Vrijwilligers Leen den Boer en Fermesk Saleh Kidhir op het kantoor van Vluchtelingenwerk in Vlaardingen.

Interview Vluchtelingenwerk

Veertig jaar Vluchtelingenwerk: ‘Vroeger werden vluchtelingen meer aan hun lot overgelaten’

Vrijwilligers Leen den Boer en Fermesk Saleh Kidhir op het kantoor van Vluchtelingenwerk in Vlaardingen. Beeld Arie Kievit

Vluchtelingenwerk Nederland bestaat vandaag veertig jaar. Leen den Boer (85) was er vanaf het begin bij betrokken. Fermesk Saleh Kidhir (31) leerde de organisatie kennen toen zij als tienjarige naar Nederland kwam, haar gevluchte vader achterna. Nu zet ze zich in als vrijwilliger. 

Het is 1979 als Leen den Boer een telefoontje krijgt. In Rotterdam is een groep vluchtelingen aangekomen uit Eritrea, of hij misschien iets kan betekenen. “Wij bemoeiden ons toen tegen de kerk aan”, verklaart Den Boer, nu 85 jaar oud. De groep vrijwilligers waar hij bijhoort, regelt vanuit Vlaardingen opvang en begeleiding voor achttien Eritreeërs uit Rotterdam. Bij particulieren thuis en, zoals hij het zelf verwoordt, ‘niet gehinderd door enige kennis’. 

Het is het allereerste begin van Vluchtelingenwerk Nederland, een vereniging die inmiddels een kleine duizend betaalde krachten heeft maar nog altijd voor het grootste deel draait op grofweg vijftienduizend vrijwilligers. Den Boer zet zich nu nog steeds in als taalcoach. 

Hij heeft nog altijd contact met een paar van die Eritreeërs van het eerste uur. “Zij waren hoog opgeleid, spraken best een beetje Engels. Dus dat ging wel.” Toen de zoon van Den Boer recent overleed, stond een van die mannen huilend voor zijn deur. Den Boer: “‘Mijn broertje’, zei hij steeds, ‘mijn broertje’. Wij moesten hem bijna troosten.” Zo hecht is de band als je iets doet voor iemand die reddeloos is, wil hij maar zeggen. “Als je gevlucht bent en er zijn mensen die je opvangen; dat blijft je een leven lang bij.”

Niet dat het allemaal van een leien dakje ging toen. Den Boer kan zich nog herinneren hoe families soms enorme telefoonrekeningen kregen omdat de vluchteling die ze opvingen naar huis had gebeld, en hoe de politie beslag legde op de telefoon van een bedrijf dat in de bovenliggende woning vluchtelingen had gehuisvest. Zij bleken lange telefoongesprekken gevoerd te hebben met het kantoor van de EPLF in Rotterdam, de partij die toen nog vocht voor onafhankelijkheid van Ethiopië. 

‘Wij vonden het onze plicht’

In diezelfde periode zijn er in Vlaardingen en omstreken ook mensen die zich bezighouden met de opvang van gevluchte Chilenen en Vietnamese bootvluchtelingen. Samen richtten zij de Vereniging Vluchtelingenwerk Vlaardingen op, Den Boer neemt een van de vrijwillige bestuursfuncties op zich. “En ik geloof dat ik ook nog voorzitter geweest ben”, peinst hij. Op de vraag waarom hij dat allemaal deed, naast zijn fulltime baan bij Damko Bakkerijgrondstoffen, haalt hij de schouders op. “Gewoon. Dat doe je gewoon. Dat vonden wij onze plicht.”

De kerk was vanaf het begin een bondgenoot, en in die periode komt er ook financiële steun van de gemeente. “Al ging dat niet helemaal goed”, vertelt hij. “We kregen achttienduizend gulden: duizend gulden per vluchteling die we begeleidden. Maar toen de vluchtelingen dat hoorden, wilden ze dat wij die duizend euro aan hen gaven. Terwijl dat bedoeld was voor begeleiding en taallessen.” 

Vrijwilliger Fermesk Saleh Kidhir (31) luistert geïnteresseerd naar Den Boer. Zij is nu iets meer dan anderhalf jaar vrijwilliger voor Vluchtelingenwerk in Schiedam. Daar helpt ze twee dagen per week statushouders met de gezinshereniging of bij het regelen van allerlei zaken in hun nieuwe gemeente. Zij weet niet anders of Vluchtelingenwerk is een grote organisatie die zich bezighoudt met begeleiding van vluchtelingen, zowel bij asielzoekerscentra als in gemeenten en bij terugkeer. Verder lobbyt de organisatie bij het ministerie, zet projecten op om statushouders aan werk te helpen en maakt lespakketten voor scholen. 

Dat was ook al zo toen Saleh Kidhir in de jaren negentig als tienjarige in het kader van gezinshereniging naar Nederland kwam, haar gevluchte vader achterna. “Mijn vader praatte altijd over vluchtelingenwerk maar ik begreep pas veel later wat voor organisatie dat was”, zegt ze. Een groot verschil dat haar opvalt tussen 2019 en eind jaren negentig: “Mensen werd toen minder zelfredzaamheid aangeleerd. Er werd veel minder van ze verwacht. Integratie was niet verplicht, taallessen waren er niet. Wat dat betreft werden mensen iets meer aan hun lot overgelaten.” 

Azc's waren oorspronkelijk een noodoplossing

Kon Vluchtelingenwerk alles die eerste jaren nog lokaal regelen met gemeenten en de opvang verzorgen bij particulieren, dat veranderde halverwege de jaren tachtig. In die periode vluchtten Tamils uit Sri Lanka naar Nederland en in tegenstelling tot de Vietnamezen, Eritreeërs en Chilenen konden zij op weinig sympathie rekenen. “Veel Nederlanders kenden Sri Lanka niet, en wisten niet wat voor conflict daar speelde”, zegt Jan van der Werff. Hij is directeur van Vluchtelingenwerk Oost-Nederland, en begon daar 31 jaar geleden als vrijwilliger. “De opvang van de Tamils liep spaak”, herinnert hij zich. 

Halverwege de jaren tachtig kwam daarom de eerste landelijke regeling voor asielzoekers: de Regeling Opvang Asielzoekers (ROA). Die verplichtte gemeenten om voldoende opvang te regelen, bijvoorbeeld in leegstaande pensions, hotels of in sociale woningbouw. Vluchtelingenwerk deed vanaf dat moment geen opvang meer, maar richtte zich op woonbegeleiding en belangenbehartiging. Hoewel er ook toen sprake was van een woningtekort, kan Van der Werff zich niet herinneren dat huisvesting voor veel spanningen zorgde. “Het was allemaal kleinschaliger. Er kwam iemand in een huis wonen, dan gingen we even kennismaken met de buren en was alle eventuele kou meteen uit de lucht.”

In die periode worden ook de eerste betaalde krachten aangenomen. “Toen ik in Arnhem kwam, in ’88, waren er dertien vrijwilligers en anderhalve betaalde kracht”, zegt Van der Werff. Ook de asielzoekerscentra zoals we die nu kennen, ontstonden eind jaren tachtig. 

Vanaf 1992 brengt de oorlog in voormalig Joegoslavië veel vluchtelingen op de been, en vanwege de hoge aantallen liep het opvangsysteem toen volgens Van der Werff ook ‘compleet vast’. Een jaar lang had Vluchtelingenwerk een gastgezinnenproject en kon het vluchtelingen bij Nederlanders plaatsen, maar dat bleek niet voldoende. In 1994 werd het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers opgericht, dat nog altijd verantwoordelijk is voor opvang. Oorspronkelijk waren de asielzoekers­centra zoals we die nu kennen bedoeld als noodoplossing, inmiddels zijn ze een gegeven. Vluchtelingenwerk is er nooit enthousiast over geweest. Volgens de organisatie is het voor de integratie van vluchtelingen beter om tussen Nederlanders te wonen.  

Soms denk ik: ‘Verdomme!’

Vrijwilligers als Den Boer en Saleh Kidhir zijn de kurk waarop Vluchtelingenwerk drijft. Het is dankbaar werk, zegt Saleh Kidhir. “Je kunt echt iets betekenen voor mensen. En het maakt mij dankbaar. Als ik thuiskom, zeg ik tegen mijn man: ‘wat hebben we het goed’. Daar ben ik me heel erg bewust van geworden. Dat vind ik mooi.” Den Boer en Saleh Kidhir horen, net als veel andere vrijwilligers, regelmatig tragische verhalen en worden geconfronteerd met verdriet. Den Boer slaat met zijn vuisten op tafel als hij vertelt over een vluchteling die hij kent en die zijn vrouw en pasgeboren zoontje maar niet naar Nederland krijgt. “Dan denk ik ‘verdomme!’ Maar daarna moet je het weer loslaten.” Saleh Kidhir knikt.

Ondanks het sterk gepolariseerde debat over migranten, en politici die het liefst de muren van fort Europa nog hoger zouden optrekken, merkt de organisatie dat het eigenlijk nooit veel moeite heeft gekost om voldoende mensen bereid te vinden te helpen. “In 2015, toen zoveel Syriërs hiernaartoe kwamen, hebben we mensen moeten aannemen om de aanmeldingen van vrijwilligers te verwerken”, zegt Van der Werff. “In Heumensoord (het tentenkamp dat werd neergezet bij Nijmegen omdat de azc’s vol waren, red.) kregen we meer aanmeldingen van vrijwilligers dan er asielzoekers waren.” 

Het is een rare gewaarwording, zegt Van der Werff, om te merken hoe groot het verschil is tussen wat het politieke debat uitstraalt en wat hij in de praktijk ziet. “Als ik iets zou moeten kiezen, zou ik zeggen dat dat de meest opvallende verandering is in veertig jaar tijd.” 

De heftige manier waarop het debat over asielzoekers gevoerd wordt, is redelijk nieuw, zegt ook Den Boer. “Vroeger hadden we allemaal medelijden met vluchtelingen, nu hebben we het ineens over gelukszoekers.” Volgens Van der Werff waren de aanslagen van elf september 2001 in de Verenigde Staten en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh in Nederland belangrijk bij deze veranderende opvattingen. Ook het feit dat vluchtelingen uit steeds meer verschillende landen komen, speelt mee. “De wereld is kleiner geworden”, zegt Van der Werff. Dat maakt het moeilijker voor Nederlanders om zich te identificeren met één groep, zoals dat wel gebeurde met bijvoorbeeld de intellectuele linkse Chilenen uit de jaren zeventig.

Den Boer ziet ondertussen een nieuw type vluchteling ontstaan. “De klimaatvluchteling”, zegt hij, terwijl hij op een verhaal tikt over klimaatverandering in de krant die voor hem op tafel ligt. “We gaan in de toekomst meer klimaatvluchtelingen zien.” Het baart hem zorgen. “Vluchtelingenwerk moet werken aan draagvlak, anders ontwricht het de samenleving.”

Lees ook:

Vriend en vijand zijn het eens: vluchtelingen hebben meer hulp nodig
Vluchtelingen met een verblijfsvergunning vinden moeilijk een baan. Cultuurverschillen, stress en het inburgeringsbeleid spelen hun parten. Vrijwilligers van Vluchtelingenwerk helpen bij de zoektocht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden