Wajangpop van een Nederlandse militair (1940). Beeld anp/hh
Wajangpop van een Nederlandse militair (1940).Beeld anp/hh

EssayNederlands geweld

Mijn ontdekkingsreis door de pikzwarte geschiedenis van Nederland in Indonesië

Nederland wilde lang niets weten van het extreme geweld van zijn soldaten in de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. Historicus en voormalig Trouw-journalist Meindert van der Kaaij ontdekte welke moeite werd gedaan om de pijnlijke waarheid te vergeten of in de doofpot te stoppen. En hoe hij daar zelf in meeging.

Meindert van der Kaaij

Laat ik beginnen met een bekentenis. In de stukken die ik tot 2017 voor Trouw schreef over oorlog in Indonesië, gebruikte ik de term ‘politionele acties’. Ik nam klakkeloos het ­eufemisme over dat de toenmalige regering in 1946 introduceerde om het militaire ingrijpen minder erg te laten lijken. Hoewel ik wist van het enorme geweld dat Nederlandse troepen in 1945-1949 in Indonesië hadden gebruikt, bracht ik het ongewild terug tot het ingrijpen van politieagenten.

Die oorlog eiste aan Indonesische kant meer dan 100.000 slachtoffers en verhinderde ruim 6000 Nederlandse soldaten huiswaarts te keren.

In 2016 gaf de Nederlandse regering subsidie om de gebeurtenissen in Indonesië eind jaren veertig tot op de bodem uit te zoeken. Hoe zag dat conflict eruit, in welke mate en in welke omstandigheden gebruikten Nederlandse militairen extreem geweld? Drie instituten, het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie en het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, werden aan het werk gezet.

Ik werd lid van het onderzoeksteam, zegde mijn baan bij Trouw op en stortte me op de vraag waarom wij, na 1950, zo worstelden met de pijnlijke periode die historici aanduidden als ‘onverwerkt verleden’.

Recente ontwikkelingen

De afgelopen dagen is er veel geschreven naar aanleiding van het onderzoek naar het Nederlandse optreden in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. In Trouw verschenen onder meer de volgende stukken:

* Rutte: Diepe excuses voor extreem en stelselmatig geweld in Indonesië

* Een pijnlijke boodschap: de belangrijkste conclusies uit het rapport over oorlogsgeweld in Indonesië

* Joop Hueting was de klokkenluider die gelijk kreeg over Indonesië: ‘Er werd verschrikkelijk gemarteld’

Een tamelijk uitzichtloze guerrillaoorlog

Die oorlog begon toen Soekarno op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië uitriep. Nederland stuurde troepen naar Azië. Zo’n 220.000 soldaten – 130.000 uit Nederland en de rest lokaal gerekruteerd – kwamen in een tamelijk uitzichtloze guerrillaoorlog ­terecht en gebruikten veel extreem geweld: het platbranden en blindelings beschieten van kampongs, het ­liquideren van Indonesische gevangenen, niet zelden nadat die waren gemarteld voor het verkrijgen van in­formatie. Ook Indonesische troepen maakten zich schuldig aan excessief geweld.

100.000 van de Nederlandse militairen gingen naar de oorlog omdat ze dienstplichtig waren. Een ander deel, zo’n 30.000 jongens, meldde zich aan als vrijwilliger. Jongeren in Limburg en Brabant hadden in 1944 gezien hoe Amerikaanse en Canadese militairen na de bevrijding als helden werden onthaald. Zo’n rol wilden zij ook wel in het op dat moment nog door Japan bezette Nederlands-Indië. Met een krakkemikkige opleiding werden ze in een vreemde cultuur gedropt. Helden werden ze niet.

Meindert van der Kaaij (1959) is politicoloog en historicus en promoveerde in 2012 op een biografie van Dirk de Geer. Hij was van 1999 tot 2020 verslaggever voor Trouw. In 2017 werd hij gevraagd om aan het groot Indonesië-onderzoek mee te werken voor het onderdeel Nasleep van de Oorlog.

Lang heeft Nederland niets willen weten van de oorlog in de archipel die wij eeuwenlang als ons eigendom beschouwden. Natuurlijk, het conflict was ver van ons bed geweest en we hadden in 1945 net zelf een afschuwelijke oorlog achter de rug. Maar de vraag blijft waarom al die getuigen die na 1950 uit Indonesië naar Nederland kwamen – Indië-veteranen, Indische Nederlanders, Molukkers en journalisten – hebben volhard in een stilzwijgen over wat zij hadden gezien, gehoord en meegemaakt.

De eerste die de oorverdovende stilte verbrak, was een van die jongens die als dienstplichtige de oorlog was ingegaan. Joop Hueting veroorzaakte in 1969 – twintig jaar later dus! – een mediastorm met zijn ontboezemingen over oorlogsmisdrijven. Onder druk van vooral linkse partijen liet de regering een clubje ambtenaren, onder leiding van de toen nog onbekende Cees Fasseur, in archieven zoeken naar meldingen van grof en onnodig geweld. Het ­leverde de Excessennota op, met daarin de conclusie van toenmalig premier Piet de Jong dat de krijgsmacht als geheel zich ‘correct’ had gedragen en er slechts sprake was geweest van incidentele ‘excessen’.

Dit was smaad

Toch, na de ophef rond Hueting begon Nederland heel voorzichtig aan de pijnlijke ontdekkingsreis door zijn zwarte periode. Er ontstond nieuwe commotie toen uitlekte dat Loe de Jong in zijn monumentale werk over de Tweede Wereldoorlog over oorlogsmisdrijven in Indonesië zou schrijven. Veteranen uitten hun misnoegen in tv-programma’s: dit was smaad! Ze stapten naar de rechter. De Jong, die tot dan onaantastbaar leek, ging door de knieën. Hij schrapte de term ‘oorlogsmisdrijven’.

null Beeld foto anp/hh
Beeld foto anp/hh

Maar vaker nog gingen onthullende studies rimpelloos voorbij. Naar het boek van historicus Willem IJzer­eef over de misdadige praktijken van kapitein Westerling op Zuid-Celebes kraaide geen haan. Zelf maakte ik vanaf het begin van mijn onderzoek ook een soort ontdekkingsreis. Gesloten archieven gingen voor me open, veel mensen waren bereid met mij te praten. Langzaam kreeg ik zicht op de zwijg- en doofpotcultuur over het geweld in Indonesië, die vanaf 1950 als een deken over het land lag uitgespreid en die zich slechts met grote moeite liet wegtrekken.

Ik kwam erachter dat die ­cultuur van wegkijken, van proberen te vergeten, dieper in de politiek zat ingesleten dan ik had vermoed. Zo had ik altijd een heilig vertrouwen in het instrument van de parlementaire enquête. In 2002 had ik als Haags verslaggever de enquête naar de bouwfraude van dichtbij meegemaakt. Dit was de hoogste vorm van politieke waarheidsvinding, daar raakte ik van overtuigd. Gedraai met de waarheid achtte ik uitgesloten.

Een niet zeer fraaie indruk

Dus was ik geschokt toen ik de stukken las over de parlementaire enquête die in 1948 was ingesteld. Die richtte zich op de Tweede Wereldoorlog én op het besluit in 1945 om troepen en wapens naar de archipel in de Oost te sturen. Maar in de ruim acht jaar die het onderzoek duurde, had geen Kamerlid de moed dat laatste onderdeel op te pakken. Uit notulen blijkt dat de enquêtecommissie meende dat publicatie van de feiten over Indonesië – welke precies staat er helaas niet bij – ‘een niet zeer fraaie indruk zal maken’ en ‘tegenover het buitenland tot op zekere hoogte afbreuk zal doen’. De betrokken Kamerleden sloten niet uit dat ‘publicatie met ’s lands belang in strijd zou zijn’. Het onderwerp ­Indonesië was, zo vlak na het verlies van de kolonie, kennelijk te pijnlijk.

Over alle thema’s bracht de enquêtecommissie dikke boeken uit – in totaal bijna 15.000 pagina’s – behalve over Indonesië. Dat Indië-veteranen zich hulden in bitter zwijgen en zich vastbeten in ontkenning, begreep ik gaandeweg steeds beter. In hun vele egodocumenten las ik hoe traumatisch die guerrillaoorlog in de tropen was geweest. Bij elke patrouille kon er vanuit de jungle op je worden geschoten. Bij elk konvooi kon een bermbom tot ontploffing worden gebracht, waarna de wraak op de burgerbevolking soms nietsontziend was.

Niet elke soldaat maakte zich hieraan schuldig. Voor veel militairen was hulpverlening aan de bevolking typerender dan het plegen van gruwelijk geweld. Maar iedere militair wíst van het zinloze platbranden van kampongs en zuiveringen van dorpen – sweeps in soldatenjargon – die gepaard gingen met liquidaties, plunderingen en soms met aanrandingen en verkrachtingen. Slechts zelden werd getracht dat te voorkomen en slechts af en toe werden uitwassen bestraft.

Niet aan de dominee vertellen

De martelingen om informatie in te winnen, waren onder de soldaten algemeen bekend. Ik las een indrukwekkend artikel dat toenmalig Trouw-redacteur Henk Biersteker schreef in 1969, een paar dagen na de Hueting-­ophef, over zijn tijd in het leger. Over de wreedheden tijdens verhoren kon volgens hem iedereen weten ‘die zijn oren gebruikte – aan het gillen namelijk’. Discipline onder soldaten gold vooral de vouw in de broek en niet ‘waar zij het meest had moeten gelden – namelijk als het beest in ons erop los wilde’. Maar niemand in Nederland mocht dat weten. In brieven aan zijn ouders luchtte Biersteker zijn hart over de gruwelijk­heden, maar hij sloot af met: ‘Niet aan de dominee vertellen hoor!’.

Ik kan mijn oud-collega helaas niet meer vragen waarom hij tot 1969 had gezwegen, ofschoon ik wel vermoed welk antwoord Henk zou hebben gegeven: een militair werd niet geacht de vuile was buiten te hangen.

Historicus Rémy Limpach liet in zijn studie De brandende kampongs van generaal Spoor zien hoe militairen werd afgeraden om geweldsontsporingen bij hun meerderen te melden. Voor het verdoezelen van geweld gebruikten militairen de term ‘toetoepen’: toetoep is Maleis voor sluiten, in de doofpot stoppen.

Het bleek me al snel dat ook na 1950 de zwijgcode bij veteranen in stand bleef. Een treffend voorbeeld vond ik het boekje Even liatten mannen! van aalmoezenier Hans Helmer, die tijdens de oorlog in de archipel retraites en bezinningsdagen organiseerde om de ergste psychische nood bij soldaten te lenigen. Terug in Nederland zag hij dat veel veteranen in hun dagelijks leven met hun trauma’s worstelden.

Veel bidden en om vergeving vragen

In een brochure die onder katholieke veteranen werd verspreid, beval hij hen aan veel te bidden en om vergeving te vragen en om met pijnlijke zaken vooral niet naar buiten te treden. ‘Ja, er zijn domme dingen gebeurd, er is wel eens een kogel te veel afgeschoten, er is wel eens een huis te veel in de fik gestoken. Laat dat niet beoordelen door dames achter de theetafel, noch door heren achter de bittertafel.’ Een brief sturen aan ‘radiomoeders en radiovaders’ of krant- of tijdschriftredacties vond Helmer het domste wat een veteraan kon doen.

null Beeld

Het boek Een kwaad geweten van Meindert van der Kaaij maakt onderdeel uit van het onderzoeksproject Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 van KITLV, MIMH en NIOD. Donderdag presenteerden die drie instituten de resultaten van het onderzoek dat vier jaar in beslag nam.

De angst dat het hardhandige optreden bekend zou worden, maakte dat sommige veteranen naar het middel van bedreigingen grepen. Ik vond een proces-verbaal over cabaretier Wim Kan, die een anonieme brief kreeg nadat hij in 1950 een grap had gemaakt over kapitein Westerling (die van de misdaden op Zuid-Celebes): ‘Als je veel om Corrie geeft, haal deze grappen dan nooit meer uit’. Corrie Vonk was de vrouw van Kan.

En Joop Hueting en zijn gezin moesten in 1969 onderduiken wegens doodsbedreigingen. Historicus Loe de Jong werd in 1987 bedreigd met een ‘derde politionele actie’ onder de codenaam Madjomodo (Maak De Jong monddood).

Veteranen als slachtoffers

Ik zag hoe veteranen vanaf de jaren negentig stilaan greep kregen op de politiek. Naast het beeld van dader, dat uit historisch onderzoek naar voren was gekomen, slaagden zij erin dat van slachtoffer te plaatsen. Tv-programma’s brachten hun belabberde sociaal-economische en psychische situatie voor het voetlicht. Zij hadden niet tot een oorlog besloten, maar kwamen wel getraumatiseerd thuis, terwijl leeftijdsgenoten in Nederland in de tussentijd een beroepsopleiding hadden genoten en een vaste baan hadden bemachtigd. Op zichzelf waren dit terechte opmerkingen.

De politiek was vatbaar voor dat narratief, deels uit plaatsvervangend schuldgevoel. De opmerkelijkste uitkomst daarvan is, mijns inziens, het debacle rond het staatsbezoek van koningin Beatrix in 1995 aan Indonesië. Jakarta had haar herhaaldelijk uitgenodigd om de vijftigste verjaardag van de Republiek mee te vieren. Het besluit om daarop in te gaan, was al voor 95 procent genomen. Het kabinet vond het een mooi gebaar om met het verleden in het reine te komen.

Er lag een draaiboek om dit nieuws naar buiten te brengen, ambtenaren dachten na over welke roofkunst zou worden teruggegeven en, niet onbelangrijk, de majesteit kon zich in het plan vinden. Toch krabbelde premier Lubbers op het laatste moment terug. Generaal Rudy Boekholt, boegbeeld van Indische Nederlanders, had hem er indringend op gewezen dat het veel Nederlanders diep zou kwetsen als Beatrix het jubileum van de revolutie zou meevieren.

De Indonesiërs waren diep beledigd

En dus ging de koningin pas een week na de festiviteiten naar Jakarta. Zelf kon ik me daarvan niet veel meer herinneren, maar de Indonesiërs waren diep beledigd. President Soeharto liet Beatrix op het laatste moment zitten voor een werkbespreking, Indonesische veteranen lieten de koningin en Nederlandse veteranen staan op een erebegraafplaats: zij kwamen niet naar de kranslegging. Beatrix’ zoon maakte het 25 jaar later goed: Willem-Alexander bood Indonesië excuses aan voor het extreme geweld.

Daarmee kan de verwerking van de oorlog nog niet worden afgesloten. Het lijkt mij zeer heilzaam als het Nederlandse publiek zich meer verdiept in het conflict. En als niemand de term ‘politionele acties’ nog in de mond neemt.

Lees ook:

Nederland folterde en liquideerde strijders op Bali

Het Nederlands gezag op Bali heeft in 1946 systematisch gevangenen gemarteld en omgebracht. Dat zegt historica Anne-Lot Hoek.

Ook Trouw heeft een complexe band met Indonesië

De hoofdredacteur van de krant schrijft naar aanleiding van een tentoonstelling in het Rijksmuseum over de eigen geschiedenis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden