Martelkampen

Nederland folterde en liquideerde strijders op Bali

Op het schilderij ‘Eksekusi Letda Reta’ (2014)  verbeeldt kunstenaar Agung Mangu Putra de executie van zijn oom Anak Agung Alit Reta en twee andere dorpelingen door het Nederlandse leger in Selat Sangeh (Bali) in 1946. Beeld Agung Mangu Putra
Op het schilderij ‘Eksekusi Letda Reta’ (2014) verbeeldt kunstenaar Agung Mangu Putra de executie van zijn oom Anak Agung Alit Reta en twee andere dorpelingen door het Nederlandse leger in Selat Sangeh (Bali) in 1946.Beeld Agung Mangu Putra

Het Nederlands gezag op Bali heeft in 1946 systematisch gevangenen gemarteld en omgebracht. Dat zegt historica Anne-Lot Hoek.

Eric Brassem

Ze sprak zeven jaar lang met ruim 120 getuigen – voormalige Nederlandse bestuursambtenaren, militairen, ooggetuigen en nabestaanden van slachtoffers. Ze bezocht plekken waar voorheen gevangenen werden vastgehouden, ze las de nooit uitgegeven memoires van ex-gedetineerden en dook de archieven in. Volgend jaar hoopt historica Anne-Lot Hoek te promoveren op haar bevindingen, donderdag verscheen haar boek De strijd om Bali.

Op Bali vocht de strijdgroep TKR tegen een terugkeer naar de Nederlandse koloniale orde. Vanaf maart 1946 arriveerden zo’n tweeduizend Nederlandse militairen, onderdeel van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (Knil) om dat gezag weer in te voeren. Velen van hen waren getraumatiseerd, na dwangarbeid aan de beruchte Birmaspoorweg in Japans krijgsgevangenschap. En velen waren Indo-Europeanen die hadden gehoord over wreedheden die Indonesische strijdgroepen op Java hun families hadden aangedaan. Hoek: “Ze kampten met wraakgevoelens, ze wilden orde op zaken ­stellen.”

Tienduizend gevangenen

Eén middel om de Balinese verzetsgroepen te ‘liquideren’, zoals een verantwoordelijke commandant het uitdrukte, was het systeem van ‘tangsi’s’: detentiecentra in kazernes, politiekantoren, schoolgebouwen en kampen, waar ‘marteling en executie een wijdverspreid, systematisch fenomeen was’, zo schrijft Hoek. Het bestaan van een systeem van tangsi’s op Bali, waarin dit geweld in zo’n vijfentwintig locaties voorkwam, is niet eerder onderzocht, vertelt Hoek. Aantallen zijn moeilijk te geven: een Nederlandse bestuursambtenaar kwam uit op tienduizend gevangenen, van wie zeker tweeduizend zouden zijn gemarteld.

De strijd op Bali is veel minder bestudeerd dan de gewelddaden op Java, bijvoorbeeld tijdens de politionele acties in 1947 en 1948, en op Zuid-­Sulawesi bij de beruchte ‘zuiveringsacties’ van kapitein Westerling. Hoek: “Dit wijdverspreide geweld op Bali vond al ver daarvoor plaats, begin 1946.” In november dat jaar werd TKR-leider Ngurah Rai gedood, in 1948 gaven de laatste strijders zich over.

De Nederlandse autoriteiten wilden graag geloven dat de bevolking loyaal was aan Nederland, en dat daar geen verzet bestond; dat beperkte zich volgens hen tot Java en Sumatra. Gevangenen kregen, anders dan op Java, niet de status van krijgsgevangenen – er was immers volgens de autoriteiten geen oorlog – en hadden in de praktijk weinig rechten.

In opdracht van superieuren

Hoek wilde een boek schrijven over het verzet. Het bestaan van een tangsi-systeem begon pas na verloop van tijd in te zinken, vertelt ze. “Dat woord tangsi kwam in alle interviews terug. Iedereen had wel een verhaal over martelingen daar. In de archieven was er niks over te vinden. Ik heb die plekken opgezocht, en ben memoires van veteranen gaan lezen. Nederlandse militairen die ik heb gesproken bevestigden alleen maar wat de Balinezen me vertelden.”

Knil-veteraan Feddy Poeteray beaamde wat anderen ook aan Hoek vertelden: gevangenen werden vaak ‘op de vlucht’ doodgeschoten. Hun werd verteld dat ze weg mochten, of mochten plassen buiten het kamp. “Als je hem liet ‘plassen’ was dat de makkelijkste manier om van iemand af te komen”, legde Poeteray uit. Dat gebeurde vaak met medeweten of in opdracht van superieuren, omdat de centra overvol werden.

Op stroomdraad bijten

De gevangenen waren niet alleen Balinezen die werden gezien als strijders, maar ook burgers die verdacht werden van hulp aan strijders. De Militaire Inlichtingendienst (MID) ‘verhoorde’ hen hardhandig. Hoek: “Veelgebruikte methodes waren langdurig in de zon zetten, eten en drinken onthouden, een gevangene vol met water laten lopen met gebruik van tuinslangen en elektrocuteren.”

Een veteraan, I Gusti Ngurah Pindha, beschreef in zijn memoires hoe kampgevangenen op een stroomdraad moesten bijten, waardoor hun tanden uit hun mond werden geschoten, ‘wat tot grote hilariteit bij de uitvoerders leidde’. Ze werden met één voet aan een auto gebonden, waarna de auto hard wegreed.

Ook buiten het kamp zaaiden de militairen terreur. Hoek stuitte op kunstschilder Agung Mangu Putra. Militairen brachten zijn oom, onder het bloed, met drie anderen naar het dorp. Daarna schoten ze drie van hen voor de ogen van de bewoners dood. Kenmerkend is dat een rapport van de MID slechts vermeldt dat bij ‘een actie’ in Selat op die dag ‘3 terrs.’ (terroristen) werden gedood. Meldingen die Hoek regelmatig tegenkwam in MID-verslagen.

Hoek kwam weinig mensen tegen die verhaal willen halen in Nederland. Maar die zijn er wel: “Negentien kinderen van geëxecuteerde Balinezen hebben met juridische steun uit Nederland bij de Nederlandse staat aangeklopt voor schadevergoeding. Hun zaken liggen nu bij het Openbaar Ministerie.”

Lees ook:

Een bijsluiter bij de film De Oost? De rechter vindt het niet nodig

De film De Oost mag vertoond worden zonder waarschuwing vooraf dat het gaat om een fictief verhaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden