Jessica Bijvang denkt na over de mogelijkheid om de staat aansprakelijk te stellen voor haar adoptiegeschiedenis. ‘Dat zou ik willen, ja.’

Kinderbescherming

Jessica werd als baby afgestaan: ‘Niemand vroeg zich af hoe het met dat kleine meisje was’

Jessica Bijvang denkt na over de mogelijkheid om de staat aansprakelijk te stellen voor haar adoptiegeschiedenis. ‘Dat zou ik willen, ja.’ Beeld Maartje Geels

De Kinderbescherming speelt een belangrijke rol bij adopties. Geadopteerde Jessica Bijvang (54) stelt die rol nu aan de kaak. ‘Het is een schande wat er met mij gebeurd is. Niemand heeft zich om mij bekommerd.’

Baby Jessica is tien dagen oud als haar moeder haar achterlaat bij de Paula Stichting in Utrecht. Een knap kindje, met een snoezig gezichtje. Het is december 1965, een dag voor Oudejaarsavond, als de 23-jarige jonge vrouw de deur van het tehuis voor ongehuwde moeders achter zich dicht trekt. Haar dochter, denkt ze, zal opgroeien in een liefdevol gezin.

Het is anders gelopen voor de nu 54-jarige Jessica Bijvang. “Ik ben mijn hele leven onzichtbaar geweest”, zegt ze. Voor haar op tafel ligt een dik dossier met brieven van en naar de Kinderbescherming, papieren over haar tijd bij de Paula Stichting en de zoektocht naar haar biologische vader. De schuld en de schaamte over een jeugd in een gewelddadig en disfunctioneel gezin hebben lang op haar gedrukt. Alle ‘vormen van ellende’, zegt ze, is ze doorgegaan tijdens het verwerkingsproces. “Ik heb ontzettend hard gewerkt. Nu kan ik zeggen dat ik een goed leven heb.”

Niet eerder heeft ze willen vertellen hoe haar jeugd eruit zag, wat er gebeurde nadat de Kinderbescherming verantwoordelijk werd voor haar. Weer dat schuldgevoel en de schaamte waarover niet alleen ouders spreken die afstand hebben gedaan, maar ook kinderen die zijn afgestaan. Maar nu is het tijd. “Het is een schande wat er met mij is gebeurd. Niemand heeft zich om mij bekommerd.” Haar biologische moeder maakt ze geen verwijten en ook voor haar pleegouders voelt ze na al die jaren een zekere compassie. Maar de Kinderbescherming had haar moeten beschermen. En die heeft dat niet gedaan.

Kinderen willen staat aanklagen om hun adoptie

Kinderen die in de jaren vijftig, zestig en zeventig zijn afgestaan door hun ongehuwde moeders willen de Nederlandse staat aansprakelijk te stellen voor het leed dat hun is aangedaan. In ieder geval tien, inmiddels volwassen, kinderen zijn in gesprek met advocatenkantoor Rex Advocaten. De zaak is nog in de oriënterende fase, laat advocaat Carolien Jansma weten. 

Duizenden ongehuwde vrouwen deden tussen 1956 (toen de adoptiewet van kracht werd) en 1984 (toen abortus gelegaliseerd werd) afstand van hun kind. Uit eerder onderzoek blijkt dat dit gebeurde onder grote druk, maar volgens sommige vrouwen is dat te mild uitgedrukt. Zij stellen gedwongen te zijn hun kind achter te laten. Een van hen stelt daarvoor de Nederlandse staat aansprakelijk en vertelde daar in september over in Trouw. 

Over hoe het de kinderen is vergaan nadat ze werden afgestaan, is weinig bekend. Wat wel bekend is, schetst echter een weinig rooskleurig beeld. Uit een eerder onderzoek van de Radboud Universiteit blijkt dat baby’s, in tegenstelling tot wat hun moeders werd verteld, vaak lang in een tehuis zaten of van pleeggezin naar pleeggezin gingen. Uit andere verhalen doemt een beeld op van tehuizen waar weinig aandacht was voor de kinderen en waar baby’s kalmeringsmiddelen zouden krijgen om rustig te worden. Ook zijn dossiers lang niet altijd op orde. Sommige zijn kwijt, of er missen stukken. 

Het onderzoek naar binnenlandse adopties dat onlangs van start is gegaan, zou onder andere meer duidelijkheid moeten scheppen over de zorg aan kinderen die zijn afgestaan.

Door de spijlen van een box

Baby Jessica is dossier 9266, staat op de voorkant van een dikke gele map. De eerste anderhalf jaar van haar leven brengt ze door in het tehuis van de Paula Stichting aan de Admiraal van Gentstraat in Utrecht. Ze kan zich er weinig van herinneren, maar van een liefdevolle omgeving was volgens haar geen sprake. Ze wijst naar een foto van zichzelf, een meisje in een wit kort broekje kijkend door de spijlen van een box. “Eerst dacht ik: wat een schattige foto. Maar als ik beter kijk, zie ik een kind met angstige ogen.”

Er is weinig bekend over de zorg voor de duizenden kinderen die werden opgevangen in de vele huizen waar ongehuwde moeders in de jaren zestig bevielen en vaak onder druk hun kind achterlieten. Wat wel bekend is, levert geen rooskleurig beeld op. Kinderen kregen weinig tot geen aandacht, vertelde psycholoog Harlinde van Osselaer eerder over het tehuis Moederheil in Breda, opgericht door dezelfde congregatie als de Paula Stichting. Om de kleine kinderen rustig te krijgen, zouden ze kalmeringsmiddelen in hun flesjes hebben gekregen.

Dat laatste wordt ondersteund door het dossier van de zoon van Trudy Scheele-Gertsen, die eerder aan Trouw vertelde hoe ze gedwongen werd afstand te doen van haar zoontje. Het jongetje, dat was toevertrouwd aan de Paula Stichting in Oosterbeek, kreeg meermalen een kalmeringsmiddel dat later van de markt is gehaald vanwege ernstige bijwerkingen.

Jessica is een paar maanden oud als iemand in haar dossier schrijft dat ze veel lacht, maar ook te weinig speelt en te veel aandacht wil. Drie maanden later wordt vastgesteld dat het meisje inmiddels ook alleen kan spelen. Net als de zoon van Scheele-Gertsen, die bijna drie jaar oud is als hij in een gezin geplaatst wordt, verblijft ook Jessica lang in het tehuis van de Paula Stichting. 

Volgens onderzoek van de Radboud Universiteit naar binnenlandse adopties tussen 1956 (toen de adoptiewet van kracht werd) en 1984 (toen abortus legaal werd) is dat niet uitzonderlijk. Hoewel moeders werd voorgespiegeld dat het goed zou zijn om afstand te doen zodat hun kind kon opgroeien bij een ‘echt’ gezin, zaten kinderen langere tijd in tehuizen of gingen ze van pleeggezin van pleeggezin.

Waarom kinderen zo lang in tehuizen bleven, is niet duidelijk. In het geval van Jessica denkt een van de maatschappelijk werkers die in het dossier voorkomen dat het misschien komt omdat zij een ‘donker kindje’ is. Haar vader heeft, voor zover ze van haar moeder begreep, wortels in Indonesië.

De verhuizing verloopt niet zorgvuldig

In maart 1967 gaat Jessica, dan bijna anderhalf jaar oud, naar een pleeggezin in Kampen. In sommige brieven in haar dossier staat dat zij dan al in een ander gezin gewoond heeft, maar weer is teruggebracht. Elders staat dat een beoogd gezin op het laatste moment is afgehaakt vanwege problemen met een ander kind in het gezin.

Duidelijk is wel dat de verhuizing naar Kampen niet zorgvuldig verloopt. “Op een goede dag ben ik daar ineens naartoe gebracht”, vertelt Bijvang. “Op foto’s zit ik in een campingbedje, dat laat wel zien hoe goed de plaatsing is voorbereid.” Haar pleegmoeder bevestigt die gang van zaken. In december 1966 melden zij en haar man zich bij de Kinderbescherming en volgens haar staat er op een dag ‘plompverloren’ iemand voor de deur met een kindje en is die plaatsing niet voorbereid.

In het dossier van Bijvang missen drie cruciale jaren: in 1974 schrijft de Kinderbescherming dat alle gegevens tussen 1967 en 1970 ontbreken. Waarom staat er niet. “Mij is verteld dat degene die belast was met mijn plaatsing met pensioen is gegaan”, zegt Bijvang. “Ze zijn mij toen gewoon vergeten.”

Onder koude douches gezet

Wanneer de Kinderbescherming in 1970 weer betrokken raakt bij het gezin, treft het een weinig fijne plek aan. De pleegmoeder, die omschreven wordt als ‘psychisch nogal labiel’, voert ‘een voortdurende strijd’ met de kleuter. Dat doet ze, schrijft de Kinderbescherming, ‘door haar heel kort te houden, veel geboden en verboden te stellen en haar straf tegemoet te treden’. 

Volgens Bijvang is ze door haar pleegmoeder geslagen, onder koude douches gezet en tegen verwarmingsbuizen gedrukt, waardoor ze verbrandde. “Ik ben zo geïndoctrineerd geweest met het idee dat alles altijd mijn schuld was. Ik was een kind uit het kindertehuis, er moest wel iets mis zijn met mij. “Ook het moment dat ik hoorde dat ik geen kind van hen was, ging gepaard met veel geweld. Uiteindelijk ging mijn pleegmoeder aan tafel zitten, waar zo’n ouderwetse draaitelefoon op stond, en deed alsof ze met het tehuis belde. Ze liet me geloven dat ik terug moest.”

In het dossier wordt haar pleegmoeder niet alleen omschreven als een psychisch labiele vrouw maar ook als onzeker, gespannen en krampachtig. “Als zij zich bedreigd voelt kan zij heftig reageren en de redelijkheid uit het oog verliezen”, schrijft de Kinderbescherming, en “de sfeer die zij om zich heen schept doet weinig warm aan”. De vrouw is meermalen opgenomen geweest vanwege depressies, migraine en rugklachten en kreeg medicatie. “Met de kennis van nu denk ik: dat moet voor haar heel heftig geweest zijn”, zegt Bijvang. Haar pleegvader was een vriendelijke man, maar sloot zijn ogen voor wat er gebeurde en was niet opgewassen tegen zijn vrouw.

Haar pleegmoeder bevestigt tegenover Trouw dat ze haar dochter sloeg en zegt dat ze ‘te streng voor haar is geweest’. Een rapport dat is opgesteld toen Bijvang, eenmaal in de dertig, haar naam wilde veranderen, ondersteunt haar verhaal dat ze fysiek en psychisch is mishandeld. Bijvang is de naam van haar biologische moeder, ze wil de achternaam van haar adoptieouders niet meer dragen. “Na mijn scheiding kreeg ik die naam weer terug. Ik werd er misselijk van. Echt fysiek.”

Ze vindt het schandelijk dat de Kinderbescherming wist dat veel niet in de haak was in het gezin, maar haar er toch achterliet. “Niemand heeft mij gezien. Niemand heeft zich afgevraagd hoe het met dat kleine meisje was.” Ze is even stil, neemt een slok van haar koffie. “Het ontroert me als ik dat zeg. De Kinderbescherming is er om kinderen te beschermen. Hier moeten we ons als samenleving verantwoordelijk voor voelen.”

De rechter is niet gelukkig met keuze voor dit gezin

De achternaam van haar pleegouders krijgt Bijvang volgens sommige documenten in 1976, volgens andere in 1979. Zelf heeft ze het idee dat ze een jaar of dertien was toen ze officieel geadopteerd werd, wat zou kloppen met het jaartal 1979. Ook een verzoek uit 1978 om informatie in verband met een adoptieverzoek wijst daarop. De papieren over de adoptie zelf ontbreken. Het is slechts een van de fouten en slordigheden in haar dossier.

Het gezag krijgen haar pleegouders in 1974, het moment dat haar biologische moeder uit de voogdij wordt gezet. Ook dat is opvallend. De normale gang van zaken was dat de voogdij tijdelijk was overgedragen aan een zogeheten ‘toeziend voogd’. Dat had bijvoorbeeld de Kinderbescherming kunnen zijn, soms ook een maatschappelijk werker. Dat is nooit gebeurd, hoewel in rapporten staat dat Jessica’s moeder bereid is daaraan mee te werken. 

De kinderrechter is niet gelukkig met de keuze voor dit gezin, schrijft hij in 1974 aan de Kinderbescherming, maar stelt dat hij na ruim zeven jaar, ‘niet anders kan’ dan de voogdij over te dragen aan het echtpaar uit Kampen. “Zo van, laten we maar akkoord gaan”, interpreteert Bijvang dat korte briefje.

Zij kan zich herinneren dat ze het vervelend vond dat ze een nieuwe achternaam kreeg. “Ik wist heel goed dat ik niet in een goede situatie zat, dat het bij andere kinderen anders ging. Ik heb me nooit geïdentificeerd met deze mensen, wat natuurlijk heel irritant is geweest voor mijn pleegouders. Dat snap ik wel. Ik vond heel veel dingen stom.”

‘Mijn moeder dacht dat anderen goed voor mij zouden zorgen’

Haar biologische moeder ontmoette Bijvang op haar 21ste. “Ze vond het heel ingewikkeld om mij te ontmoeten. De kinderen die ze na mij kreeg, heeft ze verteld dat ik de dochter was van een goede vriendin. Toen vond ik dat prima. Nu denk ik: jeetje, wat pijnlijk.” Toch is Bijvang dankbaar dat ze haar heeft ontmoet en noemt ze die dag een van de mooiste van haar leven. Veel tijd was er niet om elkaar te leren kennen: haar moeder overleed kort na die eerste ontmoeting.

Bijvang doet haar verhaal nadat ze in Trouw las over Scheele-Gertsen, die in 1968 gedwongen werd haar zoon af te staan. “Ik moest huilen toen ik het las. Ook voor mijn moeder. Ik geloof echt dat ze gedacht heeft dat andere mensen goed voor haar kind zouden zorgen.” 

Ze treedt ook naar buiten omdat ze niet gelooft niet dat zij, van de meer dan 15.000 Nederlandse kinderen die geadopteerd zijn tussen 1956 en 1984, de enige is bij wie het fout is gegaan en van wie er stukken uit de dossiers missen en data niet kloppen. Het onderzoek naar binnenlandse adopties dat recent is begonnen, moet daar meer duidelijkheid over geven. Maar wat al bekend is, sluit aan bij dat vermoeden. Volgens Will van Sebille van stichting De Nederlandse Afstandsmoeder zijn veel dossiers niet op orde en zijn sommige zelfs verdwenen. “Wat ik zo hoor, ging er meer mis.”

Onvrede over adoptiegeschiedenis

Uit het verhaal van Eugénie Smits van Waesberghe, die geadopteerd is en een boek schreef over haar geschiedenis, is bijvoorbeeld bekend dat haar biologische moeder haar wilde ophalen bij Moederheil, maar bij het tehuis onterecht te horen kreeg dat het meisje al geadopteerd was. Decennia later bleek dat ze op dat moment nog in het huis was en er een jaar heeft gezeten. 

Daar komt bij dat Bijvang niet het enige kind is dat de afgelopen weken contact opnam met Trouw uit onvrede over zijn adoptiegeschiedenis. Advocaat Carolien Jansma laat weten dat op dit moment tien kinderen een rechtszaak willen beginnen tegen de staat vanwege het leed dat hen is aangedaan.

Bijvang heeft zich ook de afgelopen jaren niet serieus genomen gevoeld door de Kinderbescherming. “In Zwolle is ooit tegen mij gezegd dat, mocht ik een zaak aan willen spannen, die al verjaard zou zijn. Maar toen was ik daar helemaal niet mee bezig.” Dat is nu anders. Bijvang denkt na over de mogelijkheid om, net als Scheele-Gertsen, de staat aansprakelijk te stellen. Gedecideerd zet ze haar koffiekop neer. “Dat zou ik willen, ja.”

De Kinderbescherming, om commentaar gevraagd, laat weten niet te willen ingaan op individuele zaken.

Lees ook:

Haar pasgeboren zoon werd tegen haar wil weggehaald: ‘Het is mensonterend’

De dan 22-jarige Trudy Gertsen staat in de jaren zestig haar zoon af, tegen haar wil. Ze stelt de Staat daarvoor aansprakelijk.

Dossiers over adoptie zijn voortaan gratis op te vragen, belooft minister Dekker

Deze week start een onderzoek naar de praktijken die ertoe leidden dat duizenden vrouwen in de jaren vijftig, zestig en zeventig hun kind afstonden. Minister Sander Dekker wil alvast nadenken wat de overheid nu kan doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden