Selma van de Perre

InterviewSelma van de Perre

Selma van de Perre (97) doet nu pas haar verhaal over het concentratiekamp. ‘Ik gunde het de Duitsers niet dat ik doodging’

Selma van de Perre Beeld Patrick Post

Het heeft lang geduurd voor ze kon vertellen over wat haar is overkomen in de oorlog. De inmiddels 97-jarige Selma van de Perre werd als Joodse verzetsvrouw opgepakt en belandde uiteindelijk in concentratiekamp Ravensbrück. Ze verloor in de Tweede Wereldoorlog haar ouders, haar zusje en talloze andere geliefden. Deze week verschijnen haar oorlogsherinneringen.

Er zijn ‘afschuwelijke momenten’ geweest die nog altijd voor haar ogen verschijnen als zij terugdenkt aan concentratiekamp Ravensbrück, zegt Selma van de Perre. Ze verbleef in dit nazi-vrouwenkamp negen maanden tussen 1944 en 1945. “Ik zie dan bijvoorbeeld de lijkwagen voor me die iedere dag voorbijkwam, om de mensen die in de barak ‘s nachts waren overleden, op te halen. Zo’n kar met al die armen en benen die eroverheen hingen.”

De 97-jarige frêle Joodse verzetsvrouw zit in een Amsterdamse hotelkamer, drinkt een glas water, kijkt met heldere blik, nagels keurig gelakt, rode lippen, haar stok paraat naast haar stoel. Zij belandde in juli 1944, net 21 jaar oud, in dit vrouwenkamp. Deze week verschijnt haar boek ‘Mijn naam is Selma’. Ze is voor allerlei persbijeenkomsten rondom de boekverschijning even over uit Londen, waar ze na de oorlog ging wonen.

Ik gunde het ze niet dat ik doodging

“Zo’n ander vreselijk moment was toen ik erge diarree had en niet op tijd van de wc kon komen om op appèl te staan”, vervolgt ze. “Zo’n Duitse SS-er sloeg me met een riem met allemaal van dat ijzer eraan, ik raakte bewusteloos. Vriendinnen brachten me naar de overvolle ziekenbarak, ik was echt halfdood. Een Aufseherin reageerde verbaasd toen ze me de volgende ochtend zag. ‘Goh, ik had gedacht dat die Hollandse wel dood zou zijn’.”

Er waren meer momenten dat ze dacht: nu komt het einde. “Ik raakte in die maanden heel erg verzwakt, ziek, dysenterie, uitgehongerd. Maar ik gunde het de Duitsers gewoon niet dat ik doodging, ik wílde overleven.”

Wat haar in Ravensbrück vooral op de been hield, was de onderlinge solidariteit van  vrouwen in het kamp, beschrijft zij in haar nieuwe boek. Niet alleen onder de Nederlandse vrouwen, maar ook bijvoorbeeld een Tsjechische die ze leerde kennen in de Siemensfabriek waar ze moest werken, hielp haar. “Zij bracht me een keer een sneetje brood met dun gesneden uien erop toen ik heel moe en depressief was. Dan leefde ik toch weer op, ook door haar vriendelijkheid.”

Selma met haar zusje Clara, dat in Sobibor werd omgebracht, in 1930-1931

Dezelfde vrouw adviseerde haar aan iets leuks te denken en niet op te geven. Ze probeerde dat advies te volgen en zei in zichzelf gedichten op die ze uit haar hoofd kende en die haar een goed gevoel gaven. In haar boek citeert ze er eentje, van de Britse dichter Thomas Hood : I remember, I remember/The house where I was born/The little window where the sun/Came peeping in at morn.

Gedachten over haar eigen familie, van wie ze toen nog niet wist wat er mee was gebeurd, probeerde ze tegelijk uit te bannen, vertelt ze. Haar grootste angst was in die tijd dat ze in haar slaap zou praten. Want ze was als politieke gevangene, vanwege verzetswerk, in Ravensbrück gekomen onder een valse identiteit. Niemand, ook haar vriendinnen niet, wisten dat ze een Jodin was. “De Joden werden direct doorgestuurd naar Auschwitz. Ze kenden mij onder de naam die ik in het verzet had aangenomen: Margareta van der Kuit, Marga. Dat moest dus zo blijven.”

Selma met haar ouders en haar broers David en Louis, 1924-1925

Van de Perre was 17 jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ze kwam uit een liberaal, warm gezin. Twee oudere broers, een jonger zusje. Haar vader was onder andere toneelspeler, verdiende soms redelijk, soms heel weinig. Haar moeder verzorgde het gezin thuis. Ze verhuisden een aantal keer, vanwege het werk van haar vader. “Het was echt een gelukkige jeugd. Ik hield zielsveel van mijn ouders.” Ze kwam nooit in de synagoge en het feit dat ze Joods was speelde nauwelijks een rol in haar leven, vertelt ze. “We waren ook geen lid van de Joodse gemeente.”

Voor de oorlog hoorde ze wel over Hitlers antisemitisme in Duitsland. “Maar we kenden de details niet en voor ons leek dat toch allemaal heel ver weg.” Na de Duitse inval in Nederland in mei 1940 veranderde dat langzaam. De anti-Joodse maatregelen maakten het leven moeilijker. In 1942 moest ze zich melden voor een werkkamp, maar wist een vrijstelling te krijgen. Uiteindelijk dook ze onder.

Selma met vriendinnen Jo Grobfeld, Frieda Troellemeyer in 1937

“Ik kwam op een gegeven moment in huis in Leiden bij een dokter en een apotheker die in het ziekenhuis werkten. In hun appartement kwamen mensen die een verzetsgroep vormden vaak bijeen. Ik hoorde dat er een tekort was aan verzetsmensen en toen vroeg ik: kan ik helpen? Ik was jong, vergeet dat niet, en zo naïef. We wisten wel dat het niet goed zou zijn als je opgepakt werd, maar we geloofden bijvoorbeeld nog dat de werkkampen waar Joden heen werden gestuurd, écht om te werken waren.”

Er was zo weinig informatie over wat er speelde, zegt Van de Perre. “Veel is pas na de oorlog duidelijk geworden. Hoe gevaarlijk het was, ik wist het niet en ik stond daar niet bij stil. Ik wilde de nazi’s tegenwerken, ik was heel idealistisch.”

En dus bracht ze onder een valse identiteit vanaf 1943 tot ze gepakt werd in de zomer van 1944 bijna dagelijks door heel Nederland en zelfs tot in het buitenland pakjes rond als koerierster. “Ik reisde rond met een tas of koffer in de trein. Bonkaarten brengen naar onderduikadressen, geld afgeven voor de families die onderduikers opnamen, en allerlei illegale blaadjes verspreiden.”

Te riskant

Haar vader beantwoordde helaas de oproep om te gaan werken wel. Hij kwam in Westerbork terecht en in december 1943 werd hij in Auschwitz vermoord. Maar dat hoorde ze pas na de oorlog. Haar moeder en zusje doken onder in Eindhoven. Ze heeft ze opgezocht. De vierde keer was de laatste keer, al wist ze dat toen niet. Maar ze rook wel onraad. “Ze zaten in huis bij een vrouw met drie jonge kinderen. De vader van het gezin woonde bij zijn nieuwe vriendin, een caféhoudster. 

De laatste keer dat ik er was, was er ook nog een oude Joodse man bijgekomen. Dat betekende dat het jongetje van zes en zijn twee oudere zusjes nu bij hun moeder moesten slapen. Ik vond dat gevaarlijk. Stel dat zo’n kind het aan vriendjes vertelt? Ik heb mijn zorgen met het verzet gedeeld. Maar het was te riskant om ze elders onder te brengen, er waren op dat moment te veel controles op het station.”

Haar moeder en 15-jarig zusje zijn verraden en in Sobibor omgebracht. Wie de verrader was, heeft ze niet kunnen achterhalen. “Nog altijd denk ik soms: had ik zelf iets moeten doen? Maar wat kon ik? “

Schnell schnell, raus raus! 

Op 18 juli 1944 werd ze zelf gearresteerd, vanwege haar verzetswerk. Niemand wist dat ze Joods was. Ze belandde in Vught en daarna begin september in Ravensbrück. Voor de treinen naar het Duitse kamp vertrokken, probeerde Van de Perre zich nog te verstoppen, maar ze werd ontdekt. Het gevolg pakte positief uit, want ze kwam in de laatste wagon die veel minder vol was dan de andere wagons. 

De reis in de veewagen die twee dagen duurde, was voor haar zodoende minder vreselijk dan voor haar medereizigers, hoorde ze later. Maar de aankomst vergeet ze nooit. “In Vught was ik maar een korte tijd. Daar zijn ook afschuwelijke dingen gebeurd, maar vergeleken met Ravensbrück, zeiden wij later, was Vught een sanatorium.”

De deuren van de wagons in het vrouwenkamp gingen open en het geschreeuw brak los, vertelt ze. “Schnell, schnell, schnell, raus, raus, raus, klonk het en er stonden SS-ers met zwepen en stokken te slaan. Met van die grote herdershonden die ook een SS-jasje aan hadden. Dit hadden we allemaal in Vught niet meegemaakt. We gingen, honderden vrouwen tegelijk, onder de poort door met ‘Arbeit macht frei’ erboven. Ontluizen, lange tijd naakt staan.”

Selma vertrekt naar Londen met de trein, 1947

Haar morele en fysieke staat was toen ze het kamp inging nog best goed, vertelt ze. “In Vught kreeg je nog wel redelijk te eten, er waren af en toe douches. In Ravensbrück moesten we onze kleren afgeven en ik kreeg een dun jurkje, ik werd doodziek, mijn darmen totaal van streek, het was altijd koud. Het was allemaal zo ongelooflijk, zo onvoorstelbaar gruwelijk.”

De vrouwen die het overleefden, werden eind april 1944 bevrijd en naar Zweden gebracht. Pas in Zweden aangekomen, durfde Van de Perre aan een attaché van de Nederlandse ambassade te vertellen dat zij niet Marga heette, maar Selma Velleman. “Ik was zo doodsbang om dat te vertellen, maar heb het na veel twijfelen toch gedaan. Op een diner werd daarna mijn naam omgeroepen: is er een Selma Velleman in de zaal? Ik zei ja. Iedereen, ook mijn vriendinnen uit het kamp, was stomverbaasd.”

Na Zweden volgde Nederland en al vrij snel verhuisde ze naar Londen, waar haar broers, die de oorlog in het buitenland hadden kunnen doorbrengen, woonden.

Dit moet nooit worden vergeten

Direct na de bevrijding nam ze zich voor nooit meer over het kamp te spreken. “Toen wij buiten de poort stonden op de dag van de bevrijding, zeiden wij tegen elkaar: we gaan over deze gruwelijkheden nooit meer praten. We gaan het leven weer opbouwen, werken aan een betere toekomst voor de gemeenschap. Wij wisten toen nog niets van wat er in andere kampen gebeurd was. Pas veel later, toen we samenkwamen op herdenkingen bijvoorbeeld, begrepen we dat we er wél over moesten praten. Dat dit nooit vergeten moest worden.”

Ze trouwde in Londen met de Belgische journalist Hugo van de Perre, kreeg een zoon, Jocelin. Ze werkte tot haar pensioen als journalist voor onder meer de BBC en als correspondent voor Avro/televizier. Haar man overleed plotseling in 1979. Hij was de eerste geweest aan wie ze over haar oorlogservaringen had verteld. “Maar ook lang daarna hield ik tegenover anderen mijn mond. Ik had ook een heel druk en vol leven.”

Nu is ze is trots, zegt ze, dat ze haar oorlogsgeschiedenis zo laat in haar leven toch heeft opgeschreven en haar boek deze week verschijnt. Het zijn onder meer haar neefjes geweest die erop aandrongen, vertelt ze. Ze begon met de eerste notities in 2003. Ze schreef in het Engels, dat ze inmiddels beter beheerst dan het Nederlands. En alleen overdag en soms maanden ook helemaal niet. “Want als ik hierover ‘s avonds schrijf, houdt me dat uit mijn slaap.”

Omslag van het net verschenen boek van Selma van de Perre

Het moeilijkst heeft ze het met het lot van haar vader, moeder en zusje Clara. “Ik vind het zelf ook wel eigenaardig eigenlijk, dat ik niet zozeer last heb van wat ik zelf heb meegemaakt, maar vooral aan hen denk”, zegt Van de Perre. “Tsja, zo is het. Als ik maar iets op de televisie zie over die kampen waar zij zaten, dan zet ik hem snel uit. Maar dan is er vaak al iets aangeraakt, dan is het te laat. De veewagens.. we weten nu zoveel over wat zij moeten hebben meegemaakt.”

Omgaan met dit oorlogsverleden is niet eenvoudig voor haar geweest, maakt ze duidelijk. Hoewel ze vaak in Ravensbrück is terug geweest, onder meer om Nederlandse en Duitse studenten over de verschrikkingen te vertellen, heeft ze de kampen waar haar directe familieleden het leven lieten nooit bezocht. Ze is bang dat ze dat geestelijk niet zou aankunnen.

Maar wie nu denkt dat Van de Perre een moeizaam en somber leven heeft geleid door dit verleden, zit fout, maakt ze duidelijk. “Ik heb juist een heel rijk leven gehad”, zegt ze. “En nog steeds.” Ondanks haar hoge leeftijd bridget ze nog, volgt schilderles, reist om vrienden te bezoeken.

Boek als eerbetoon

Ze heeft het boek geschreven als eerbetoon aan iedereen die geleden heeft en gestorven is in de oorlog. En voor haar moedige collega’s in het verzet die hun eigen levens op het spel zetten om anderen te redden, schrijft ze in haar boek.

Van de Perre heeft geen kleinkinderen gekregen. Haar zoon en schoondochter wilden geen kinderen. “Het is hun leven en niet het mijne, dat respecteer ik. Maar jammer vind ik dít: ik heb zoveel dingen doorgemaakt om in leven te blijven en nu worden mijn genen niet doorgegeven.”

Ze ontving een belangrijke onderscheiding voor haar verzetswerk. “Mensen hebben me wel gevraagd: hoe leef je voort als je zoiets vreselijks hebt meegemaakt. Ik zeg: door actief te blijven. Gewoon doorgaan met leven, elke dag weer. Accepteer het leven. En maak het plezierig voor jezelf.”

Selma van de Perre: Mijn naam is Selma. Uitgeverij Thomas Rap, 256 blz. 19,99 euro Vertaling Rebekka W.R. Bremmer.

Lees ook: 

Roxane van Iperen schreef over de vroegere bewoners van haar huis, onder wie twee Joodse verzetsstrijdsters

‘’t Hooge Nest’ is Roxane van Iperens succesvolle boek over de oorlogsjaren van twee Joodse zussen. Daarin kleurt ze veel in. Toch blijft het geloofwaardig. Hoe deed ze dat?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden