null

EssayVerbroken beloftes

Wat kregen de Molukkers? Een gebaar. Géén spijtbetuiging

Het is het verdriet van de Molukkers: nooit in de afgelopen zeventig jaar klonk excuus voor hoe Nederland hen behandelde. Het is er hoog tijd voor, schrijft Sylvia Pessireron.

Sylvia Pessireron

Koningin Wilhelmina schreef op 21 november 1945 een brief aan ‘de Ambonezen’ waarin zij haar bewondering uitsprak voor de door hen bewezen moed en trouw aan Nederland tijdens de Japanse bezetting. Dat koninklijke gebaar verdient herhaling. Dit keer niet als loftuiting, maar als excuses aan de Molukkers voor de ijskoude wijze waarop Nederland hen heeft behandeld.

“Wat heb je aan excuses?”, vroeg een vriend na het lezen van mijn oproep aan de Nederlandse regering in 2012, om spijt te betuigen aan de Molukkers.

“Ik wil dat er officieel wordt toegegeven dat zij in 1951 schandalig zijn behandeld”, antwoordde ik. “Je hebt het nu toch goed?”, reageerde hij.

Dat kan ik niet ontkennen. Maar ik wil dat de Nederlander zich realiseert dat decennialang wegkijken ernstige schade heeft toegebracht aan Molukkers in Nederland en op de Molukken.

Sylvia Pessireron is freelance journalist, copywriter en schrijfster. Haar Molukse achtergrond vormde de basis voor de romans De verzwegen soldaat en Gesloten koffers. Ze schrijft nu aan het boek Sayang é (uitgeverij Walburg Pers) over de geschiedenis van zeventig jaar Molukkers in Nederland en op de Molukken.

Om ons van vlooien te vrijwaren, kwam er een man langs met een angstaanjagend apparaat

Ik bracht mijn eerste levensjaren door in een woonoord in Breskens. Ons onderkomen was een nissenhut, een barak met een gebogen golfplaten dak. Dagelijks sleepten we emmers water van het badhuis, de enige plek met stromend water, naar ons keukentje. Om ons van vlooien en ander ongedierte te vrijwaren kwam één keer per jaar een man langs met een angstaanjagend apparaat. Er kwam een stof uit die we niet mochten inademen, maar de ramen moesten die dag wel dicht blijven. Toen het kamp werd opgeheven, verhuisden we naar een Molukse woonwijk in het midden van het land.

Vanaf mijn middelbareschooltijd vertelde mijn moeder aan de ontbijttafel over de lotgevallen van het gezin. Haar verhalen begonnen bij de Japanse bezetting toen ze op het eiland Seram zaten.

Ze vertelde over de poging om mijn vader, die bij de Inlichtingendienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (Knil) werkte, met een Nederlandse duikboot naar Nieuw-Guinea over te brengen. Hij werd verraden en verdween in een interneringskamp. Haar stem brak toen ze beschreef hoe hij na de capitulatie meer dood dan levend bij haar terugkwam. Hij werd opgelapt door een neef aan wie hij vertelde welke martelmethoden hij had moeten doorstaan.

Ma hoefde dat niet te weten, vond hij. Maar ze bleef net zolang doorvragen tot de neef alles onthulde.

Huiverend beschreef ze de diepe kuil waar ze met de kinderen in zat

Zodra hij fit genoeg was, werd pa op Celebes, het huidige Sulawesi, gestationeerd. Daar woonde het gezin toen op 25 april 1950 in Ambon de RMS, de Republiek der Zuid-Molukken werd geproclameerd. De manschappen ontvingen het bericht van een eigen staat met gejuich.

Als reactie op de proclamatie bezette het Indonesische leger Ambon en de omringende eilanden. De Molukse Knil-ers op Celebes konden slechts knarsetandend toekijken. Ze waren vastbesloten om zodra hun diensttijd erop zat – het Knil werd eind juni 1950 opgeheven – hun landgenoten te helpen in de strijd tegen de bezetter.

Om dat te voorkomen beschoot het Indonesische leger de kampementen in de hoofdstad Makassar vanuit de lucht en vanaf zee. Ma bootste het geluid na van de beschietingen en beschreef huiverend de zelf gegraven diepe kuil (“net een graf”) waar ze tijdens de aanvallen met de kinderen in zat.

null Beeld

Over het gedwongen vertrek naar Nederland zei ze laatdunkend: “Wat moesten we? We móchten niet eens naar huis! Na de beschietingen werden we naar Java overgebracht, zogenaamd voor onze veiligheid. Maar als we daar waren gebleven, dan zouden we zeker zijn vermoord. Dus zat er niks anders op dan naar Nederland te gaan. Het was toch maar voor even: drie maanden, hooguit een jaar…”

Mijn vader vond het zakgeld dat hij kreeg een schoffering

Ze liet haar tranen de vrije loop toen ze vertelde dat pa vol ongeloof uit het Demobilisatiecentrum in Amersfoort naar haar toe kwam met de mededeling dat hij was ontslagen als Knil-militair. Zodra ze op dit punt was beland, maakte mijn vader steevast een eind aan haar verhalen en joeg mij naar school.

Hij heeft nooit kunnen verwerken wat hem bij aankomst in Nederland overkwam. Door het ontslag verloor hij zijn inkomen. Het zakgeld dat ze kregen, vond hij een schoffering. Verbeten hielden mijn ouders vast aan de belofte dat zij binnen afzienbare tijd naar huis zouden gaan. Om die reden werden de hutkoffers niet uitgepakt.

Wist pa dan niet dat het ontslag onvermijdelijk was na de opheffing van het Knil? Zijn antwoord was bars: “Tuurlijk wel. Maar wij kunnen alleen afvloeien in het land van herkomst, dus ze moesten ons naar huis brengen!”

Bij de onderhandelingen over de onafhankelijkheid van Indonesië was in het Akkoord van Linggadjati bepaald dat bevolkingsgroepen die een andere status wilden, het recht hadden om zich los te maken van de Indonesische staat. Maar Nederland erkende de RMS niet als onafhankelijke staat en wij werden bij de burgerlijke stand ingeschreven als stateloos. Mijn vader vond dat onbegrijpelijk. “Nederland gaf ons het recht om als zelfstandige staat door te gaan. En liet ons vallen.”

Tijdens de Molukse acties staarde pa grimmig uit het raam

Vroeger herdachten we op 25 april in Den Haag de RMS-proclamatie. Tijdens de demonstratie van het Malieveld naar de vroegere Houtrusthallen schreeuwden we leuzen over het onrecht dat Ambon was gedaan. De ontgoocheling van de ouderen over het ontslag en het verlies van het vaderland vulde de lucht.

Dat wakkerde bij de jongeren de drang tot repercussie aan. Tijdens de Molukse acties in de jaren zeventig kon pa alleen maar grimmig door het raam naar buiten staren. Zodra hij de mogelijkheid kreeg om naar zijn geboortedorp op Seram terug te gaan, vertrok hij met mijn moeder. Hij stierf daar in 1986, ma nog geen jaar later.

null Beeld

Als eerbetoon aan mijn vader en de Molukse Knil-militairen beschreef ik hun geschiedenis in De verzwegen soldaat en Gesloten koffers. Kort na de publicaties riep ik in een open brief de Nederlandse regering op om excuses te maken. Die oproep werd mede ondertekend door een aantal fractievoorzitters, maar kreeg geen gevolg.

In reactie op een hernieuwde oproep stelde Lodewijk Asscher (en ik parafraseer) dat er in het verleden al voldoende was gedaan.

De bestorming van de trein maakte duidelijk dat we geen compassie hoefden te verwachten

Wat hebben de Molukkers dan gekregen? In de jaren tachtig, na een decennium vol Molukse acties, besloot Nederland een gebaar te maken. De Molukse ex-Knil-militairen kregen tot hun dood een jaarlijkse uitkering waarvoor ze één ticket naar de Molukken konden kopen en een herdenkingspenning. Op die Rietkerkpenning stond: ‘Uit waardering voor uw inzet’, waarmee werd verwezen naar hun inspanningen als Knil-militair. Een spijtbetuiging voor het niet erkennen van de RMS, de verbroken belofte van een ‘tijdelijk’ verblijf, de opvang in haveloze kampen en het aanvankelijk niet toelaten van Molukse kinderen op de hbs of mulo, bleef uit.

De Nederlandse regering werkt met een ‘haalcultuur’, legde de Utrechtse advocaat Beijersbergen van Henegouwen ooit uit. Als niemand klaagt over onrechtmatig handelen door de regering, doet die alsof er niets aan de hand is en weigert zij verantwoording af te leggen.

Maar we hebben volop onze nood geklaagd. Eerst met demonstraties en petities, daarna met harde acties. De bestorming van de gekaapte trein bij De Punt maakte duidelijk dat we geen compassie van de Nederlandse regering hoefden te verwachten.

Dit jaar is het precies zeven decennia geleden dat de Molukkers in Nederland arriveerden. Nu van de eerste generatie nog een handjevol mensen over is, wordt voorzichtig een stap gezet naar een vorm van reparatie. In een aantal gemeenten krijgen de laatste rustplaatsen van de eerste generatie Molukkers een speciale status. Die graven mogen niet worden geruimd en het onderhoud is voor rekening van de gemeente.

Een poging om op 7 oktober een officiële herdenking te houden aan de Lloydkade in Rotterdam viel in het water. De initiatiefnemers wilden laten zien hoe de aankomst idealiter had moeten verlopen. Geen kille ontvangst, maar een warm welkom.

Onze families op Maluku lijden nog altijd onder zware repressie

Het leeuwendeel van de Molukse gemeenschap reageerde scherp afwijzend op dit idee; een gekunstelde poging om – wellicht onder toeziend oog van de premier, want daar was sprake van – de realiteit te verdoezelen.

Was de premier inderdaad van plan geweest om het evenement bij te wonen, dan had men hem vooraf kunnen wijzen op belangrijke zaken, zoals het lot van de Molukse wijken. Die werden destijds opgezet om de Molukkers bij elkaar te huisvesten. Door het huidige toewijzingsbeleid van woningcorporaties dreigen deze unieke wijken te verdwijnen, tenzij ze worden aangemerkt als erfgoed.

null Beeld

Ook het feit dat onze families op Maluku nog altijd lijden onder de zware repressie van Indonesië moet aandacht krijgen.

Als in 2022 alsnog een herdenking plaatsvindt, dan verwacht ik dat de premier de gelegenheid aangrijpt om te erkennen dat Nederland de Molukkers bij hun aankomst onwaardig heeft behandeld. Hij sluit dan aan bij de uitspraak van oud-premier Dries van Agt die onlangs in een interview in de NRC zei dat de behandeling ‘een schande’ was.

Als minister van justitie was Van Agt in 1977 medeverantwoordelijk voor de aanval op de gekaapte trein bij De Punt waarbij zes Molukkers om het leven kwamen. Om die reden zullen veel Molukkers zijn uitspraken weghonen. Van Agt bekende dat hij nu meer weet over de geschiedenis van Molukkers in Nederland dan destijds. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat tijdens de acties, die wereldnieuws waren, een Nederlandse politicus zich niet verdiepte in de achtergrond daarvan, maar uit hetzelfde interview blijkt dat ook zijn voorgangers zich niet bekommerden om het lot van de Molukkers, maar vooral oog hadden voor de Nederlandse belangen in Indonesië.

Inzicht verkregen door kennis komt meestal achteraf, dacht ik korzelig

Ik begrijp dat de beslissing om keihard in te grijpen bij De Punt niet iets is wat Van Agt zomaar naast zich neer kan leggen, zeker niet als hij de balans van zijn leven opmaakt. Nu hij beter op de hoogte is van de geschiedenis vindt hij dat de Molukkers excuses van de koning moeten krijgen.

Inzicht verkregen door kennis komt meestal achteraf, bedacht ik korzelig. Maar zijn uitspraken lijken ook een uitgestoken hand. Vanuit het Molukse concept dat harmonie het belangrijkste levensdoel is, mag je die niet negeren. Dus ga ik voor het voordeel van de twijfel.

Na mijn eerste oproep tot excuses ondervond ik dat niet iedereen binnen de Molukse gemeenschap daar waarde aan hecht. Excuses hadden destijds aan de Knil-militairen moeten worden aangeboden, was de meest gehoorde kritiek.

Dat is absoluut waar. Het was passend geweest als de excuses waren uitgesproken toen de kampen door woonwijken werden vervangen. Of bij de uitreiking van de Rietkerkpenning.

In 2020 bood de koning zijn excuses aan Indonesië voor wandaden gepleegd tijdens de dekolonisatieoorlog. Een eerste stap om zaken uit het koloniale verleden recht te zetten. Nu nog naar de Molukkers toe.

Lees ook:

De eerste generatie Molukkers is alles afgepakt. ‘Mijn opa en oma waren hun hele leven ontworteld’

Zeventig jaar geleden arriveerden de eerste Molukkers per schip in Nederland. Drie van hun afstammelingen aan het woord over hun gemeenschap en hun kijk op de geschiedenis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden