Strafproces

Spreken is zilver, zwijgen is goud. Geldt dat ook in de rechtszaal?

null Beeld Sjoerd van Leeuwen
Beeld Sjoerd van Leeuwen

De mannen in Marengo, de vermeende schutter in de moord op Peter R. de Vries, Jos B. in de zaak Nicky Verstappen: veel verdachten houden hun kaken stijf op elkaar voor het hekje. Dat is hun goed recht. Maar levert het ook wat op?

Isabel Baneke

Vastberaden gaf hij antwoord op de vraag van de rechter. “Nee.” Delano G. voelde afgelopen week geen enkele ­behoefte om iets te zeggen over de beschuldigingen aan zijn adres. Justitie stelt dat de 22-jarige Rotterdammer het ­dodelijke schot op Peter R. de Vries heeft ­gelost, iets wat de verdachte in de rechtbank ontkende noch bekende. Net als bij eerdere verhoren beriep hij zich op zijn zwijgrecht. “Ik heb niks te melden.”

G. is bepaald niet de enige verdachte die de kaken stijf op elkaar houdt. Neem Marengo. Het gros van de in totaal zeventien mannen die terechtstaan in dat lopende proces, laat niets los over de reeks liquidaties en moordpogingen waarvan de groep wordt verdacht. “Het is een beetje een onemanshow hier”, verzuchtte de rechtbank tijdens een van de zittingen. “Eenrichtingsverkeer.”

Ook uit de monden van justitie en politie is gemopper te horen over zwijgende verdachten. Het irriteert dat het duo, dat eerder deze maand werd veroordeeld voor de moord op advocaat Derk Wiersum, niets loslaat over de motieven van de daad. Ook de stilte van Jos B. uit de zaak Nicky Verstappen leidde tot wrevel, net als de proceshouding van Gökmen T., de man achter de tramaanslag in Utrecht.

“Wie naar de vele geruchtmakende zaken van de afgelopen jaren kijkt, zou haast denken dat iedere verdachte zich tegenwoordig in stilzwijgen hult”, zegt de Leidse hoogleraar strafrecht Jan Crijns. “Maar dat is niet zo. Sterker nog: in de zittingen die ik als plaatsvervangend rechter doe, vaak de wat kleinere zaken, wordt meer gesproken dan gezwegen. Ik vraag me dan ook af of het aandeel zwijgende verdachten daadwerkelijk is toegenomen. Hard bewijs voor die stelling ontbreekt in ieder geval.”

Wel denkt Crijns dat de kritiek op het zwijgrecht is gegroeid. “Misschien heeft dat te maken met de steeds belangrijker wordende rol van slachtoffers en nabestaanden, zowel in de rechtszaal als de media. Voor hen kan het héél frustrerend zijn als de ­verdachte niks wil zeggen over de laatste momenten van hun geliefde. Dat was ­natuurlijk altijd al zo, maar nu krijgen die emoties meer aandacht dan voorheen. Zodoende voelt de samenleving wellicht meer dan vroeger met hen mee, iets wat de tolerantie voor het zwijgrecht kan aantasten.”

De oorsprong: het folteren van verdachten

Niet alleen nabestaanden en burgers, ook sommige juristen uiten hun twijfels over verdachten die hun mond houden. Zo opperde Pieter van der Kruijs, een inmiddels gepensioneerde advocaat die in 2010 zwemleraar Benno L. bijstond, in deze krant om het zwijgrecht te schrappen. Ook oud-strafrechter Jan-Willem Nieuwenhuijsen pleit al jaren voor inperkingen.

“Zelf ben ik daarop tegen”, zegt Crijns. “Al snap ik dat het zwijgrecht als hinderlijk kan worden ervaren, het is een fundamenteel onderdeel van het recht op een eerlijk proces. In Nederland zijn verdachten onschuldig tot het tegendeel is bewezen. Het is aan de overheid om een strafbaar feit te bewijzen, en niemand kan verplicht worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken door verklaringen af te leggen.”

De oorsprong van het zwijgrecht ligt in het folteren van verdachten, een paar eeuwen terug nog een gangbare praktijk om een bekentenis af te dwingen. “Dat gebeurt nu niet meer. Toch blijft het zwijgrecht een heel belangrijk recht. Er kan namelijk nog altijd ongeoorloofde druk op verdachten worden uitgeoefend. Zo denk ik dat iedereen zich de beelden van de verhoren rond de Arnhemse villamoord wel kan herinneren.” In die omstreden zaak gebruikten rechercheurs verhoortechnieken die de kans op onjuiste veroordelingen opschroefden, ­concludeerde een onderzoekscommissie drie jaar geleden. Zo dreigden ze met lange gevangenisstraffen en schermden ze met niet bestaand bewijs.

Liegen is ook een optie

Er is nóg een reden waarom de hoogleraar niets voelt voor de afschaffing of aanpassing van het zwijgrecht. “Ik betwijfel of het de waarheidsvinding in rechtszaken ten goede komt. Wanneer verdachten al dan niet indirect worden gedwongen te praten, bijvoorbeeld door strafverzwaring voor zwijgende verdachten in te voeren, kan dat afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van verklaringen. Want naast spreken of zwijgen, kunnen verdachten ook voor een derde optie gaan: liegen.”

Om uiteenlopende redenen kiezen verdachten nu veelvuldig voor optie twee. Zo zijn er mensen die uit principe weigeren mee te werken met de politie. Verdachten worden soms betaald om te zwijgen, of vrezen voor repercussies. Daarvan lijkt bijvoorbeeld sprake te zijn in de liquidatiezaken rond Wiersum en De Vries. Justitie vermoedt dat de vermeende uitvoerders van die moorden niets loslaten uit lijfsbehoud. Wie praat, die gaat, zo luidt immers het adagium in bepaalde criminele milieus.

Hun proceshouding kiezen verdachten niet altijd zelf. Vaak beroepen zij zich op advies van hun advocaat op het zwijgrecht, en is de stilte onderdeel van een juridische strategie. De verdediging wil het Openbaar Ministerie niks wijzer maken, bijvoorbeeld. Of voorkomen dat woorden verkeerd worden begrepen of op een later moment anders worden uitgelegd. Vooral wanneer mensen snel dichtslaan, er alles juist meteen uitfloepen, of psychisch kwetsbaar zijn, kan het verstandiger zijn om te zwijgen.

Een extreem voorbeeld waarbij het fout ging: vlak na de moord op Mariëlla de Geus in 2001 kwam Nourdin B. in beeld als verdachte. Hij verklaarde dat het aangetroffen sperma op het lijf van de vrouw van hem was. Maar dat was quatsch. DNA-onderzoek sloot hem uit als verdachte. B. bleek een psychiatrisch patiënt.

null Beeld
Beeld

Soms is spreken dus zilver in strafzaken, en zwijgen goud. Maar wanneer precies? Wat levert de stiltestrategie op? “Ja”, stelt Crijns, “dat is natuurlijk de hamvraag.” Een eenduidig antwoord heeft hij niet. “Wat ­betreft straftoemeting is het vrij simpel. Wanneer een verdachte daadwerkelijk wordt veroordeeld, kan het zeker helpen als iemand inzicht heeft getoond, spijt heeft betuigd en hulp van de reclassering accepteert. Iemands spraakzaamheid kan het ­verschil maken tussen een voorwaardelijke of een onvoorwaardelijke straf.”

Maar gaat het om de bewijsbeslissing, dan vindt de academicus de voordelen moeilijker in te schatten. “Als er meer dan genoeg bewijs tegen iemand is verzameld, dan maakt het natuurlijk niks uit wat de verdachte doet. Op basis van dat bewijs kan hij dan al worden veroordeeld. Maar in andere gevallen ligt dat genuanceerder. Zwijgen kan dan soms niet, maar soms ook wel verkeerd uitpakken.”

Als je eigen woorden zich tegen je keren

De Utrechtse strafrechtadvocaat Claudia Lammers sluit zich daarbij aan. “De eventuele winst van het zwijgrecht is afhankelijk van de aard van de zaak.” Toch durft ze te stellen dat in zaken zonder stevig bewijs, waarin het erom spant of de rechter de boel rondkrijgt, stilte de slimste keuze is. “Spreken kan in die gevallen een nadelig effect hebben.”

Stel dat iemand het volgende verklaart: in die straat ging ik, geloof ik, naar links. En uit de camerabeelden blijkt dat diegene rechtsaf sloeg. Dan kan de verdachte op de rechter overkomen als leugenachtig. “Jouw eigen woorden kunnen in zulke gevallen nét het bewijsmiddel zijn waardoor de rechter besluit om je te veroordelen. Had je daarentegen gezwegen, dan was je vrijgesproken.”

Zoeken naar de beste koers

Toch erkent Lammers dat ze soms worstelt met het bepalen van haar advies aan cliënten. Want net als Crijns weet ze dat zowel aan spreken als zwijgen risico’s kleven. Zelfs voor mensen die niks te verbergen hebben, is het volgens de raadsvrouw niet altijd slim om te verklaren. Mensen kunnen zich bijvoorbeeld vergissen, zoals in bovenstaand voorbeeld. Ook kan de politie ­iemands woorden verdraaien, en zet de ­recherche soms flinke druk op verdachten om hun informatie te ontlokken.

“In het begin raad ik cliënten eigenlijk meestal aan te zwijgen, net als de meeste advocaten. Dat voelt vreemd wanneer ­iemand niets te verbergen heeft. Maar al spreek je de waarheid, er zijn zoveel manieren waarop woorden verkeerd of onvolledig in het proces-verbaal terecht kunnen komen. En je kunt altijd op een later moment besluiten je mond open te trekken.”

Uit ervaring weet Lammers dat het zinvol is om in elk geval te zwijgen tot de ­advocaat heeft achterhaald wat in het ­politiedossier over de verdachte zit. “Wat is er gebeurd? Waar wordt mijn cliënt precies van verdacht? En over welke gegevens beschikt de politie? Pas als ik dat weet kan ik als advocaat de beste koers voor mijn cliënt bepalen.”

Job Knoester, strafrechtadvocaat in Den Haag, deelt die opvatting. Toch adviseert hij zijn cliënten steeds minder vaak hun ­kaken op elkaar te houden. “Ik ontwaar een ontwikkeling in de rechtspraak”, legt hij uit. “Hoe later in de procedure je een verklaring aflegt, hoe minder waarde de rechter aan je woorden hecht.”

Trukendoos

Zeker bij zaken waarin iemand in voorlopige hechtenis zit, zijn verdachten vaak pas bereid uitleg te geven wanneer zij voor de rechter zitten. Het hele traject daarvoor houden zij hun mond. “En ik merk dat rechters dat hun vaker dan voorheen aanrekenen. Ze zeggen dan te vermoeden dat de verdachte zijn verklaring heeft aangepast aan het dossier, geloven hem niet meer.”

Kwalijk, vindt Knoester. “Ligt er bewijs tegen een verdachte, dan mag een rechter bij de uitleg van die bewijsmiddelen rekening houden met het feit dat de verdachte zwijgt. Maar het zwijgen zelf mag niet als bewijsmiddel worden opgevoerd. Ik vind dus dat we moeten oppassen met de tendens dat rechters het zwijgrecht deels meewegen in het nadeel van de verdachte. Het is glad ijs: je belandt snel in een situatie waarin je mensen toch een beetje gaat dwingen mee te werken aan hun eigen veroordeling.”

Bovendien, gaat Knoester verder, hoeven die latere verklaringen helemaal niet in strijd met de waarheid te zijn te zijn. Zo kan het zijn dat een verdachte pas voor de rechter openheid van zaken wil geven, omdat zijn advocaat hem heeft gewaarschuwd voor de manier waarop de politie hem zou gaan ondervragen.

“De verhoortechnieken zijn soms bedenkelijk te noemen.” Net als Crijns ziet Knoester dat de belangen van slachtoffers van ­delicten steeds zwaarder wegen. “En dat gaat soms ten koste van het strafproces.” Hij komt met voorbeelden. “Soms maken rechercheurs me zwart tegenover mijn cliënt. En ik kan me een zaak herinneren waarbij de politie mijn cliënt voorhield dat er twee getuigenverklaringen tegen hem lagen. Op mijn advies bleef hij zwijgen. Gelukkig maar, want die verklaringen bleken er helemaal niet te zijn.”

Verklaring van tien kantjes

Adviseert hij cliënten te zwijgen, dan stopt Knoester veel tijd in het geven van ­instructies. “Je moest eens weten hoeveel mensen zich op hun zwijgrecht beroepen om vervolgens een verklaring af te leggen van tien kantjes.” Zijn cliënten bereidt hij dus voor op de trukendoos van de rechercheurs. “Ik leg hun de vragen voor die ik verwacht, adviseer ze oogcontact te vermijden, dat soort dingen.”

Eén cliënt vond het zo moeilijk om zijn mond te houden, vertelt Knoester, dat de advocaat hem elke– ochtend naar zijn ­kantoor liet bellen. “Dan herhaalde ik wat we die dag gingen doen: zwijgen. Tijdens de verhoren heb ik hem hardop liedjes laten zingen.” Later stelde het Pieter Baan Centrum vast dat de man zwakbegaafd is, schizofreen en chronisch psychotisch. “Zeker in dat soort gevallen kan het verstandig zijn om niet te praten. Het zwijgrecht is onmisbaar.”

Correctie 25-10

In een eerder versie van dit artikel is per abuis een verkeerd woord gebruikt. “Al snap ik dat het spreekrecht als hinderlijk kan worden ervaren, het is een fundamenteel onderdeel van het recht op een eerlijk proces”, stond in een quote van Jan Crijns. ‘Spreekrecht’ had ‘zwijgrecht’ moeten zijn. Dit is aangepast.

Lees ook:

‘Snelle wetswijzigingen zorgen alleen maar voor desillusies bij slachtoffers’

Een nieuwe wetswijziging moet zorgen voor betere bescherming van slachtoffers van delicten, maar het OM vreest een ander effect. Procureur-generaal Rinus Otte hoopt daarom dat politici pas op de plaats maken.

Zwijgen, spreken of liegen. Waar kiest Jos B. voor?

Het DNA van Jos B. is aangetroffen op de onderbroek van de in 1998 dood gevonden Nicky Verstappen (11). Dat schreeuwt om een verklaring van de man, zei misdaadverslaggever Peter R. de Vries, die de familie van de jongen bijstaat, eerder. Maar B. houdt zijn mond over de fatale nacht.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden