InterviewOp eigen benen

Waarom Nederlandse jongeren graag zo snel mogelijk uit huis vertrekken

Beeld Louman & Friso

Waarom gaat de ene jongere eerder het huis uit dan de andere? En wat is het beste? Lonneke van den Berg beantwoordt die vragen vandaag in haar promotie aan de Universiteit van Amsterdam.

Vroeg samenwonen met een partner, proeven van de geneugten van het studentenleven of gewoon om mopperende ouders te ontlopen. Nederlandse jongvolwassenen hebben genoeg argumenten om het ouderlijk huis te verlaten, maar wat overeenkomt: ze staan graag al jong op eigen benen. Veel sneller dan de meeste Europese leeftijdsgenoten, betoogt socioloog Lonneke van den Berg (27) vandaag tijdens haar promotie aan de Universiteit van Amsterdam.

Haar proefschrift beantwoordt de vraag waarom sommige jongvolwassenen eerder uit huis gaan dan anderen. Zowel binnen Nederland als binnen Europa. Ze volgde gedurende 2,5 jaar het woongedrag van duizenden Nederlanders tussen de 16 en 35 jaar. Vervolgens vergeleek ze in Europa hoeveel 25-jarige mannen per land nog bij hun ouders wonen.

Dat het moment waarop jongeren hun vleugels uitslaan vooral afhangt van de leeftijd, zoals veel onderzoekers beweren, is niet helemaal waar, stelt Van den Berg. De behoefte verschilt erg per persoon en wordt sterk bepaald door de thuissituatie.

De drang naar avontuur

Kinderen van gescheiden ouders of die het financieel niet breed hebben, voelen het snelst de drang om zelfstandig te wonen. Verder zijn vertrekmotieven heel individueel van aard, zoals kilometers verderop gaan studeren of een drang naar avontuur. Die intrinsieke wens kan bij een tiener opborrelen, maar ook nog bij een late twintiger.

Bij Nederlanders komt die ­wens vaak wat eerder. Nederlandse mannen gaan gemiddeld op hun 22ste het huis uit, vrouwen als ze 20 jaar zijn. Opvallend is dat een kwart van de jongvolwassenen die vertrekken later weer huiswaarts keren naar hun ouders.

Veel jongeren vertrekken te vroeg, stelt Van den Berg. “Vooral de jongeren die het thuis nog best prima hadden en geen absolute noodzaak zagen om te vertrekken. En voor sommigen is verhuizen te veel verandering in de turbulente fase van volwassen worden. Zij kunnen het nog niet aan.” 

Te vroeg uit huis

Terugkeren is, als dat mogelijk is, de beste oplossing, zegt Van den Berg. Te vroeg uit huis gaan levert een grote kans op problemen op latere leeftijd, zoals schulden of moeite hebben om intieme familierelaties op te bouwen. 

Overigens is er nog geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van ‘te laat uit huis gaan’. “Aannemelijk is dat te lang thuis wonen ten koste gaat van de zelfredzaamheid van jongeren op latere leeftijd”, vermoedt Van den Berg. “Maar wanneer dat is, is onduidelijk.”

Van de 25-jarige mannen in Nederland woonde in 2016 nog 20 procent bij hun ouders. Dat is vergeleken met andere Europese landen erg weinig. In respectievelijk Spanje en Italië woonde 67 en 84 procent van de 25-jarigen nog thuis.

Gestuwd door een gebrekkig sociaal-economisch vangnet met lage werkloosheidsuitkeringen, hoge werkloosheid onder jongeren en een cultuur die veel waarde hecht aan warme familiebanden, zien vooral jonge Zuid-Europeanen weinig heil in zelfstandig wonen, zegt Van den Berg. “Vooral het samenzijn met de familie is zo belangrijk, dat jongeren vaak pas uit huis gaan als ze zelf met een partner gaan samenwonen om een eigen gezin te stichten.”

Scandinavië

Hoe anders is dat in Scandinavische landen. Van de 25-jarige mannen in bijvoorbeeld Noorwegen woonden in 2016 nog maar 7 procent bij hun ouders. “In Noord-Europa, ook in Nederland, is zelfontplooiing heel belangrijk. Het is niet meer dan logisch om jong uit huis te gaan”, zegt Van den Berg. “En de omstandigheden, zoals voldoende huisvesting en financiële middelen dragen daar natuurlijk aan bij. In Nederland gaan ondanks de woningkrapte nog altijd relatief heel veel jongeren uit huis. Dat zegt dat vroeg vertrekken economisch wel mogelijk is. En dat is positief.”

De derde factor die de verschillen tussen landen verklaart is het overheidsbeleid, zegt Van den Berg. In Nederland is de invoering van het leenstelsel voor studenten een voorbeeld. De oude studiebeurs voor uitwonende studenten maakte in 2015 plaats voor de nieuwe leenvorm. Sindsdien is het aantal uitwonende studenten hard gedaald.

Voor de invoering van het leenstelsel woonde 30 procent van de hbo-studenten bij aanvang van het derde studiejaar niet meer bij hun ouders. Dat was na de invoering nog 17 procent. Voor studenten in het wetenschappelijk onderwijs daalde dit percentage van 65 naar 50 procent..

Lees ook:

De thuiswonende student leert minder van het leven

Door de invoering van het leenstelsel en de woningnood blijven studenten langer thuiswonen. In 2016 gingen ze een jaar later uit huis dan in 2012, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Wat doet dat met jongeren? Vier vragen aan Susan Branje, hoogleraar pedagogiek. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden