Het ladingplan van het Franse slavenschip Marie Séraphique uit Nantes dat via Congo-Angola naar het Caribisch gebied voer in 1769-1770.

InterviewKolonialisme

Rotterdam zat tot zijn nek in de slavernij

Het ladingplan van het Franse slavenschip Marie Séraphique uit Nantes dat via Congo-Angola naar het Caribisch gebied voer in 1769-1770.Beeld Collectie van het Historisch Museum in Nantes

Na Amsterdam kan nu ook Rotterdam er niet omheen: de Rotterdamse politiek en economie was eeuwenlang onverbrekelijk verbonden met slavenhandel en –productie, zegt historicus Alex van Stipriaan.

Eén op de acht Rotterdammers heeft tot slaaf gemaakte Afrikaanse voorouders. Maar de meeste Rotterdammers, vermoedt historicus Alex van Stipriaan, hebben weinig idee van het slavernijverleden van hun stad. “Van Amsterdam en Zeeland is dat algemener bekend”, zegt hij. “Maar door te laten zien dat Rotterdam er tot in al zijn haarvaten bij betrokken was, toon ik dat datzelfde gold voor héél Nederland; dat Borculo, Limmen en Culemborg via Rotterdam ook met slavernij te maken hadden.”

Zijn toegankelijk geschreven en rijk geïllustreerde boek verscheen zaterdag, als onderdeel van het onderzoek waartoe de gemeente drie jaar geleden opdracht gaf. Van Stipriaan portretteert tal van ondernemers, van bankiers tot plantagehouders, die vaak tegen het stadsbestuuur aanschurkten – of erin zaten. “Maar mijn onderzoek laat ook zien dat niet alleen de bovenlaag van ondernemers en bestuurders profiteerde van de slaveneconomie, maar dat de hele economie van Rotterdam en verre omstreken ermee samenhing.”

Door die verwevenheid kun je de slaveneconomie nauwelijks los zien van de rest van de economie, schrijft u. Toch noemt u een paar cijfers. Rotterdamse schepen verhandelden ongeveer 60.000 Afrikanen – 10 procent van de in totaal 600.000 die voor Nederlandse rekening komen.

“Dat zijn tamelijk makkelijk beschikbare cijfers, want die schepen en hun menselijke ‘lading’ kwamen allemaal in de boekhouding. Maar wat het hele complex aan slavenhandel en slavernij aan de Nederlandse economie heeft bijgedragen kun je niet berekenen. Tel je de kaasmaker mee, wiens kazen meegingen op de schepen? Al die producenten – alleen al in Rotterdam duizenden – van spijkers, serviezen, lampolie, noem maar op? En dan ook nog van de zeventiende eeuw tot 1873? Niet-te-doen! Ik voel er ook niet voor om in discussie te gaan met mensen die zeggen ‘Het was helemaal niet zo belangrijk, het droeg maar voor een paar procent bij aan de economie’.”

U berekent wel dat de Rotterdamse firma Coopstad en Rochussen de grootste particuliere slavenhandelaar in de Nederlandse geschiedenis was.

“Ja, altijd wordt de Zeeuwse Commercie Compagnie als de grootste slavenhandelaar aangemerkt, maar dat was een samengaan van een heleboel handelshuizen. Coopstad en Rochussen was een handelshuis dat in zijn eentje 65 slavenreizen uitreedde.”

Van Stipriaan toont in zijn boek de gruwelijke werkelijkheid ook vanuit het perspectief van de slaafgemaakten. Die wreedheden waren breed bekend, toont hij. En er zijn steeds critici van slavernij geweest. “Het idee van ‘de mensen wisten niet beter’, ‘toen was dat normaal’, of ‘je moet het in de context van die tijd zien’ haal ik wel zo’n beetje iedere tien bladzijden onderuit. Al zeg ik het zelf, ik heb dat nog nooit eerder op die manier gezien.”

Van Stipriaan concentreert zich op de transatlantische slaveneconomie, waarmee de in 1602 opgerichte West-Indische Compagnie en Rotterdamse ondernemers zich inlieten. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die in Azië actief was, komt wel ter sprake, maar dat komt uitgebreider aan de orde in een ander, gelijktijdig verschenen boek, ‘Het koloniale verleden van Rotterdam’ onder redactie van historicus Gert Oostindie. “Maar de impact en nasleep van het transatlantische slavernijverleden zijn voor Rotterdammers van alle kleuren veel groter dan de nasleep van de VOC-geschiedenis.”

Amsterdam speelde de hoofdrol in de WIC?

“Maar Rotterdam was de grootste van de kleintjes. En Rotterdam was veel internationaler dan Amsterdam of Zeeland: kooplieden hier kwamen uit meer Europese streken. Alle steden in de Republiek waren migrantensamenlevingen, van gevluchte Hugenoten, Joden en noem maar op. Maar in Rotterdam zat bijvoorbeeld ook een heel grote gemeenschap van Britse handelslieden. Het was een haven in een wereldwijde haveneconomie.”

In die prille Rotterdamse wereldhaven gingen niet alleen producten van Nederlandse slavenplantages om, beschrijft Van Stipriaan. “Er werd in de Republiek meer suiker en koffie verwerkt uit buitenlandse dan uit Hollandse koloniën. Tabak kwam voornamelijk uit plantages in Noord-Amerika.”

U schrijft dat er veel producten waren die werden gebruikt als ruilmiddel in de slavenhandel. Hoe groot was de rol van die goederen?

“Niet te overschatten. Dat waren de zogenaamde ‘Guinea-goederen’, en alle producten die de oceaan over gingen om de slavenkolonies draaiende te houden. Die goederen koppelden het (Aziatische) VOC-gebied en het (Zuid-Amerikaanse) WIC-gebied aan elkaar. Wapens vormden vaak een derde tot de helft van de waarde van de goederen die naar Afrika werden verscheept. Dat was een soort vliegwiel: Afrikanen gebruikten die om nieuwe slaven te maken. Met gekleurd katoen uit Azië werden slaafgemaakten gekocht.

“Dat katoen belandde ook in Suriname en Curaçao, waar ze nog steeds onderdeel zijn van de nationale dracht, net als in Afrika. Ook jenever, de ‘Dutch gin’ waar Rotterdam en Schiedam wereldberoemd om waren, was belangrijk. Sterke drank is in Afrika niet alleen een genotsmiddel, maar wordt ook als plengoffer gebruikt in religieuze rituelen. Het vierde product waren kaurischelpen, meegenomen uit Azië, en in Afrika gebruikt als betaalmiddel.”

“Rotterdam zat tot over zijn oren in de slavernij”, besluit Van Stipriaan zijn boek. “De erfenissen daarvan zitten tussen diezelfde oren; nu is het tijd om met die oren naar elkaar te gaan luisteren.”

Alex van Stipriaan is hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit. Hij is ook adviseur van tal van interculturele en erfgoedprojecten.

Alex van Stipriaan
‘Rotterdam in Slavernij’
Boom, 496 blz; € 34,90

Vier Rotterdammers en een slavenleider uit het boek:

Johan van der Veken. Reder (1549- 1616). Schilderij door Pieter van der Werff, 1700.Beeld Collectie Rijksmuseum

Johan van der Veken. Reder (1549- 1616)

“Hij is typerend voor het verhaal van de Hollandse welvaartsgroei. Uit Mechelen naar Rotterdam gevlucht voor de Spanjaarden. Holland dankte in die tijd zijn welvaart aan vluchtelingen: Vlaamse en Franse, en Iberische Joden. Hij was vishandelaar met veel internationale ervaring, kapitaal, en een fenomenaal netwerk.

“Hij raakte bevriend met Johan Van Oldenbarnevelt, en werd lid van de Kamer de Maze van de VOC. Hij investeerde in mensen die zochten naar een zeeroute via Zuid-Amerika naar Azië, in schepen die naar Afrika voeren en ook in schepen die vanuit Afrika naar Brazilië voeren. Daar werd toen al op grote schaal met slavernij suiker geproduceerd. Zo ontstaat de transatlantische driehoekshandel: mensen inkopen in West-Afrika, hen verkopen in Brazilië, en terugkeren met suiker. Hij was een wegbereider voor de WIC.

“Van der Veken heeft Rotterdam grote rijkdom gebracht, en ook veel uitgegeven als mecenas. Begin twintigste eeuw kwam zijn beeltenis te hangen aan de ingang van het nieuwe stadhuis aan de Coolsingel. Kritische geschiedschrijving bestond er al wel toen Rotterdam in 1993 de Van der Veken-penning instelde, als onderscheiding voor uitzonderlijke ondernemers. Het zou zomaar kunnen, dat die penning ooit een andere naam gaat krijgen.”

Middelste figuur van het standbeeld Desenkadena in Willemstad (Curaçao), dit beeld wordt vaak aangezien voor Tula, leider van de slavenopstand.

Tula. Leider slavenopstand Curacao (geëxecuteerd in 1795)

“Tula mag model staan voor het verzet dat slaafgemaakten vanaf dag één hebben gepleegd - van het in brand steken van rietvelden tot de permanente bijna-oorlog van de Surinaamse marrons, de ontsnapte plantageslaven die de plantagehouders op hoge kosten joegen.

“De Nederlandse koloniale geschiedenis kent twee bijna-geslaagde slavenopstanden: die van Kofi in Berbice (1763, in huidig Guyana), en die van Tula. Met duizenden slaafgemaakten veroverde Tula meer dan de helft van Curacao. Tula was geïnspireerd door de Franse revolutie, en richtte zich echt tegen het slavernijsysteem. Tegen een onderhandelaar zei hij: ‘Wij willen vrij zijn, net zoals jullie vrij zijn. Wij zijn schepselen van God, zoals jullie ook schepselen van God zijn.’

“De opstand werd in bloed gesmoord, met in een hoofdrol de Rotterdamse marineman Albert Kikkert. Tula werkte op de plantage van Kikkerts schoonvader, Tula’s rechterhand, Karpata, werkte voor Kikkert zelf. Kikkert kreeg in 2006 een standbeeld, eerst onthuld in Nederland, daarna geplaatst op Curacao. Van Tula is daar geen standbeeld.

“In de Nederlandse media vind je vanaf de negentiende eeuw met regelmaat pleidooien voor afschaffing van slavernij, met het argument dat de oproerigheid met de dag groter wordt. Hoeveel meer bewijs wil je dat de bevrijding van slaafgemaakten mede te danken is aan hun eigen verzet?”

Loterijbriefje en speelkaart in Rotterdam.Beeld Collectie Atlas van Stolk

Bernard Texier. Plantagehouder (1726-1783)

“Een tamelijk gemiddelde plantagehouder. Hij was hugenoot, en migreerde door naar Suriname, net als veel andere hugenoten. Hij begon rond 1776, toen de plantage-economie booming was – dankzij vele miljoenen aan financieringen uit Rotterdam. Texier stond in aanzien, als militair had hij geholpen de slavenopstand in Berbice neer te slaan. Hij werd uiteindelijk gouverneur van Suriname.

“Bestuurders drukten hun status uit in plantagebezit, maar het was natuurlijk ook een manier om geld te verdienen. Texier zat meer in Paramaribo dan op zijn plantage, terwijl een directeur en een opzichter, ‘blankofficier’, de plantage – slecht - bestuurden. Texier kwam in de schulden, en moest bij de Rotterdamse bankier Hudig extra hypotheek opnemen.

“Dus gebeurde wat je overal zag: er werden onvoldoende slaven gekocht, waardoor hun keiharde leven nog erger werd, de toch al hoge sterfte nam verder toe. Een administrateur in dienst van Hudig schrikt van het slechte regime op de plantage, van het slechte eten en de ziektes, en schrijft dat de slaven ‘neerslachtig en moedeloos’ zijn. Daaruit blijkt dat eigenaren en opzichters weliswaar met Afrikanen omgingen alsof ze ossen of paarden waren, maar wel degelijk beseften dat ze met mensen van doen hadden – al was het maar omdat ze ook seks met ze hadden.”

Ferrand Whaley Hudig, bankier (1734-1797).Beeld Stadsarchief Rotterdam

Ferrand Whaley Hudig. Bankier. (1734-1797)

“Hudig heeft geen slavenschepen uitgereed die Afrikanen gingen halen, maar hij financierde wel plantages en schepen die naar Suriname voeren. Hij was een spin in het web van de slaveneconomie. Hij richtte beleggingsfondsen op, waarmee hij plantagehouders hypotheken verstrekte, op voorwaarde dat ze alles wat ze in- en verkochten via hem zouden regelen. Of een plantagehouder nou verlies leed of niet, hij had ieder jaar zoveel hakmessen, zoveel tonnen haring nodig, zoveel kazen, zoveel textiel voor de slaafgemaakten enzovoort. Daar mocht Hudig allemaal provisie over rekenen, en ook over de verzekeringen voor de schepen.

“Hudig is nooit in Suriname geweest, maar was uitstekend op de hoogte van de ellende op de plantages. Bijna alles wat ik weet als historicus haal ik uit geschriften zoals hij die ook onder ogen heeft gehad. In brieven van administrateurs stond bijvoorbeeld dat de opzichter van Texier zo tekeer was gegaan tegen zijn slaven, dat de sterfte is toegenomen en de productie met zoveel procent was gezakt: duidelijker kun je het verband tussen behandeling, het soort werk en de sterfte niet krijgen. Ook strafregisters in de kwartaalverslagen kreeg hij onder ogen: 25 zweepslagen voor die, 15 zweepslagen voor die, enzovoort.”

Gijsbert Karel van Hogendorp, politicus.Beeld r

Gijsbert Karel van Hogendorp. Politicus (1762-1834)

“De Van Hogendorps, een Rotterdams geslacht van bestuurders van stad en land, illustreren dat het debat over afschaffing van de slavernij al woedde twee, drie generaties voordat het zover was. De familie was nauw verbonden met het kolonialisme, maar stelde zich teweer tegen wat ze zagen als ‘uitwassen’ daarvan. Voor hen was slavernij de grens.

“Gijsbert Karels vader was naar Nederlands-Indië gegaan om het familiekapitaal op te vijzelen, dat onder andere was opgegaan aan grote buitenhuizen. Ook Gijsbert Karels broer Dirk gaat daarheen. De vader stelde zich al in 1780 te weer in een boek, ‘Kraspoekol’, waarin hij de slavenhandel en slechte behandeling van slaafgemaakte Aziaten aan de kaak stelde.

“Zoon Dirk bewerkte dat tot toneelstuk. Daarin hekelt hij de mensen die verdienen aan slavernij in Oost en West. Dat werd in een aantal steden opgevoerd,maar in Den Haag, waar veel ambtenaren woonden, leidde dat tot kabaal en verstoringen van de voorstelling. Gauw daarna werd het verboden.

“Karel heeft geholpen koning Willem I terug te halen uit Engeland. Hij stond aan de basis van het nieuwe koninkrijk en was het eens met de afgevaardigden die eind achttiende eeuw de afschaffing van de slavernij inbrachten als discussiepunt in de nationale vergadering, die een eerste grondwet van Nederland moest bedenken.”

Lees ook: 

Rotterdam erkent dat de stad een belangrijke rol speelde bij slavernij en kolonialisme, maar van excuses is (nog) geen sprake

Burgemeesters en wethouders van Rotterdam en Amsterdam gaan bij de regering aandringen op een nationaal onderzoek naar de Nederlandse rol bij slavernij en kolonialisme. Dat maakte wethouder Bert Wijbenga (integratie) zaterdagmiddag bekend tijdens de presentatie van een onderzoek naar het duistere verleden van Rotterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden