In februari 2018 werden de Slowaakse onderzoeksjournalist Ján Kuciak en zijn verloofde vermoord.

AnalysePersvrijheid

Bedreigingen en zelfs moorden: de media in Oost-Europa zitten in de tang van de oligarchen en regering

In februari 2018 werden de Slowaakse onderzoeksjournalist Ján Kuciak en zijn verloofde vermoord.Beeld AP

De onafhankelijke media en vrijheid van meningsuiting in Centraal- en Oost-Europa staan steeds meer onder druk. Wat is er aan de hand in de landen waar zo’n dertig jaar geleden nog een socialistische wind doorheen waaide?

Het is ergens voorbij het middaguur wanneer Viktoria Marinova op 6 oktober 2018 besluit een rondje te gaan joggen in het Bulgaarse stadje Ruse, niet ver van de Roemeense grens. Nietsvermoedend rent ze haar vaste rondje dat leidt door een park aan de oever van de Donau. Een paar uur later wordt haar levenloze lichaam in datzelfde park teruggevonden door een toevallige passant. Marinova is mishandeld, verkracht en vermoord.

Een aantal dagen voor haar dood presenteerde de 30-jarige journalist nog een programma op de lokale tv-zender TVN met een verhaal over corruptie en fraude met EU-fondsen waarbij belangrijke Bulgaarse zakenlui en politici betrokken zouden zijn.

Een half jaar na haar dood krijgt een 21-jarige Bulgaar dertig jaar cel opgelegd voor de moord. Volgens het ministerie van binnenlandse zaken in Sofia heeft de moord niets van doen met Marinova’s werk als onderzoeksjournalist. Collega-journalisten beweren het tegendeel. Zij zeggen dat Marinova al langer werd bedreigd in verband met de zaak.

Mensen steken kaarsjes aan ter nagedachtenis van de Bulgaarse journaliste Viktoria Marinova. Beeld AFP
Mensen steken kaarsjes aan ter nagedachtenis van de Bulgaarse journaliste Viktoria Marinova.Beeld AFP

Ján Kuciak

Ruim een half jaar eerder, in februari 2018, vindt iets verder naar het noordwesten in Slowakije onderzoeksjournalist Ján Kuciak de dood. Ook hij zat te wroeten in een verhaal over fraude met EU-fondsen in eigen land. Vlak voor zijn dood zat hij op een spoor dat hem leidde naar een mogelijk innige samenwerking tussen de Italiaanse maffia en toenmalig premier van Slowakije Robert Fico. Op 25 februari vindt de politie de lichamen van de 27-jarige Kuciak en zijn verloofde in hun huis iets ten oosten van Bratislava.

Twee moorden op journalisten in nog geen jaar tijd. En dat op ‘veilige’ Europese bodem waar democratische normen zoals de vrijheid van meningsuiting en het recht op vrije informatie gewaarborgd heten te zijn. Sterker nog, het zijn principes en grondrechten die op het continent ontsprongen tijdens de Verlichting. Voltaire zei het al in de achttiende eeuw: “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen”.

Een principe dat voor Marinova en Kuciak blijkbaar niet opging. De moorden staan dan ook niet op zichzelf en zijn ook maar ten dele anekdotisch. Eerder passen ze in een klimaat van toenemende bedreiging, intimidatie, lastercampagnes en treiterende rechtszaken die het werk van verslaggevers op diverse plekken in Europa steeds verder bemoeilijkt. Ook op Malta. Daar werd de journalist die een corrupt overheidsnetwerk blootlegde, vermoord. Na een jarenlang gevecht lijkt gerechtigheid daar iets dichterbij. Deze week werd Keith Schembri – stafchef van voormalig premier Muscat – aangeklaagd voor witwassen, corruptie en fraude.

“In het bijzonder in Oost- en Centraal-Europa neemt de ondermijning van de vrije pers de afgelopen jaren een vlucht”, zo vertelt Pavol Szalai van Reporters Without Borders, een organisatie die internationaal onderzoek doet naar de wereldwijde persvrijheid.

Hongaars voorbeeld

Het bekendste en beruchtste voorbeeld wat dat betreft is Hongarije. “Premier Orbán heeft in Hongarije de afgelopen jaren een mediamodel ontwikkeld dat op gespannen voet staat met hoe de vrije pers in West-Europese landen functioneert.” In februari verdween nog een van de laatste onafhankelijke radiostations in het land, Klubradio, van de ether omdat de autoriteiten domweg weigerden de uitzendlicentie van de zender te verlengen.

Dat is volgens Szalai ook de kern van het Hongaarse model: de regering probeert óf onafhankelijke media op allerlei manieren de strot dicht te knijpen óf ze tracht meer en meer controle te krijgen over de redactionele lijn van tv-zenders, radiostations en kranten. Dat gebeurt doorgaans niet door ambtenaren op redacties over de schouders van journalisten mee te laten kijken of een knokploeg op de auteur van een kritisch artikel af te sturen, maar door kritische media op geraffineerdere wijze de pas af te snijden en onder druk te zetten.

Die aanval op de vrije pers speelt zich af op drie fronten, zo stelt Szalai: de normalisering van agressieve en vijandige retoriek jegens journalisten, de dreiging van juridische vervolging, en overnames van onafhankelijke mediabedrijven door oligarchen met politieke connecties.

De situatie in Hongarije is hoe dan ook niet nieuw. Het land geldt al langer als het slechtste jongetje van de EU-klas waar het de persvrijheid betreft. Op de Press Freedom Index van Reporters Without borders –een ranglijst die landen wereldwijd indeelt op de mate van persvrijheid – bungelt Hongarije op plek 89 van de 180. Onder landen als Kirgizië en Haïti, toch niet bepaald het eldorado van de vrije informatievoorziening.

Maar Hongarije is zeker niet het enige Oost-Europese land dat in rap tempo afglijdt. Szalai: “Landen als Polen en Slovenië kopiëren het Hongaarse model. De leiders daar weten zich geïnspireerd door de regering-Orbán.” Een gezamenlijk onderzoek van het Reuters Institute en de Universiteit van Oxford uit 2020 illustreert aan de hand van een onwillekeurig overzicht van voorbeelden uit het recente verleden hoe diverse Centraal- en Oost-Europese landen het Hongaarse model inderdaad als sjabloon gebruiken om de eigen nationale media onder druk te zetten.

Zo zijn er diverse politici in de regio die een vijandig klimaat creëren tegen journalisten door middel van impliciete en soms ook ronduit expliciete bedreigingen. Zo stelde de Slowaakse oud-premier Robert Fico in 2016, ruim een jaar voor de moord op Kuciak, ten overstaan van een groep journalisten dat “sommige van jullie vuile anti-Slowaakse prostituees zijn die niet informeren, maar vechten met de regering”. Eerder noemde Fico journalisten al ‘hyena’s en idioten’.

President Milos Zeman (Tsjechië) met een nep-kalasjnikov. Beeld AP
President Milos Zeman (Tsjechië) met een nep-kalasjnikov.Beeld AP

Haatzaaierij

Of wat te denken van de Tsjechische president Milos Zeman die in mei 2017 tijdens een ontmoeting met Vladimir Poetin opriep om journalisten om te leggen? Nog geen half jaar later hield hij tijdens een persconferentie een nep-kalasjnikov in de lucht en weer twee maanden later maakte hij een ‘grapje’ refererend naar de dood van Jamal Khashoggi, de journalist van de Washington Post die op de Saudische ambassade in Istanbul werd vermoord. Zema zei toen: “Ik houd van journalisten, daarom ga ik vanavond misschien wel een speciaal banket voor hen organiseren in de Saudische ambassade”.

Ook in Slovenië is dergelijke haatzaaierij schering en inslag uit de mond van Janez Jansa. De premier spuit met regelmaat via Twitter zijn gal over het journaille in eigen land. Die berichten hebben doorgaans een hoog Trumpiaans gehalte. Zo noemde hij het nationale persbureau een ‘nationale schande’ en zou de publieke omroep RTV leugens en nepnieuws verspreiden. Naar Jansa’s smaak zijn er dan ook “overduidelijk te veel van jullie [journalisten, red.] en worden jullie te goed betaald”.

Allemaal zijn het voorbeelden van de normalisering van agressieve en vijandige retoriek die bijdragen aan een klimaat van haat waardoor het vrije woord in het gedrang komt. “De consequentie is dat sommige journalisten zich genoodzaakt voelen over te gaan tot zelfcensuur”, vertelt Szalai. “Wij hebben onlangs bijvoorbeeld een enquête gehouden onder Hongaarse journalisten. Daar kwam onder meer uit dat ze een stuk terughoudender zijn in de verslaggeving rondom corona, omdat ze bang zijn voor de consequenties.” Niet zo gek ook. In Boedapest nam het parlement vorig jaar maart een wet aan die het verspreiden van nepnieuws over de pandemie criminaliseert. Journalisten die zich daar schuldig aan maken, riskeren een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar.

En dan is er nog die andere stormram waarmee menig Oost- en Centraal-Europese regering op de poorten van de persvrijheid inbeukt: overnames van onafhankelijke media. “Dat hangt veelal samen met de opkomst van oligarchen tijdens de overgang van het communisme naar het kapitalisme”, stelt Szalai. “Die rijke tycoons met goede politieke connecties zijn de vrucht van de economische transitie die zich in de jaren negentig voltrok. Over het algemeen hechten de oligarchen niet zo aan democratische waarden. Ze zien de media daarom eerder als een handige spreekbuis. Ze denken dat ze de pers kunnen gebruiken om verslaggeving over hun eigen zaken en de sectoren waarin ze actief zijn te beïnvloeden.”

Pers opkopen

Ook van die overnames zijn genoeg voorbeelden, zoals in Polen afgelopen december. Daar nam staatsolieconcern PKN Orlen de grote uitgeverij Polska Press over van een Duitse eigenaar. Zodoende kwamen de twintig regionale dagbladen, ruim honderd weekbladen en honderden nieuwssites die onder het concern vallen onder indirecte controle te staan van de nationalistisch-conservatieve regeringspartij PiS. Die spreekt al langer de wens uit dat ‘Poolse mediabedrijven weer in Poolse handen moeten komen.’

Hongarije kent een al even schrijnend voorbeeld in de vorm van de Central European Press and Media Foundation die in 2018 het licht zag. Dit regeringsorgaan controleert inmiddels meer dan 500 mediabedrijven. Vrijwel al die bedrijven werden voordat ze zich aansloten bij de stichting door vrienden van Orbán opgekocht of opgezet om daarna klakkeloos aan de stichting te worden overgeleverd.

In Tsjechië is het al niet veel beter. Daar wordt vrijwel het hele medialandschap bepaald door drie oligarchen die door de jaren heen de nationale pers opkochten. Onder hen is ook de premier van het land Andrej Babis. Dankzij de dominante rol die zijn AGF Media groep in het Tsjechische medialandschap speelt, staat hij ook wel bekend als de Tsjechische Silvio Berlusconi.

Tot slot is er nog de toenemende dreiging van juridische vervolging, zoals de zaak tegen de Poolse onderzoeksjournalist Tomasz Piatek in 2017. Het ministerie van defensie in Warschau gaf het Poolse Openbaar Ministerie destijds de opdracht om een onderzoek naar hem te openen vanwege vermeende terrorismebeschuldigingen. Vlak daarvoor publiceerde Piatek een boek over de toenmalige minister van defensie Antoni Macierewicz en zijn banden met het Kremlin en de Russische georganiseerde misdaad. Na grote druk van buitenaf kwam de zaak uiteindelijk te vervallen, maar het zegt veel over hoe justitie als wapen tegen de vrije pers wordt ingezet. Zo ook in Slowakije waar het parlement in Bratislava in 2019 nog een wet aannam die de mediacode in het land wijzigde. Sindsdien hebben politici het recht om officieel te reageren op berichten in de media die hun ‘waardigheid, eer of privacy’ zouden schenden. Het medium dat een dergelijke reactie weigert te publiceren, riskeert een boete van bijna 5000 euro.

Allemaal EU-burgers

Zo zijn er talloze voorbeelden van de zorgelijke situatie omtrent de staat van de journalistiek in Centraal- en Oost-Europa die op verschillende fronten onder vuur ligt. Vanzelfsprekend is er geen eenduidige reden aan te wijzen waarom dit juist in deze regio zo’n overduidelijke trend is. Bovendien is enige nuance op zijn plek, volgens Szalai. “Intimidatie en bedreiging van journalisten neemt overal in Europa toe. Het is niet louter een kwestie van een oost-west verschil. Wat wel duidelijk is in Centraal- en Oost-Europa is dat de wetshandhavingsinstanties die journalisten en de mediavrijheid horen te beschermen vaak falen. Daarnaast gaat de aanval op de media in deze landen hand in hand met de aanval op de rechtsstaat. Of beter gezegd: het vormt er onderdeel van.”

In landen zoals Hongarije en Polen – en veel andere landen in de regio – speelt de opkomst van populistische partijen daar een belangrijke rol in. De conservatief-nationalistische projecten die de PiS-regering in Warschau en de Fidesz-regering in Boedapest bij hun aantreden begonnen, focussen op het vergroten en centraliseren van de uitvoerende macht. Dat gaat ontegenzeggelijk ten koste van de parlementaire oppositie, de onafhankelijke rechtspraak en dus ook de vrije media.

Maar hoe het tij te keren? Volgens Szalai is er maar één manier: het opvoeren van de druk van buitenaf. “Wij rekenen op de Europese Unie. Hongaren, Polen en Slovenen zijn EU-burgers die recht hebben op vrije informatievoorziening.” Daarnaast zouden (de dreiging van) sancties een methode kunnen zijn. “Nu is de persvrijheid bijvoorbeeld geen voorwaarde voor het ontvangen van EU-fondsen. Terwijl landen sinds vorig jaar wel alleen aanspraak op EU-geld maken als ze de rechtsstaat respecteren. Zo’n voorwaarde moet er ook komen voor het waarborgen van de vrije pers.”

Lees ook:
In Tsjechië is de premier baas van de krant

Het bedrijf van de populistische premier Andrej Babis heeft zo’n beetje alle Tsjechische kwaliteitskranten in bezit. Is er in dat klimaat nog wel ruimte voor onafhankelijke berichtgeving? Deel 1 van een serie over de staat van Oost-Europa.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden