kampterrein, en valt dus niet onder het grondgebied van Staatsmuseum Majdanek. Het museum is dus niet de enige belanghebbende die hierin een besluit of initiatief kan nemen. Ook de regio Wlodawa-Lublin, die samen met de houthakkerij van Sobibor het gebied beheert, is partij.

Volgens de Joodse wet, de Halacha, dienen Joodse graven met rust gelaten te worden, as verplaatsen is dus geen optie. En dan is er nog het probleem van het water, dat seizoen na seizoen de menselijke resten verder uitspoelt. Voor een gedenkteken zou de plek droog gemaakt moeten worden, maar hoe? Stichting Sobibor en de provincie Gelderland, die ieder jaar een reis voor scholieren naar Sobibor organiseert, hebben aangeboden te helpen, maar vanuit Polen is er nog geen vraag gekomen om actie te ondernemen. Staatsmuseum Majdanek mailt terug dat het niet kan reageren, omdat de menselijke resten buiten zijn terrein liggen.

Dit verhaal is mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.

Correctie 10-06-2022: In een eerdere versie stond dat de Joodse wet de Haggadah is, maar het is de Halacha.

Lees ook:

De Zielinski’s wonen in voormalig vernietigingskamp Sobibor, maar het deert ze niet

Een groot groen houten huis is het enige gebouw dat nog overeind staat van vernietigingskamp Sobibor. Er woont een Pools echtpaar dat zo min mogelijk te maken wil hebben met het verleden, al vinden ze Nederlandse munten in de tuin.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden