Twee Chinese kinderen luisteren geboeid naar Scott Rozelle.

InterviewScott Rozelle

China heeft volgens deze econoom niet méér kinderen nodig, maar slimmere kinderen

Twee Chinese kinderen luisteren geboeid naar Scott Rozelle.Beeld Eefje Rammeloo

Binnen een paar jaar krimpt de Chinese bevolking en blijven te weinig mensen over om de economie te laten draaien. Dan kun je de Chinezen verleiden meer kinderen te krijgen, of je kunt zorgen dat ze slimmere kinderen krijgen. Dat is de boodschap van ontwikkelingseconoom Scott Rozelle.

Jarenlang waren er heel weinig jonge mannen te vinden in een gemiddeld Chinees dorp. Leeg was het er. En stil. Iedereen was in de stad om geld te verdienen voor hun achtergebleven familie. Maar nu duiken ze weer op – ze hangen op pleintjes, in de schaduw van bomen, en roken een sigaret terwijl ze met de buurman kletsen. Banen in de bouw zijn er minder, schoenen, speelgoed en kerstmisdecoraties maken ze in Vietnam goedkoper, net als televisies en autoradio’s.

De fabrieken die overblijven gebruiken steeds vaker robots, en de ongeschoolde arbeiders die in de hoogtijdagen van de Chinese maakindustrie aan de lopende band stonden, verliezen hun baan. Ze missen de vaardigheden om de robots te bedienen, maar boeren zoals vroeger willen ze ook niet meer. Het levert te weinig op en vaak weten ze niet eens meer hoe dat moet, een stuk land bewerken. Het alternatief, een baantje als maaltijdbezorger of schoonmaker betaalt slecht en heeft weinig aanzien.

De Chinese economie groeit nog steeds, maar minder hard. Ze stabiliseert en moderniseert, en dat levert een enorm probleem op. “Tweehonderd tot driehonderd miljoen mensen, met hun familie erbij zelfs zeshonderd miljoen mensen zijn binnen afzienbare tijd structureel niet inzetbaar”, zegt de Amerikaanse ontwikkelingseconoom Scott Rozelle. “Het is gevaarlijk als die ontdekken dat het leven niet meer almaar beter wordt.”

Binnen één generatie ging China van ontwikkelingsland naar een land vol middeninkomens. Dat is ongekend snel, en buiten de grote steden houden mensen het tempo niet bij. China moet investeren in menselijk kapitaal, schrijft Rozelle in zijn boek Invisible China. Statistieken laten zien dat ieder land dat de route van laag- naar middeninkomenland succesvol wist af te leggen, groots investeerde in onderwijs. Dat maakt het verschil tussen Taiwan, Israël en Zuid-Korea aan de ene kant van het spectrum, en het stagnerende Zuid-Afrika en Mexico aan de andere kant. “Een hoogopgeleide bevolking was de laatste ladder die deze landen nodig hadden om de status van hooginkomenland te bereiken.”

Scott Rozelle is niet de eerste de beste China-wetenschapper. Hij spreekt vloeiend Chinees, en zag met eigen ogen hoe het platteland zich sinds de jaren tachtig ontwikkelde – of eigenlijk: niet ontwikkelde, want de kloof tussen stad en platteland werd alleen maar groter. Als de regering niet snel ingrijpt, kan daar weleens een penibele situatie ontstaan, toont hij aan in zijn erg toegankelijke, maar nog niet in het Nederlands vertaalde boek.

Een forse last voor de elite

Die kloof zie je vooral in de praktijk, want de percentages klinken prachtig. Tussen 2010 en 2020 steeg het aantal Chinezen met een universitaire opleiding van 8,9 naar maar liefst 15,4 procent. Veel belangrijker echter zijn de mensen, 70 procent van de werkzame bevolking, die sinds hun vijftiende niet meer naar school gingen. Dat zadelt de Chinese elite op met een forse last. Het piepkleine deel van de bevolking dat universitair is opgeleid en meedoet aan de creatieve, innovatieve kenniseconomie van de toekomst, moet een gigantische zwik mensen onderhouden die straks werkloos is.

In zijn boek beschrijft Rozelle de situatie waarin een werkloze fabrieksarbeider op een banenmarkt probeert te solliciteren op een baantje op een financiële administratie. Hij krijgt een tekst te lezen die hij met alle macht probeert te ontcijferen. De wanhopige man weet wat de karakters betekenen, maar wat stáát er nu precies?

Hij begon net als miljoenen Chinezen van het platteland op zijn vijftiende met fabriekswerk. De bovenbouw van de middelbare school is alleen voor uitblinkers en kost geld. In plaats daarvan kunnen jongeren ook ‘een vak leren’ op een praktijkschool, maar dat stelt weinig voor. Het vak dat ze leren is vaak snel achterhaald: een beeldbuistelevisie repareren bijvoorbeeld, terwijl er inmiddels overal flatscreens hangen. “Het is prima als ze naar een praktijkschool gaan, maar dan moet je ze daar ook andere dingen leren”, zegt Rozelle via een Skypeverbinding vanuit Californië, waar hij doceert aan de Stanford Universiteit. Hij baalt dat hij sinds eind 2019 door de epidemie China niet meer in mag. Daarvóór was hij er meerdere keren per jaar. “Mensen op het platteland, arm en onopgeleid, profiteren niet van de digitale economie. Zij rijden rond om eten te bezorgen, zijn beveiligers of schoonmakers. Ze hebben misschien een klein eetstalletje, maar ze zijn geen ondernemers met een website. Dat vergt meer. Menselijk kapitaal. Je moet in staat zijn te schrijven en met een computer en met mensen kunnen omgaan.”

Rozelle wijst naar Duitsland, dat net als China een systeem met praktijkscholen heeft. Maar het curriculum bestaat daar voor 80 procent uit theoretische vakken, in China is dat 20 procent. Die theorie leert jongeren een vak te leren – welk vak dan ook. Als benzinemotoren dan massaal worden vervangen door elektromotoren, dan is die draai met wat bijscholing makkelijker te maken.

‘Ik denk dat China een verzekering moet nemen door in haar kinderen te investeren’, zegt ontwikkelingseconoom Scott Rozelle. Beeld Eefje Rammeloo
‘Ik denk dat China een verzekering moet nemen door in haar kinderen te investeren’, zegt ontwikkelingseconoom Scott Rozelle.Beeld Eefje Rammeloo

Peking doet er wel íets aan, zo investeert de regering tegenwoordig meer in onderwijs. Chinese kinderen mogen nu tot hun vijftiende gratis naar school. Maar bij bezoekjes aan plattelandsscholen merkte Rozelle dat de kinderen nauwelijks iets opstaken. Hij zag ze futloos op bankjes hangen tijdens de pauzes. De reden was erg vaak ­fysiek en eenvoudig op te lossen. Onder­voeding bijvoorbeeld: een pil met multivitaminen per dag helpt al. Een brilletje voor de miljoenen kinderen met slechte ogen. Of een medicijn dat kinderen afhelpt van de parasieten in hun buik. “Veel mensen vinden het doodnormaal om dat voor hun varkens te doen, maar niet voor hun kinderen.” Terwijl het toch geen overbodige luxe is op het platteland, waar oma naar de wc gaat en daarna zonder handenwassen de groenten voor het eten snijdt.

De sleutel ligt in babynomics

Chinese plattelandskinderen blijven op allerlei manieren achter in hun ontwikkeling. Eén element ligt Rozelle bijzonder na aan het hart. De baby’s. “Als je het tussen nul en drie niet goed doet, gaat het hele verdere leven niet goed. De Chinezen weten dat, ze hebben een geweldig gezegde: San sui, kan lao. Geef mij een driejarige, en ik zie zijn toekomst.” Het is het laatste hoofdstuk uit Rozelle’s boek, zijn decennialange onderzoek leidde tot deze allesomvattende conclusie die China kan redden van een dreigende ondergang. “Babynomics”, noemt hij het: de ontwikkeling van nul tot driejarigen is de fundering voor al het latere onderwijs.

Rozelle doorkruiste China’s achterland en zat op zijn hurken bij honderden sceptische boerenfamilies. Intelligentietesten die hij met zijn team afnam, de Bayleytest die speciaal voor baby’s is ontwikkeld, wezen uit dat 53 procent van de plattelandsbaby’s een ontwikkelingsachterstand heeft, tegen 5 tot 13 procent van de stadsbaby’s. “Ze zijn dol op hun kinderen. Bijna alle moeders willen dat hun kinderen doorleren. Maar dat doet slechts een derde, want tegen de tijd dat ze naar de middelbare school gaan, vallen ze uit. Dat komt omdat ze hun kind opvoeden alsof het een boer moet worden. Je houdt het kind veilig, zorgt dat het sterk is, en dat het niet doodgaat. Dat doen mensen al vijfduizend jaar. Maar nu moet je ze cognitief stimuleren. Je moet ze voorlezen, verhaal­tjes vertellen, werken aan hun taalvermogen. Maar de families hebben geen idee wat ze zouden moeten doen.”

Rozelle vertelt over de schoonmoeders die hun dochters op hun kop geven omdat ze hun zoontje voorlezen. De baby kan immers nog niet lezen. Of, een veelgehoord commentaar: waarom zou je tegen je peuter praten als die nog niets terugzegt? En het programma omvat meer dan alleen voorlezen. Moeders rollen balletjes naar hun baby zodat die leert afstand in te schatten. Ze bieden speelgoed aan dat de motoriek traint, of laten kleuren zien en juichen bemoedigend als hun dreumes een poging doet tot tekenen. Zo leren de kinderen hoe ze moeten leren.

Het werkt, laat een serie projecten zien die Rozelle met zijn team opzette: vijfhonderd moeders krijgen ouderschapstraining, nog eens vijfhonderd krijgen geen training. Wanneer het IQ van de peuters en later de kleuters wordt getest, blijken de kinderen van de moeders die de training hebben gevolgd, te zijn vooruitgegaan. Rozelle ziet mogelijkheden: “De moeders hebben allemaal basisonderwijs gehad, ze willen allemaal dat hun baby’s slagen, en ze hebben alle tijd voor hun kind, in die eerste jaren, tot ze naar de stad gaan om te werken.”

Maar volgens hem ziet Peking niet hoe fundamenteel het probleem is. “Het is ook geen sexy onderwerp om in te investeren, hè? Brazilië begon een onderwijsprogramma in 2014, die kinderen komen in 2040 bij de beroepsbevolking. Het vergt toewijding.”

Een belangrijk probleem zit in de financiering. Iedere Chinees heeft een hukou, een registratie die je bindt aan de plek waar je geboren bent. Alleen op die plek heb je recht op gratis onderwijs, zorg en andere overheidsdiensten. Als je wieg op het Chinese platteland staat, ben je veroordeeld tot een hukou die minder waard is dan die van een stedeling, want de kwaliteit van de diensten daar haalt het niet bij die in de stad. Dat komt door een kip-ei-verhaal: het overgrote deel van de Chinezen maakt na zijn schooljaren dat hij wegkomt, op naar de grote stad waar werk is. Waarom zou een lokale bestuurder dan geld in het onderwijs steken? Het is goed voor China, maar niet voor zijn regio, want iedereen gaat toch weg. Er komt dus ook minder belasting binnen, waar de scholen van betaald worden. Kortom, wie voor een dubbeltje is geboren, wordt nooit opgeleid voor een kwartje.

Het pad van Mexico

Rozelle vergelijkt China graag met andere landen. Hij waarschuwt voor het pad dat Mexico heeft afgelegd. Van dat land werd veel verwacht toen het economisch in de lift zat. Maar het ontdekte te laat dat er te weinig was geïnvesteerd in het onderwijs. Veel werkloze jongeren zochten hun toevlucht in de criminaliteit. De Amerikaan ziet dat in China ook nog wel gebeuren als de lonen in de informele servicesector, het afvoerputje van de economie, niet meer stijgen.

Rozelle heeft de verhalen uit eerste hand. Jonge mannen die zich laten meeslepen in afpersingspraktijken bij gebrek aan een andere inkomensbron. Moeders die hem aanklampten en smeekten hun zoon te helpen. “Het is nog steeds maar een klein deel van de mensen, maar als de economische groei blijft dalen, moet de overheid investeren, investeren, investeren! De volwassenen hebben bijscholing nodig. Je moet ze betalen om naar school te gaan. Terwijl ze al dertig zijn!”

Hij ziet de onmogelijkheid van die opgave zelf ook wel in. Maar een voorwaardelijke uitkering vindt hij geen slecht idee, al lachten ze hem bij het ministerie van onderwijs hard uit. “Ten eerste beweerden ze dat er geen drop-outs zijn. Ten tweede: waarom moeten wij betalen om hen naar school te laten gaan? Het is in hun voordeel. Maar wij zeggen: nee, het is ook in het voordeel van de samenleving.”

De vraag dringt zich op waarom de gepassioneerde Rozelle zich überhaupt zo druk maakt om het opleidingsniveau van de Chinese werknemer. Hij wil niet dat China omvalt, zegt hij. “De Amerikaanse economie profiteert van China, heeft er veel interactie mee. We willen geen situatie waarin een land een oorlog begint om zichzelf te legitimeren. Dat is een mogelijkheid en ik hoop dat het nooit gebeurt.”

De kans dat de Chinese economie het niet redt is aanwezig, hoe klein ook. De vergelijking met een autoverzekering ligt voor de hand, meent Rozelle. “De kans dat ik een auto-ongeluk krijg is nog veel kleiner dan dat de Chinese economie instort, en tóch heb ik een verzekering. Ik denk dat China een verzekering moet nemen door in haar kinderen te investeren. Als je het nooit gebruikt, geef je die mensen in elk geval een beter leven.”

Lees ook:
Chinese studenten verzetten zich tegen de kapitalistische ratrace

Hij was het zat. Huang Queyue (26) werkte zich een slag in de rondte, om maar te voldoen aan alle verwachtingen. En waarvoor?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden