InterviewOpenbaar Ministerie

‘Snelle wetswijzigingen zorgen alleen maar voor desillusies bij slachtoffers’

Procureur-generaal Rinus Otte. Beeld Phil Nijhuis
Procureur-generaal Rinus Otte.Beeld Phil Nijhuis

Een nieuwe wetswijziging moet zorgen voor betere bescherming van slachtoffers van delicten, maar het OM vreest een ander effect. Procureur-generaal Rinus Otte hoopt daarom dat politici pas op de plaats maken.

Slachtoffers van delicten moeten in strafzaken sterker staan. Deze wens vanuit de samenleving vindt een ge­willig oor in het parlement, dat met wets­wijzigingen komt, zoals de Wet uitbreiding slachtofferrechten, waarover de Eerste Kamer dinsdag debatteert. Procureur-generaal bij het Openbaar Ministerie Rinus Otte begrijpt de beweging naar meer aandacht voor het slachtoffer, maar vreest te hoge verwachtingen en ­gedesillusioneerde slachtoffers.

Voordat we ingaan op de nieuwe wet en de onwenselijke gevolgen, eerst iets over het grotere geheel. Het slachtoffer wint aan ­belang in het strafrecht. Wat vindt u van die ontwikkeling?

“Het slachtoffer is niet het middelpunt van een strafzaak. Dat is de verdachte en het strafbaar feit. Dat strafbare feit of de verdenking leidt tot een veroordeling of vrijspraak. Dat maakt dat er altijd sprake moet zijn van evenwicht in de belangen. Wordt er voldoende gedaan om tot een evenwichtige, goede opsporing te komen, waarbij geen tunnelvisie ontstaat? Wordt bij uitvoering van de straf het belang van het slachtoffer voldoende meegenomen?

“Dat laatste is belangrijk, omdat na de strafzaak de vraag speelt of de samenleving en het slachtoffer vinden dat er recht is ­gedaan. Dat zorgt voor draagvlak. Zonder draagvlak bij slachtoffers en samenleving dreigt eigenrichting.”

Wie is Rinus Otte?

Rinus Otte (60) is sinds 2016 lid van het college van procureurs-generaal. Voor die tijd was hij rechter in Assen (1995-1999) en raadsheer van het gerechtshof in Arnhem (1998-2005) Tussen 2005 en 2008 was hij vicepresident van het gerechtshof in ­Amsterdam. Sinds 2009 is hij ­bijzonder hoogleraar ‘organisatie van de rechtspleging’ aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Het parlement houdt rekening met dat draagvlak en gaat voortvarend te werk met wetswijzigingen om de positie van slachtoffers te versterken. Iets te voortvarend, vindt u.

“Wat je ziet is dat wijzigingen in het strafrecht elkaar snel, vaak te snel, opvolgen. En dat zie je dus ook op het gebied van de positie van slachtoffers in de zittingszaal. Verdachten moeten verplicht verschijnen, slachtoffers krijgen een uitgebreider spreekrecht en ook meer mensen dan voorheen krijgen spreekrecht, bijvoorbeeld stief­familie. Allemaal terecht, invoelbaar en begrijpelijk, maar toch maak ik me daar zorgen over. Omdat de wijzigingen niet zijn bij te benen, bijna niet zijn uit te voeren en de nieuwe regels niet beklijven en bezinken. Wetgeving moet tientallen jaren mee. Burgers moeten weten waar ze aan toe zijn. Dan moeten die regels niet te snel veranderen en organisaties de tijd krijgen zich voor te bereiden op wijzigingen.

“Strafrecht is complex, draait om veel partijen. Het slachtoffer is meestal het begin van een strafzaak, maar het middelpunt is een zorgvuldig proces, zorgvuldige waarheidsvinding. Dat evenwicht staat voort­durend onder druk. Dat zou minder zijn als we minder wijzigingen zouden doorvoeren op korte termijn. Ik snap het wel, de Kamer vertolkt vaak zorgen of onvrede van de burgerij. Als burgers ergens ongelukkig over zijn, dan doet het parlement daar iets mee. Zonder te denken dat het wellicht beter is wijzigingen op te sparen en tijd te nemen voor de invoering. Het moet altijd zo snel mogelijk. Ik ervaar dat als een soort consumentisme. Dat past bij deze tijd, maar het draait het overheidsapparaat voor een deel dol. Neem meer tijd. En vooral: betrek de organisaties erbij die het werk moeten doen. Probeer niet te veel verwachtingen te wekken en doe niet aan illusiepolitiek. Neem de tijd voor reflectie.”

Over op de inhoud van de wetswijziging. Daarin staat een verruiming van het spreekrecht. Op onderdelen is dat volgens u zo complex, dat een verruiming een goede afhandeling van strafzaken juist in de weg staat. En dus ook de belangen van slachtoffers schaadt.

“Spreekrecht, en dat zeg ik als oud-rechter uit ervaring, is ongemeen complex. Neem tbs. Uitbreiden van spreekrecht voor slachtoffers bij tbs klinkt redelijk. Maar stel, je hebt een verlengingszitting (zie kader). Daar wordt vooral gesproken over de stoornis van de veroordeelde, maar ook over voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Bij (voorwaardelijke) beëindiging hoeft de tbs’er niet langer in de kliniek te verblijven, maar eventuele beëindiging komt pas tijdens de zitting aan de orde. Dat weet je van tevoren niet. Stel, de rechter overweegt (voorwaardelijke) beëindiging, dan pas kan een slachtoffer spreekrecht uitoefenen. Maar die is dan niet op de zitting, omdat deze besloten is en het slachtoffer niet standaard bij deze zittingen aanwezig is. Om spreekrecht uit te oefenen, moet de zaak dus worden aangehouden en is er waarschijnlijk pas na een maand of vier weer plek op zitting. Dan kan het slachtoffer ­komen en wordt de zaak verder behandeld. Tegelijkertijd is er enorme druk vanuit de samenleving en vanuit de Kamer om de doorlooptijden van strafzaken te bekorten. Dan helpt spreekrecht bij dit soort tbs-­zaken niet mee. Je ziet ook bij dit thema dat er allerlei valide belangen spelen die met elkaar botsen en waar de balans makkelijk verstoord kan raken.”

Wet uitbreiding slachtofferrechten, de belangrijkste punten

Privacy:

Persoonlijke gegevens van het slachtoffer moeten uit het strafdossier worden gehaald.

Spreekrecht tijdens ­verlengingszitting tbs:

Elke twee jaar beslist de rechter in een verlengingszitting of tbs wordt verlengd. Slachtoffers krijgen tijdens deze ­zitting spreekrecht.

Verschijningsplicht:

Verdachten van ernstige ­zeden- of geweldsmisdrijven moeten op de zitting verschijnen, zodat zij naar het slacht­offer moeten luisteren als deze zijn of haar spreekrecht uitoefent.

Uitbreiding sociale kring:

Het spreekrecht is nu voorbehouden aan bloedverwanten en partners. Dat wordt uitgebreid met stieffamilie.

Dan een ander inhoudelijk probleem dat u voorziet: de privacy van slachtoffers. ­Informatie over slachtoffers moet uit de dossiers worden gehaald om hun persoonlijke levenssfeer te beschermen.

“Ja, dat gaat ons – ofschoon de motieven invoelbaar zijn – zeker parten spelen. Dat gaat ons ruim twintig miljoen euro kosten. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering wordt bij het OM gelegd. Maar dat kan niet. Politie, reclassering en andere partijen in de strafrechtketen leveren informatie aan die uiteindelijk in het dossier komt. Het OM heeft geen mogelijkheden – want geen bevoegdheid – hen instructies te geven, maar wordt wel eindverantwoordelijk gemaakt. Dat is niet werkbaar en feitelijk onmogelijk.

“Dan de praktische vraagstukken. De rechter bijvoorbeeld moet kunnen verifiëren wie het slachtoffer is. Die informatie moet bekend zijn, omdat de rechter het slachtoffer ook moet kunnen ondervragen als getuige. Dat lukt niet als slachtofferge­gevens zijn geanonimiseerd. Het is ook ondoenlijk om te anonimiseren. Dat betekent dat je uit tapverslagen, medische rapportages, enzovoorts gegevens moet schrappen. Stel dat je een straf oplegt en de verdachte niet in de buurt van het slachtoffer mag komen, dan heb je wel het adres nodig. Daarbij is de plaats delict soms het adres van het slachtoffer.

“Ik begrijp de wens. Het is ook heel goed dat organisaties als Slachtofferhulp Nederland, uit wier koker dit idee komt, zich hard maken voor de privacy van slachtoffers. Ze doen ook echt goed werk met hun bijstand aan slachtoffers. Daar hebben wij als OM veel waardering voor en baat bij. Maar dit idee schiet zijn doel voorbij.

“We hoorden zojuist dat als die wet er doorheen komt, deze op 1 juli ingevoerd zou moeten worden. Normaal staat er een jaar voor, maar in de praktijk duurt het vaak twee jaar of langer. Dan moet ik denken aan de toeslagenaffaire.”

Uitvoerbaarheid van wetten

Met de toeslagenaffaire doelt Otte op de ­affaire rondom de Belastingdienst, die ten onrechte burgers verdacht van fraude en hen jarenlang het leven onmogelijk maakte. Dat begon bij de wens vanuit de samen­leving om fraude met uitkeringen strenger aan te pakken. Het parlement, de wetgevende macht, reageerde en besloot strenger op te treden, ondanks waarschuwingen van de uitvoerders.

In de reactie op het rapport waar Otte naar verwijst, stelt het kabinet van de affaire te hebben geleerd. Voortaan zal het kabinet als wetgever meer letten op de uitvoerbaarheid van wetten. Maar Otte ziet dat niet terug in de manier waarop het parlement nu de rechten van slachtoffers wil versterken.

“De toeslagenaffaire bewijst weer dat strengheid, stelligheid en steilheid nodig zijn naar de staatsmacht van het parlement en de uitvoerende macht van de minister. We zeggen nu: we zijn nog niet klaar voor de uitvoering van deze wetswijziging. We hebben te weinig geld en te weinig mensen.”

Als het OM de wet niet kan uitvoeren, dan komen jullie in een vreemde situatie: het OM voert de wet dan niet uit.

“Dan komen we inderdaad in een positie die we niet ambiëren. Wij zijn een wetsgetrouwe organisatie – van het OM mag je uiteraard verwachten dat de wet wordt gevolgd, dus dit willen we niet. De eerste staatsmacht, de wetgevende, heeft het voor het zeggen. Maar tot het moment dat een wet voluit is geïmplementeerd, is het onze dure plicht om zo veel mogelijk te waarschuwen voor de bijeffecten, voor de kosten, voor de duur van de invoering en de ­illusies en (politieke) verwachtingen die erachter schuilen. Daarna moet het over zijn.

“Maar we gaan pas uitvoeren als het kan. Anders moeten we slachtoffers teleurstellen, omdat het niet is gelukt de persoonlijke gegevens te anonimiseren en dan bieden we schijnveiligheid. Wij hebben immers de verantwoordelijkheid dat er niet meer desillusie ontstaat bij slachtoffers.”

De magistratuur is kritisch over de nieuwe wet, net als de advocatuur en het Openbaar Ministerie. Toch luistert het parlement niet.

“We leven, zoals u kunt zien en lezen, in een hectische tijd. De druk op het parlement is groot. Het parlement wil begrijpe­lijkerwijs de vertolker zijn van maatschappelijke behoeftes en onbehagen. Slachtofferbelangen horen daarbij. Dat het parlement belangen afweegt, is juist. Ook heb ik begrip voor het departement. Maar vanuit de verantwoordelijkheid van het college van procureurs-generaal is het noodzakelijk om te waarschuwen. Dat noemen we tegenmacht, een modern begrip in deze tijd. ­Tegenmacht heb je vanuit het parlement, maar het parlement zelf heeft uiteraard ook tegenmacht nodig vanuit organisaties die het werk moeten doen.

“Als we geen monisme willen, luister dan niet alleen naar burgers die ontevreden zijn, maar ook naar professionals die naar eer en geweten belangen van burgers, ook van slachtoffers, zo goed mogelijk behartigen. Dat is een uiterst ingewikkelde cadans.”

Stel, u was minister van justitie. Wat had u gedaan?

Ik kan mij niet verplaatsen in de positie van de minister, maar het uitgangspunt dat pas tot wetgeving wordt overgegaan als alle uitvoeringsproblemen in kaart zijn gebracht, en dat organisaties in de uitvoering voldoende tijd krijgen, zou heel belangrijk moeten zijn. Ondertussen zou ik zeggen: de kern van het probleem is dat slachtoffers zich in de kou voelen staan. Dat is breder dan de technische facetten van slachtofferinformatie. Het gaat namelijk vooral om de bejegening van slachtoffers. Ik zou daar eerder in investeren dan in technische, procesmatige wijzigingen die voor zoveel uitvoeringsproblemen zorgen.”

De bejegening van slachtoffers?

“Ja, ik denk dat daar veel te winnen is. Het zal je overkomen dat er is ingebroken, of dat er iets is gebeurd met je kinderen, je partner of familielid, en dat je moet wachten zonder te weten wat er precies gebeurt. Dat wachten voedt onzekerheid. Slachtoffers hebben niet altijd het gevoel dat ze goed worden behandeld. Ik heb daar begrip voor, want soms ziet een rechter al dat een zitting uitloopt, soms heb je een dominant slachtoffer, of verdachte, of wil een advocaat ineens een uur pleittijd in plaats van een kwartier. Dat kan ten koste gaan van de manier waarop slachtoffers worden benaderd, maar goed is dat niet. Ook met brieven op maat, in plaats van een standaardbrief, valt terrein te winnen. Sinds vorig jaar heeft het OM veertig extra slachtoffercoördinatoren aangesteld die zich alleen maar bezighouden met het begeleiden en informeren van slachtoffers. Maar er valt ook voor onze organisatie nog genoeg te verbeteren op dit vlak.

“We willen dat slachtoffers recht ervaren. Als een straf anders is dan het slacht­offer had gewild, is het onze plicht hen met voldoende geduld uit te leggen dat de straf in proportie is met soortgelijke misdrijven. Het komt aan op overtuigend en goed uitleggen. Neem de tijd om slachtoffers te woord te staan, dan beteken je meer voor hen, als politierechter, slachtofferhulp, officier van justitie en reclassering.

“Volgens mij komt dat dichter bij de kern van wat slachtofferorganisaties willen, dan de wetswijziging die nu in de eerste Kamer ligt.”

Lees ook:

De rol van slachtoffers in de rechtszaal groeit, tot ongenoegen van advocaten

Opnieuw krijgen slachtoffers een grotere rol in het strafproces. Hun belangenbehartigers zijn er blij mee, maar advocaten zien deze trend met lede ogen aan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden