Beeld RV

De MegastadShanghai

De Chinese megastad die door het virus geen megastad meer is

Weer curry. Als dit allemaal voorbij is, kan ik geen palak paneer meer zien. Alleen de keuken van een Indiaas restaurant is nog open, en bezorgt eten. Mijn megastad verloor de afgelopen weken haar luister. De brede straten zijn er nog, maar er rijdt, fietst of loopt niemand. De restaurants en winkeltjes zijn er nog, maar ze zijn verzegeld. Voor de ingang van de parken is een lint gespannen en de winkelcentra houden de draaideuren gesloten.

Als ik ’s ochtends opsta hoor ik vogels fluiten. Als ik ’s avonds laat naar huis fiets, zegt alleen de beveiliger me gedag. “Jiaban ma? Heb je weer overgewerkt?”, vraagt hij terwijl hij zijn thermometer tegen mijn hoofd zet. Het schept een band, wij met z’n tweeën buiten, terwijl iedereen binnen zit, bang voor het nieuwe coronavirus.

De eerste weken mis ik de luxe. De waaier van restaurants waar ik een paar keer per week uit eten ga – voor hetzelfde bedrag als voor een zelf gekookte maaltijd. Scholen, bioscopen, parken en musea zijn ook dicht. Mijn man en kinderen stuur ik naar Nederland omdat het daar nu leuker is.

Wonder boven wonder mag ik mijn kantoor nog in. Met collega’s deel ik een appartement dat is ingericht als werkruimte. De beveiligers kunnen het ons lastig maken, omdat we er niet wonen. De regels zijn onduidelijk, en worden met de dag strenger. Maar de mannen aan de poort kennen me; zo is de megastad opeens net een dorp. Met een glimlach en een grap rijd ik iedere dag tóch weer het terrein op.

Vijf weken duurt de lockdown nu, en ondertussen begint het knap vervelend te worden. Niet alleen omdat ik een paar keer per week lunch met palak paneer - al smacht ik naar de jiaozi (dumplings) van het stalletje op de hoek. Vooral omdat de luidsprekers van mijn computer gerepareerd moeten worden, en ik nieuwe sokken nodig heb. En ik begin mijn spieren te voelen, die al een tijdje niet meer écht in actie zijn geweest.

Alleen bij de supermarkten brandt licht, dezer dagen. De regering houdt ze aangevuld en open, want regel één in een autoritair regime zoals het Chinese: zorg dat het volk genoeg te eten heeft. Op sociale media komen prachtige foto’s langs van gerechten. Stadsmensen zijn opeens zelf gaan koken.

Wat ik mis zijn de dingen die zo normaal waren dat ze niet meer opvielen. De hoog opgeladen bakfietsen vol oud ijzer, de straatruzietjes, de buurvrouw die vissen schoonmaakt op de stoep, of haar poedel in een karretje rondrijdt.

Nu dat soort dingen de gedachten in mijn hoofd niet meer doorbreken, blijf ik malen. Bang voor het nieuwe coronavirus ben ik niet. Nou ja, heel even. Toen ik begon te hoesten en ik het – al dan niet van de zenuwen – even heel warm kreeg. Hoe moet dit verder? Wat gaan we doen? Is er überhaupt een plan?

De regering wil dat de Chinezen weer aan het werk gaan, maar de angst is er nog. Toch kwamen met de zonnestralen van afgelopen weekend de eerste mensen naar buiten. Het leven is nog niet zoals het was, maar er is tenminste weer wat reuring.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden