AnalyseWetsvoorstellen

Staatlozen wachten nog veel te vaak op een stempel

null Beeld Fadi Nadrous
Beeld Fadi Nadrous

Het vaststellen van staatloosheid is in Nederland niet goed geregeld. Twee wetten moeten dit probleem oplossen, maar op die wetten is nog altijd veel kritiek.

Johan van Heerde

Al decennialang heeft Nederland geen fatsoenlijke procedure waarmee mensen kunnen bewijzen dat ze geen nationaliteit hebben. Dat geldt bijvoorbeeld voor Rohingya uit Myanmar die zijn gevlucht en niet meer worden erkend door hun thuisland. En ook voor in Nederland geboren kinderen die anders geen nationaliteit hebben, ligt geen paspoort klaar.

Dat staat haaks op de twee VN-verdragen uit 1954 en 1961 die Nederland heeft ondertekend. In 2011 trok VN-organisatie UNHCR daarom aan de bel: Nederland schoot tekort om zogeheten staatlozen te beschermen en staatloosheid te voorkomen. In 2013 herhaalde de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken die kritiek.

En dus beloofde de Nederlandse overheid in 2014 beterschap. Woensdag, acht jaar later, wordt er gedebatteerd over twee wetsvoorstellen over staatloosheid. Deel een van het debat was al in april, maar dat gesprek liep zo uit dat het debat woensdag wordt vervolgd.

‘Nationaliteit onbekend’

Erkenning van staatloosheid is belangrijk voor mensen die geen ander thuis hebben. Het geeft rechten, zo kan men documenten aanvragen en is er zicht op (een procedure tot) Nederlanderschap. Wie niet wordt erkend als staatloos krijgt het stempel ‘nationaliteit onbekend.’ Zo leven enkele tienduizenden mensen in Nederland in een soort limbo, zonder rechten of uitzicht op een toekomst.

Een van de twee wetsvoorstellen zorgt ervoor dat in Nederland een procedure bij een rechtbank komt voor de erkenning van staatloosheid. Betrokken instanties zijn blij dat er na al die vertraging ‘eindelijk’ sprake is van voortgang.

Maar tegelijk worden met de huidige wetten niet de belangrijkste problemen opgelost die in de rapporten in 2011 en 2013 naar voren kwamen, stellen critici.

Zo voorziet de vaststelling van staatloosheid niet in een verblijfsvergunning, terwijl de intentie van het VN-verdrag waar Nederland aan wil voldoen juist is om staatloosheid te beëindigen. Zo wijkt Nederland af van regelingen die landen als Spanje, Frankrijk en Hongarije op basis van dezelfde verdragen wel hebben.

Aanzuigende werking

Die koppeling met een verblijfsvergunning ontbreekt omdat staatssecretaris Eric van der Burg (VVD) een ‘aanzuigende werking’ wil voorkomen, oftewel: misbruik van de wet door migranten die deze procedure zouden gebruiken om het Nederlanderschap te bemachtigen. De erkenning van staatloosheid is een opstap naar een verblijfsstatus en geeft dus voldoende perspectief, aldus Van der Burg tijdens deel één van het debat over deze nieuwe wetsvoorstellen.

Volgens instituten die staatloosheid onderzoeken is er echter geen bewijs voor een aanzuigende werking in andere landen. Verschillende (oppositie)partijen wilden van de staatssecretaris daarom voorbeelden zien van misbruik van regelingen voor staatlozen.

Misbruik is namelijk ook het motief voor de staatssecretaris om strenge voorwaarden te stellen aan het tweede wetsvoorstel. Dat behelst een verruiming van de procedure om in Nederland geboren staatloze kinderen zonder verblijfsvergunning de mogelijkheid te geven voor het verkrijgen van Nederlanderschap. Het wetsvoorstel stelt dat deze kinderen hier tien jaar, in de volksmond illegaal, moeten verblijven voordat ze verblijfsrechten krijgen toegekend.

Het verschil met kinderen mét een verblijfsvergunning om geholpen te worden is zo zeven jaar. Onder meer de Orde van Advocaten noemde dat verschil recentelijk nog ‘disproportioneel.’

‘Stabiel’ schrappen

Die tien jaar dat kinderen hier verblijven moet volgens het voorstel ook nog ‘stabiel’ zijn. Dat wil zeggen: ouders moeten al die tijd hebben meegewerkt met immigratiediensten, bijvoorbeeld in het kader van uitzetting. Critici noemen die voorwaarde onrechtmatig omdat een dergelijke voorwaarde niet aansluit bij de verdragen die de staatssecretaris met deze wetten juist wil naleven. Zo is de Raad van State van mening dat het woordje ‘stabiel’ moet worden geschrapt.

Ook coalitiepartijen ChristenUnie en D66 zijn niet blij met deze twee onderdelen van de nieuwe wet, bleek tijdens het eerste deel van het debat in april. De partijen dienden daarom amendementen in om die tien jaar terug te brengen naar vijf jaar, en het woord stabiel te schrappen.

De twee partijen stonden in deze tegenover coalitiepartner VVD, terwijl de vierde coalitiepartij, het CDA, nog geen duidelijke kant koos. Die partij heeft zodoende mogelijk een sleutelrol in de discussie over deze twee wetten, die opnieuw laat zien dat migratie een splijtzwam is in de coalitie.

Woensdag moet tevens blijken of staatssecretaris Van der Burg, vaak getypeerd als de stem van links binnen de VVD in deze coalitie, gevoelig is voor de kritiek op de twee wetswijzigingen en of hij water bij de wijn wil doen.

Lees ook:

Al dertien jaar probeer ik Nederlander te worden

Als vluchteling heeft hij geen paspoort. En zonder paspoort kan hij geen bestaan opbouwen in Nederland. Welke staatssecretaris doet daar eindelijk wat aan, vraagt Yosef Tekeste-Yemane zich wanhopig af.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden