Opstandelingen in de straten van Warschau.

Interview Verzet WOII

De jonge Poolse strijders waren geen partij voor de Duitse oorlogsmachine

Opstandelingen in de straten van Warschau. Beeld AFP

De opstand van Warschau tegen de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog, 1 augustus precies 75 jaar geleden, was een kansloze missie. Twee van de laatste nog overlevende strijders vertellen waarom ze meededen. ‘Velen sneuvelden, maar wij zagen dat als onze plicht.’

Geen gebeurtenis uit de Poolse geschiedenis is zo controversieel als de opstand van Warschau. Donderdag, 1 augustus, is het 75 jaar geleden dat de leiding van het Poolse ondergrondse leger het signaal gaf om de stad te bevrijden uit handen van de Duitsers. Het draaide uit op een catastrofe. Spijt hebben ze niet, de mannen van negentig-plus, de laatsten die nog kunnen navertellen hoe ze in de zomer van 1944 ongeduldig wachtten op ‘het uur W’, het startsein voor de strijd.

“We waren voorbereid en we wilden vechten, dus toen het bevel kwam, gingen we”, vertelt Zbigniew Galperyn (91). “Telefoons waren er niet, er ging zo’n meisje, een koerier, van huis naar huis met de oproep.” Hij was zestien toen hij naar het verzamelpunt kwam. 

De opstand hing al lange tijd in de lucht. “We zagen dat de Duitsers zich terugtrokken; kapotte uniformen, sommigen gewond, ongeschoren. Dat was een heel ander leger dan de Duitsers die in 1939 Polen binnenmarcheerden. Je zag dat ze op de vlucht waren.” Het tij leek gunstig: het Rode Leger naderde, de Duitsers vluchtten en de jeugd wilde vijf jaar bezetting wreken. “De Duitse terreur was hier van een andere orde dan in andere landen. Executies, gewoon op straat, dat had je alleen in Polen. We hadden genoeg van de exe­cuties, de razzia’s. In elke familie waren er slachtoffers.” 

Galperyn was net als honderden ­andere jongens ondergronds geschoold in het hanteren van wapens. “De lessen waren in privéwoningen. Soms bracht iemand een pistool of een geweer mee en dan leerde je hoe je die uit elkaar moest halen en weer in elkaar moest zetten.” Soms was er schietles in de bossen buiten Warschau. “We leerden hoe ver huizen of bomen verwijderd waren, want we hadden geweren waarop je de afstand moest instellen. Op 400 meter moest je anders schieten dan op 100 meter.” 

De slecht bewapende jongeren waren geen partij voor de Duitse oorlogsmachine. “We hadden armbanden met de Poolse vlag om. Een deel van ons was gewapend, sommigen hadden alleen granaten, of een pistool, of helemaal niets.” Aanvankelijk wisten ze de Duitsers te verrassen. “Ik werd naar de wijk Wola gestuurd. Onze belangrijkste taak was het innemen van de zogenoemde Nordwache. De ramen waren met netten beveiligd, zodat je geen granaat naar binnen kon gooien en voor de ingang lag een bunker vanwaaruit de Duitsers de hele straat onder vuur konden nemen.”

Warschau lag in puin na de opstand van 1944. Beeld Reuters

De jonge Polen voerden een frontale aanval uit die mislukte. “Pas de derde dag slaagden we erin die bunker te veroveren. Eerst namen we het huis ernaast in en daarna veroverden we het gebouw vanaf het dak omlaag, verdieping na verdieping.” Hij zag zijn eerste dode Duitser. “Een opstandeling schoot hem neer en sleurde hem daarna aan zijn been over straat. Zonder helm. Het hoofd stuiterde over de keien.” Hij schudt zijn hoofd: “Het was niet nodig om op zo’n manier wraak te nemen”.

Het ergste moest toen nog komen. De vreugdestemming in de wijk Wola sloeg na een paar dagen om in angst. De Duitsers kwamen terug en richtten een massaslachting aan. “We hoorden dat ze burgers executeerden, maar wat konden we doen? We moesten Wola verlaten en ons terugtrekken in de nacht van 7 op 8 augustus, hongerig, moe, uitgeput door de gevechten”, vertelt hij. “Het pijnlijkste voor ons als soldaten – we hadden immers de eed afgelegd – was dat de mensen kwaad op ons waren: jullie gaan weg en leveren ons uit aan de Duitsers.” Dagelijks vermoordden de Duitsers duizenden mannen, vrouwen en kinderen in de heroverde buitenwijk. De slachting van Wola was de grootste moord op de Poolse burgerbevolking tijdens de oorlog. De zestienjarige Galperyn vocht nog twee weken door, toen was de munitie op. “Eén ­kogel, één Duitser, luidde het devies.” De vijand had munitie genoeg. “Wij trokken ons terug. De sergeant voor me werd getroffen in de arm en zijn helm viel op de grond. Ik struikelde over die helm. Tijdens mijn val werd ik door een kogel in mijn been getroffen. Mijn vrienden sleurden me mee naar een ­veilige plek. Dat was voor mij het einde van de opstand.”

Eugeniusz Tyrajski (93) had toen nog een maand vechten te gaan. Hij begreep direct na de eerste dag dat ze kansloos waren. Hij was twee jaar ouder dan Galperyn en vocht in een ander deel van de stad. “De gemiddelde levensverwachting voor Poolse mannen is 74 jaar. Ik ben 93, dus al negentien jaar over de houdbaarheidsdatum”, grapt hij in het hoofdkwartier van de veteranenvereniging. De ramen staan wijd open. Buiten, in de zomerhitte, maakt een handvol toeristen selfies bij de grote, bronzen beelden van het monument voor de opstand.

Monument voor de opstand van Warschau. Beeld Colourbox

Tyrajski was achttien toen de opstand uitbrak en had in de jaren daarvoor de illegale cadettenopleiding doorlopen. Als ondercommandant voerde hij het bevel over vijftien jongens. Na een dag vechten waren dat er nog maar negen. Aanvankelijk wisten ze de renbaan te veroveren waar de Duitse cavalerie was ondergebracht. “De Duitsers waren volledig verrast en sloegen op de vlucht.”

De vreugde hier was van nog kortere duur dan in de wijk Wola. Al na een paar uur kwam de vijand terug. “Die renbaan was een groot veld. Toen de Duitsers daar een machinegeweer op zetten, waren de verliezen enorm. We wisten door onze scholing dat we niet moesten rennen, maar kruipen. Dan is de kans dat je geraakt wordt kleiner.” Zijn eenheid kwam de klap niet te boven: “Zes man, ruim 40 procent, direct op de ­eerste dag.”

De slag om de renbaan liet zien hoe de verhoudingen lagen: de Duitsers waren talrijker en veel beter bewapend. “Ik begreep dat het slecht zou aflopen, maar ik deed mijn mond natuurlijk niet open.” Hij trok zich met de restanten van zijn eenheid ­terug in Mokotow, de wijk die bijna tot het einde van de opstand doorvocht.

Op de vraag of de strijd zin had, vallen beide mannen stil. Uiteindelijk zegt Galperyn: “Het besluit was al omstreden toen het werd genomen, maar wanneer had de opstand dan moeten beginnen? Eerder? Later? Er was geen goed moment. De legerleiding had niet de ­informatie die wij nu hebben. Ze wisten dat het Rode Leger naderde, dat de Duitsers Warschau wilden ombouwen tot een vesting, dat er 100.000 mannen werden opgeroepen om de stad te versterken en dat er mogelijk represailles zouden komen. Dat allemaal bij elkaar maakte dat ze deze beslissing moesten nemen.”

Tyrajski sluit zich daarbij aan: “Het is heel moeilijk een oordeel te vellen. Het hangt ervan af van welke kant je ernaar kijkt.” Hij wijst erop dat de generatie geboren na 1918, het jaar waarin Polen weer op de kaart van Europa verscheen, was opgevoed met het idee dat de onafhankelijkheid met de wapens moest worden veroverd. “Ik was patriottisch opgevoed. Mijn vader vocht in 1919 en 1920 tegen de bolsjewieken. Daar werd thuis veel over gepraat. Je was erop voorbereid dat je hetzelfde zou doen als je vader.”

Stellig concludeert hij: “De jeugd wilde laten zien dat ze wilde vechten voor het vaderland. Velen sneuvelden, maar wij zagen dat als onze plicht.”

De opstand van Warschau, een omstreden beslissing

Op 1 augustus 1944 brak in Warschau een opstand uit tegen de Duitse ­bezetters. De leiding van het ondergrondse leger (AK) en de Poolse ­regering in Londen gingen ervan uit dat het oprukkende Rode Leger de Duitsers zou verjagen. Door hun eigen hoofdstad te bevrijden, wilden ze voorkomen dat de Russen de baas zouden worden in hun land.

De AK-leiding meende dat de Russen de Wijssel (Wisla in het Pools) zouden oversteken, de rivier die Warschau in tweeën deelt. Die informatie bleek niet te kloppen. Daarnaast gaven ze gehoor aan de wil om te vechten, die bij veel jongeren met de dag sterker werd.

De beslissing leidde tot een bloedbad. Tijdens de 63 dagen die de opstand duurde, kwamen naar schatting 200.000 mensen om, evenveel als in heel Nederland gedurende de hele Tweede Wereldoorlog. Van hen was 90 procent burger. Na het neerslaan van de opstand deporteerden de Duitsers de overgebleven inwoners en bliezen huis na huis op.

De opstand was van meet af aan omstreden. Militair was hij gericht tegen de Duitsers, maar politiek tegen de Sovjets. Sovjet-dictator Jozef Stalin kwam de Polen niet te hulp. Poolse soldaten die met het Rode Leger vochten, moesten toekijken hoe aan de andere kant van de rivier Warschau in een ruïne veranderde.

“De Sovjets hadden er belang bij dat Warschau werd verwoest. Het kwam ze goed uit dat daar geen Sovjet-­kanon of -bom aan te pas hoefde te komen”, concludeerde de conservatieve schrijver Stanislaw Cat-Mackiewicz. “Pools patriottisme is als dom dynamiet. Eén provocatie en het ontploft alsof je er een lucifer bij houdt.”

Het hoofd van de Poolse strijdkrachten, generaal Kazimierz Sosnkowski, waarschuwde al in juli 1944: “Het idee om een gewapende opstand te beginnen, is een ondoordachte ­reflex, die politiek zinloos is en tragische gevolgen en onnodige slacht­offers tot gevolg kan hebben.” Toen de gevechten waren losgebarsten, steunde hij de opstand wel. Generaal Wladyslaw Anders, die de Poolse troepen aan het westfront leidde, bleef kritisch: “Het ontketenen van de opstand is een ernstige misdaad en ik vraag me af wie daarvoor de verantwoordelijkheid gaat dragen.”

Een open discussie over zin en onzin van de opstand was pas mogelijk na de val van het communisme in 1989. De afgelopen jaren is ‘Warschau 44’ uitgegroeid tot een icoon in de Poolse popcultuur. Opstandelingensymboliek verschijnt op bumperstickers, in graffiti en op kleding. Als symbool van Pools heldendom staat de opstand centraal in de geschiedenis­politiek van politici die pleiten voor meer ‘patriottisme’. In 2004 opende een van hen, burgemeester Lech Kaczynski, een museum voor de ­opstand.

Lees ook:

Laatste strijder van de Joodse opstand in het getto van Warschau overleden

In Jeruzalem is zaterdag Simcha Rotem overleden, de laatst levende strijder die in de Tweede Wereldoorlog aan de Joodse opstand in het getto van Warschau had deelgenomen. Dit meldt de Times of Israel. Rotem is 94 jaar geworden.

Onschuldcomplex leidt in Polen tot infantiele moraal

Oost-Europa heeft zwaar geleden, jawel. Veel landen in de regio lijden nu aan een slachtoffercomplex. Wie de vermoorde onschuld speelt, ontbeert inzicht in eigen falen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden