Onderzoek

Zelfs Duitse Joden werden na de bevrijding tot vijand verklaard

Canadese bevrijders maakten op 8 mei 1945 hun intocht in Amsterdam. Na de bevrijding waren er naar schatting zo’n 25.000 mensen met een Duitse nationaliteit in Nederland. Zij werden collectief tot ‘vijand’ bestempeld. Vaak onterecht.Beeld ANP

Duitsers die al lange tijd in Nederland woonden, werden direct na de Tweede Wereldoorlog vaak onrechtvaardig aangepakt, blijkt uit nieuw onderzoek. 

Tienduizenden Duitsers – dienstmeisjes, zakenlieden, Joodse vluchtelingen – woonden al in Nederland voor de nazi-troepen in mei 1940 binnenvielen. Na de bevrijding waren er naar schatting zo’n 25.000 mensen met een Duitse nationaliteit in Nederland. Zij werden collectief tot ‘vijand’ bestempeld.

Dat was lang niet altijd terecht, ontdekte Marieke Oprel, die donderdag promoveerde op haar onderzoek naar de behandeling van mensen met een Duitse nationaliteit in Nederland in de periode 1944-1967. Want er zaten foute nazi’s tussen, maar ook bijvoorbeeld verzetsmensen én zelfs Duitse Joden die terugkeerden uit de concentratiekampen.

Met zicht op het einde van de Tweede Wereldoorlog vaardigt de Nederlandse regering in ballingschap in Londen op 20 oktober 1944 het Besluit Vijandelijk Vermogen uit. Een manier om geld te krijgen om de oorlogsschade te repareren. Het Besluit verklaart alle burgers van de zogenoemde asmogendheden Duitsland, Italië en Japan tot ‘vijandelijk onderdanen’ en bepaalt dat hun vermogen van ‘rechtswege’ in eigendom op de Nederlandse staat over gaat. Oprel: “Vooral Duitsers, die vaak al jarenlang in Nederland woonden, worden door het besluit getroffen. Van klein huisraad tot bedrijven, al het Duitse vermogen wordt onteigend als herstelbetaling.”

Otto Frank tot staatsvijand gedoopt

Volgens de Nederlandse regering is dit geen confiscatie. De Duitse regering zou namelijk in een toekomstig vredesverdrag aansprakelijk worden gesteld voor het compenseren van deze getroffen onderdanen. Van onrecht is dan ook geen sprake, zo concludeerden vooraanstaande juristen in die tijd, vertelt Oprel. “Alleen achteraf is duidelijk dat de meesten geen compensatie voor hun onteigende bezittingen hebben gekregen.”

Een van de problemen bij de uitvoering van dit besluit was de interpretatie van het begrip ‘vijandelijk onderdaan’. Daar vielen bijvoorbeeld ook Oostenrijkers onder en andere mensen uit landen die geannexeerd waren door de Duitsers in de oorlog. Ze noemt een beroemd voorbeeld: Otto Frank, de vader van Anne en de enige overlevende van zijn gezin in 1945. Hij behoorde tot een grotere groep Duits-Joodse vluchtelingen die door het beleid van de Nederlandse regering in Londen feitelijk tot staatsvijand werden omgedoopt.

Oprel: “De Duitse Joden hadden als gevolg van de Neurenberger Rassenwetten hun Duits staatsburgerschap verloren. Maar de Nederlandse overheid beschouwde hen wel als Duitsers. In de gehele Londense wetgeving kwam het begrip ‘Jood’ niet voor; de regering wilde juist geen onderscheid maken tussen Joden en niet-Joden. Dit was het gevolg.”

‘Ontvijandingsverzoeken’

Wie het er niet mee eens was, kon beroep aantekenen. Er werden 20.000 zogenoemde “ontvijandingsverzoeken ingediend bij het Nederlands Beheersinstituut (NBI), opgericht in augustus 1945. Oprel: “Mensen moesten met getuigenissen komen van bijvoorbeeld een burgemeester of een schoolhoofd die voor hen instonden. Alleen zo kregen ze uiteindelijk een ontvijandingsverklaring.”

Oprel verdiepte zich in een steekproef van circa driehonderd NBI-dossiers. “Daar zat ook een kampbeul tussen, maar de meerderheid stond niet aan de zijde van de nazi’s.” Ongeveer de helft van de ingediende beroepen kreeg uiteindelijk gelijk, weet zij, onder wie Otto Frank.

Discriminatie op grond van nationaliteit wordt in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens afgekeurd. Nederland ondertekende deze verklaring in 1948, maar hield zich er blijkbaar niet aan. Oprel: “Zo vreemd is dat niet. Met de ondertekening van die verklaring begon het mensenrechtenbeleid pas een eerste vorm te krijgen.”

Gemis van erkenning voor hun geschiedenis

In 1951 beëindigde Nederland formeel de staat van oorlog met Duitsland. Duitsers waren geen vijandelijke onderdanen meer. “Maar het opgehaalde vermogen van 750 miljoen gulden was voor die tijd veiliggesteld, zodat niets teruggegeven hoefde te worden.”

Voor de families die het betrof een harde realiteit, weet zij uit de gesprekken die ze met nabestaanden voerde. “Ook in de tweede en derde generatie voelen mensen nog spanning over die Duitse achtergrond. Niet het gebrek aan financiële compensatie, maar het gemis van erkenning voor hun geschiedenis speelt velen nog altijd parten.”

Documentatie over de 'ontvijandingsverklaring' van de in Nederland woonachtige Duitser Friedrich Assmann.

‘Buren beklaagden zich over hem, vermoedelijk uit anti-Duits sentiment’

De Duitser Friedrich Assmann, geboren in 1903, werkte in de bouw en kreeg opdrachten over de grens in Nijmegen. Hij werd verliefd op een Nederlandse, trouwde in 1937 en ging wonen naast zijn schoonouders. Na de bevrijding in 1944 werden hij en zijn gezin tot vijand bestempeld. Assmann zelf wordt zelfs korte tijd geïnterneerd in Kamp Vught. Hij gaat in beroep tegen de vijand-status. Drie getuigen vertellen in zijn dossier over zijn ‘goede’ gedrag tijdens de bezetting: hij verborg bijvoorbeeld mensen tijdens een razzia in de zomer van 1944, ontdekte promovenda Marieke Oprel. Tegelijk beklaagden buren zich over hem, vermoedelijk gemotiveerd door anti-Duitse sentimenten. Uiteindelijk werden die bezwaren niet bewezen geacht en in januari 1949 is de familie Assmann weer ‘óntvijand’. De oorlogsjaren en deze nasleep hebben zwaar gedrukt op de familie. Oprel: “Ik heb in het archief vele voorbeelden van gezinnen gevonden die hetzelfde is overkomen”.

Ruth Weil werd aangemerkt als vijand. Ze moest een ontvijandingsverzoek indienen bij Het Nederlandse Beheersinstituut. Van die procedure is onder meer deze kaart bewaard gebleven.

Ze overleefde het concentratiekamp, maar moest een ‘ontvijandingsverzoek’ indienen

Ruth Weil, geboren in Berlijn, trouwde in 1937 met een Nederlander. Beiden waren Joods. Ze verhuisden in 1939 naar Nederland. In 1941 verliest Ruth haar Duits staatsburgerschap, volgens Hitlers regels konden Joden geen Duitsers meer zijn. In 1943 wordt het echtpaar gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Ruths man overleeft het niet, zij keert terug naar Amsterdam. Ze hertrouwt met Hugo Weil in 1948. Hij is eveneens een Joodse overlevende. Samen krijgen ze een zoon. Vader en zoon staan geregistreerd als statenloos. Maar Ruth is geregistreerd als Duitse en zodoende wordt zij tot vijand bestempeld. In juni 1950 dient zij een verzoek in tot ‘ontvijanding’. In haar dossier zitten twee getuigenissen die voor haar pleiten. Ongekend bitter voor een concentratiekamp-overlevende met deze bewijzen te moeten komen. “Dit is inderdaad een voorbeeld van de bureaucratie waar veel Joodse vluchtelingen uit Duitsland in belandden”, zegt promovenda Marieke Oprel. “Joodse vluchtelingen kregen meestal wel sneller dan anderen een ontvijandingsverklaring, maar hier is hen natuurlijk wel groot onrecht aangedaan.” 

Lees ook:

Volgens deze onderzoeker heeft u het mis: de oorlog eindigde helemaal niet in 1945

Het is vandaag exact 75 jaar geleden dat Nederlanders dansten en feestten in de straten vanwege het einde van de oorlog. Maar die vreugde was voorbarig, betoogt Niod-onderzoeker Peter Romijn. ‘De oorlog eindigde pas in 1949.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden