75 jaar bevrijding

Jong in 1945: ‘Dat vrijheidsgevoel heeft me nooit meer verlaten’

Beeld Brechtje Rood

Hoe beleefden kinderen de bevrijding? Was het alleen maar feest? En hoe zag voor hen de samenleving eruit in het eerste decennium na de oorlog? Drie tachtigers halen herinneringen op.

‘De scheiding tussen de zuilen vond ik toen al raar’

Dave Heins (83) groeide op in een Veluws dorp: “Tijdens de oorlog kreeg ik op een gegeven moment les van mijn vader in ons huis, met de hele klas. Mijn vader was namelijk onderwijzer op de openbare lagere school in ons dorp Epe. De school was door de Duitsers bezet. Dat vond ik ­ongemakkelijk. Dan liep tijdens de les opeens moeder langs het raam. En die dubbele rol van mijn vader als leraar en als vader, nee, dat vond ik niet zo leuk. Ik was nog jong, veel herinner ik me niet precies meer, ik was 8 jaar bij de bevrijding. De school hervatte op de ­oude manier, weer buitenshuis, dat was fijn. Na de oorlog volgde ik eerst de Ulo in ons dorp en daarna de HBS in Apeldoorn. We gingen elke dag met de bus.

“In mijn herinnering liep het leven na de oorlog eigenlijk heel gewoon door, wij hadden geen groot gebrek gekend tijdens de oorlog en erna ook niet. Wij hebben tijdens de oorlog geen honger geleden, zoals zoveel anderen. Ja, mijn vader moest op een gegeven moment werken voor de Duitsers, aan de IJssel, dat was wel angstig, maar hij kwam uiteindelijk ook weer gezond en wel thuis.

“Voor meer opwinding voor ons kinderen zorgde de ontploffing van twee bommen midden in de Hoofdstraat. De Duitsers wilden daarmee de Canadezen hun doortocht op de Veluwe zo moeilijk mogelijk maken. En de vrouwen die met de bezetters hadden geheuld, moesten na de oorlog door de diepe kuilen kruipen, die waren ontstaan door de inslag. Veel mensen woonden die vernederende vertoning bij. Mijn vriend­innetjes en ik werden naar huis gestuurd.

“Wij leefden in die jaren vijftig echt in een dorp; wat zich in de rest van de wereld afspeelde, ging buiten mij om. Het leven was er rustig en weinig spannend. We deden wat er van ons werd verwacht, we werkten. Ik kan niet zeggen dat we heel optimistisch waren of juist niet.

“Ik herinner me in die naoorlogse tijd de scheiding in ons dorp tussen de verschillende zuilen. Ik vond dat toen al raar. Mijn moeder wilde naar een katholieke kapper, maar dat mocht eigenlijk niet. Ik geloof dat ze het wel gedaan heeft overigens. Mijn ouders waren hervormd en socialist. Wij lazen Het Parool, die krant kwam met de post. Mijn moeder ging naar de kerk, mijn vader niet.

“Ik ging na mijn HBS-eindexamen midden jaren vijftig werken bij het ­Veluws Nieuws, daar kwam ik via de ­vader van een vriendinnetje terecht. Die vader had een uitgeverij. Het was een blad voor alle gezindten, het had niet een bepaald stempel. De hoofdredacteur werd ziek, dat betekende dat ik zijn functie overnam, dat vond ik ontzettend leuk werk.

“Waar we allemaal over schreven? Nieuws van de persbureaus kwam ’s ochtends in een dikke envelop met de trein en de bus uit Den Haag. Die envelop haalde ik bij een bushalte op. Dat nieuws was natuurlijk al oud, maar je gebruikte het. Heel anders dan vandaag de dag natuurlijk, nu weet je al het nieuws direct, in die tijd duurde het soms even voor het in de krant stond. Verder schreef ik gewoon over allerlei lokale nieuwtjes, een bedrijfsuitje van een fabriek, een raadsvergadering.

“In 1960 ben ik naar Den Haag verhuisd en voor het Haags Dagblad gaan werken.”

‘Je deed wat je ouders zeiden en die luisterden naar de dominee’

Herman Zunneberg (82) ­herinnert zich het sobere leven in de jaren vijftig: “In de oorlogstijd was ik nog klein, maar ik weet er nog best wat van. Ik groeide op in Hilversum. Mijn vader ging op een gammele fiets eten halen in de hongerwinter, kwam dan dagen later terug met een zak rogge, wat kaas en spek. Wij hadden nog wel te eten, al aten we ook tulpenbollen. Maar er kwamen mensen aan de voordeur die eruitzagen als skeletten, en die vroegen dan om een paar aardappelschillen, dat maakte indruk. Ik was een jong kind bij de bevrijding. Het was een hele week feest.

“We hadden een echt gereformeerd gezin, vijf kinderen, ik was nummer twee. Elke zondag bezocht je de kerk. Je leerde psalmen uit je hoofd. Je deed wat je ouders zeiden en die luisterden naar de dominee.

“Ik zat wel met steeds meer vragen waarop ik geen antwoord kreeg. Onze buren waren behulpzame mensen, maar onkerkelijk. ‘Als wij dood gaan, dan gaan we naar de hemel, maar waarom gaan de buren naar de hel?’ Mijn moeder werd onzeker van zo’n vraag.

“De stemming was na de oorlog bij ons thuis, op school en eigenlijk overal, uitgesproken optimistisch. Iedereen begreep dat er aangepakt moest worden. Achter ons lag alleen maar ellende, terwijl voor ons de vrijheid iedereen toelachte. Dat optimisme ging gepaard met een gevoel van trots om weer Nederlander te zijn. Wij zongen op school vaderlandslievende liederen: ‘Hollands vlag jij bent mijn glorie. Hollands vlag, jij bent mijn lust …’

“In 1950 ging ik naar het christelijke lyceum in Hilversum, maar dat heb ik niet afgemaakt. Ik ging op een gegeven moment werken, op een melkfabriek.

“Wij hadden een klein huis. Centraal in de kamer stond de kachel met een lange pijp en die lekte nogal eens, het was niet bepaald zuivere lucht. In de achtertuin stond het kolenhok waar de kolenboer zijn kolen in stortte. Ook in de jaren vijftig leefden wij sober. Ik kreeg de schoenen van mijn oudere broer. Die schoenen werden eindeloos gelapt door de schoenmaker, die werkte vanuit een schuur achter in een tuin.

“Ik herinner me verder de leveranciers die in de straat kwamen. Veelal nog met paard en wagen. Het ging in een heel langzaam tempo. De groenteboer, de visboer, de schillenboer. Ze schreeuwden over straat dat ze er waren.

“Niet in alles waren wij even braaf, hoor. Een vriend van mij had ruimdenkende ouders, Daar waren we te vinden als zij zelf naar een verjaardag gingen. We rolden het kleed op en dansten.

“Later ben ik alsnog naar de avondschool gegaan en in 1957 haalde ik mijn eindexamen. Daarop volgde militaire dienst. Daarna verliet ik het ouderlijk huis en ging studeren.”

‘Dat grote vrijheidsgevoel heeft mij eigenlijk nooit meer verlaten’

Henk Bosman (85), vertelt over het grote gevoel van vrijheid bij de wederopbouw: “Ik heb heel veel herinneringen aan de bevrijding, ik was 10 jaar in 1945. Ik ben in de oorlog erg bang geweest. Ik woonde in Zandvoort, waar ook veel NSB’ers woonden. Ik speelde met hun kinderen, dat ging op zich prima, maar ze chanteerden me ook, dat was angstig. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: ‘Je moet dit en dit doen, anders halen we de Grüne Polizei erbij’. Allemaal niet heel erg. Maar het wegvallen van die dreiging van de Duitsers, maakte dat ik de bevrijding van ons land ook zelf echt als bevrijding beleefde.

“Ik zie het nog zo voor me: die dag, 5 mei 1945, kwamen we met ons gezin uit de kerk. Wij waren heel vroom en rooms-katholiek. Hing opeens de hele straat vol vlaggen, het was één groot feest. En ik dacht bij mezelf: nou zal ik ook echt van die vrijheid gaan profiteren.

“Dat ging nog niet zo vanzelf, want we zaten ingekapseld in die strenge rooms-katholieke zuil. Ik was de derde in een gezin van acht. Mijn vader was gemeentesecretaris en vooraanstaand KVP-lid. Voor mijn ouders was heel belangrijk: wat vindt de pastoor en wat vindt de buurt, je moest je dus altijd netjes gedragen. De normen binnen de zuil waren heilig. Ik voelde daar verzet tegen. Ik dacht al jong: wat heb ik daar eigenlijk mee te maken?

“Mijn hele omgeving, het hele land eigenlijk, stond na die oorlog in het teken van opbouwen. We hebben de oorlogstijd doorstaan, we hebben gewonnen, dat was de sfeer. En ook al was er nog jarenlang aan van alles tekort, we gingen hard aan het werk. We probeerden uit het leven te halen wat erin zat, ook al was het met beperkte middelen.

“Terugblikkend heb ik alle respect voor mijn ouders: ze hebben mij goed verzorgd, het kwam mij aan niets ­tekort. Op school ging het met mij ­allemaal niet zo vlot, ik ben van school gewisseld en ook een paar keer blijven zitten. Ik wilde vrij zijn, ik zocht de grenzen op. Ik heb als jonge jongen in die jaren heel wat stoute dingen uitgehaald en goed van het leven genoten. Ik deed pas in 1956 eindexamen gymnasium. Daarna ging ik in dienst en dat was ook weer een heerlijke tijd. Ik volgde een officiersopleiding en voelde me in luchtmachtuniform heel wat. Achteraf vind ik dat vrij overdreven, hoor, maar ik heb de status die dat gaf me laten welgevallen.

“In de jaren vijftig nam de dreiging van de Koude Oorlog toe, maar ik moet zeggen dat die mij nooit bang heeft gemaakt. Toen de Russen Hongarije binnenvielen, zat ik in dienst. Dat was zeker spannend, maar toch heel anders dan tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog. Ik heb toen voor mijn ogen gezien hoe joden, ook een vriendinnetje, werden afgevoerd naar Westerbork. Dat vergeet je nooit. Die oorlog is zo verschrikkelijk geweest. De dreiging van het communisme uit het Oosten was er niet mee te vergelijken.

“Na de diensttijd begon mijn werkende leven. Als ik terugblik op de tijd van de wederopbouw, denk ik aan dat grote vrijheidsgevoel. Dat heeft mij eigenlijk nooit meer verlaten.”

Lees ook:

De seksuele losbandigheid na de oorlog: ‘Alles zoop en naaide’

Van een dansje met de bevrijders tot openlijk gevrij op straat: de ‘zedenverwildering’ vormde na de oorlog een punt van maatschappelijk debat. Wat voor impact had de tijdelijke losbandigheid?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden