Jan Loos woonde in Oosterbeek ten tijde van de Slag om Arnhem. Zijn dorp werd een frontlinie tussen Britten en Duitsers.

Interview 75 jaar bevrijding

Jan Loos maakte de slag om Arnhem in alle hevigheid mee: Ik hoor die stervende Duitser nog roepen

Jan Loos woonde in Oosterbeek ten tijde van de Slag om Arnhem. Zijn dorp werd een frontlinie tussen Britten en Duitsers. Beeld Ringel Goslinga

De Slag om Arnhem begon vandaag precies 75 jaar geleden, op 17 september 1944. Jan Loos, toen 14 en nu 89 jaar, woonde in Oosterbeek, waar zware strijd werd geleverd. In een kelder wist hij met zijn moeder en zusje beschietingen en ander oorlogsgeweld te overleven. ‘We wachtten op de dood, of het einde van het vechten.’

“Als ik over de oorlog vertel, begin ik altijd met uit te leggen dat die voor mij persoonlijk uit twee verschillende ervaringen bestaat: de oorlog én de Slag om Arnhem. In mijn herinnering is die slag van september 1944 alles­overheersend.

“Dan denk ik bijvoorbeeld aan die ene bizarre nacht in de schuilkelder, waar we vele ­dagen en nachten opgesloten zaten, terwijl ­boven onze hoofden gevochten werd. Er lag een Duitser dicht bij het kelderraam te kermen: ‘Mutti Mutti Mutti, es tut so weh’. Urenlang. Ik hoor het nog, dat geroep van iemand die ligt te sterven. Niemand durfde erheen. Tot hij eindelijk stilviel. Dood, begrepen wij.

Dat was in Oosterbeek, waar mijn ouders, mijn twee jaar jongere zusje en ik woonden. Voor de oorlog was mijn vader lang werkloos, maar in 1939 werd hij burgerchauffeur voor defensie. Mijn moeder kwam in 1926 in Nederland werken, ze was Duits, verhuisde uit het Ruhrgebied. Door haar huwelijk werd ze Nederlandse. Ze sprak ook perfect Nederlands, maar met ons sprak ze veel Duits.

Kekke soldaten

Over de opkomst van Hitler in Duitsland werd bij ons thuis niet gesproken. Politiek was geen issue. Mijn ouders waren gereformeerd en stemden dús Colijn. Een eenvoudig arbeidersgezin, we hadden genoeg aan onze eigen zorgen. Toch heb ik een perfecte jeugd gehad. Wij hadden niks nodig, we speelden, we hadden de bossen, vriendjes over de vloer.

Ik herinner me de komst van de Duitsers, ik was bijna tien jaar. Ik stond op de hoek van de Utrechtseweg, zo’n beetje aan het einde van onze straat. Daar kwamen die Duitse soldaten aangereden. Ik vond dat indrukwekkend, met die motoren met zijspan, bang was ik totaal niet. Soldaatje spelen was populair, als je dan zulke kekke soldaten ziet, maakt dat indruk. Anti-Duits waren wij niet, al vonden we het onterecht dat ze hier waren – vooral mijn moeder, ze was zwaar teleurgesteld in haar land.

Ik merkte als jongen in de eerste jaren weinig van de bezetting. In Oosterbeek was ook geen Duits detachement. Uit de problemen blijven, dat deden we. Het verzet kenden wij niet. Mensen wantrouwden ons, vanwege mijn moeder. Onterecht, maar begrijpelijk.

We leefden tamelijk normaal

Op den duur kreeg ik wel de pest aan de Duitsers, vooral omdat er niets fatsoenlijks meer te eten was. En je moest om acht uur ’s avonds binnen zijn, dat vonden wij jongens heel irritant. Toch leefden we tamelijk normaal, tot die nazomer van 1944. Ik was inmiddels 14 jaar, zat op de ulo, het uitgebreid lager onderwijs (nu mavo, red.). In juni 1944 hoorden we dat de geallieerden in Normandië waren geland. En op 5 september volgde Dolle Dinsdag: ze kwamen eraan, er was feest op straat. De dagen erna viel alles weer stil.

Op die zondagochtend 17 september ging mijn vader nietsvermoedend op de fiets naar zijn werk. Een mooie nazomerdag. Hij was in de oorlog bewaker van gebouwen van de provinciale voedselcommissaris. Een van die gebouwen stond bij de noordelijke oprit van de Rijnbrug in Arnhem. Daar moest hij heen.

Mijn moeder, mijn zus en ik gingen naar de kerk. Daar hoorden we bommen ontploffen aan de kant van Arnhem. Daarna aan de andere kant van het dorp, zo hard dat de ruiten rammelden. De dominee zei: ‘Mensen, we stoppen, maak dat je veilig thuis komt’.

Duizenden parachutisten

Die middag was er ineens een ongekend lawaai van laag overvliegende bommenwerpers. Ze sleepten zweefvliegtuigen mee, koppelden ze los als ze net over ons dorp heen waren. Daarin zaten jeeps en ander materieel. Zoiets had ik nog nooit gezien. En opeens was de hele lucht vol duizenden parachutisten. Een gigantisch gezicht. Iedereen uit ons dorp stond op straat. We begonnen elkaar te feliciteren, de straten kleurden alweer oranje.

Jan Loos nam de Bijbel van zijn familie mee uit het verwoeste huis. Er zitten meerdere kogelgaten in. Beeld Ringel Goslinga

En dan ga je zitten wachten, maar we hebben die zondag geen Brit gezien. Mijn moeder zei nog: ‘Ik ga bij de slager proberen papa te bellen om te vertellen wat we gezien hebben’. Daar was de enige telefoon in de buurt. Komt ze thuis en vertelt: ‘Nou, die Engelsen zitten dus al bij hem op kantoor’. Die Britten zijn blijkbaar direct na de landing in hun jeeps geklommen en naar de Rijnbrug gereden. Hun doel was die brug in te nemen, maar de Duitsers zaten nog aan de overkant. Rond de noordelijke oprit, waar mijn vader werkte, zijn gebouwen en huizen bezet door de Britten.

Maandagochtend vroeg ging ik met wat jongens weer naar de hoek van de straat. Nog steeds had niemand Britten gezien. Er lag wel een aantal gesneuvelde Duitsers op een grasveld. Het was de eerste keer dat ik lijken zag. Dat beeld staat nog op mijn netvlies. Eentje had een handgranaat vast. En een lag over een kinderwagen, blijkbaar had een ander geprobeerd hem daarmee weg te krijgen. Hij miste een van zijn ledematen.

Twee mitrailleurs

Ik vond het niet erg om te zien. Ik vond het zelfs hartstikke interessant. Je leerde in de oorlog: de enige goeie Duitser is een dooie Duitser. Dit was dus goed. Wat ik wél heel erg vond, was dat drie mannen uit het dorp door de Duitsers waren geëxecuteerd de avond tevoren. Ik kende die mannen, dat hakte er in.

En toen kwamen eindelijk de eerste Britten aangereden. Weer feest, ze deelden chocola uit. Ze gingen richting Arnhem.

Toch kregen we die maandag al het gevoel dat het niet lekker liep. We zagen boven Arnhem grote rookwolken en in het noorden van Oosterbeek ook. En we hoorden veel schieten. Zoveel dat mijn moeder zei: we gaan vannacht beneden in de keuken slapen. Dinsdagmorgen bleek dat de Britten zich in Oosterbeek aan het ingraven waren. Ze kwamen ons huis binnen, liepen naar de voorkamer, en rats, trokken ze de gordijnen naar beneden. Daarna schoven ze het dressoir voor het raam, sloegen al het glas uit de ramen en zetten er twee mitrailleurs op. Twee stoelen erachter. Mijn moeder zei tegen ons: ‘Hier, allebei een tas, pak het hoognodige in, we gaan naar de buren’. Dat huis was nog niet ingenomen.

Intussen was het gas afgesloten, er was geen elektriciteit en geen water meer. Bij de buurvrouw woonde een jong stel in. Met de man, Walter, ben ik water gaan halen bij een pomp in het dorp, een teil vol en twee emmers. Een ­Engelsman riep nog: ‘Pas op, daar zitten Duitsers’, maar het lukte.

Gedurende de avond kwamen er nog twee oude dames bij in die kelder. En een half uur ­later nog een ouder echtpaar. Die woonden verderop in Oosterbeek. ‘Bij ons staat alles in brand’, vertelden ze. We sliepen met zijn tienen in de nauwe kelder.

Het geitje

Nou ja, dinsdagnacht voorbij. Woensdag kwamen de Britten ook dit huis in, op zolder zetten ze een mitrailleur neer. In de nacht van woensdag op donderdag barstte het schieten los, een onophoudelijk, hels kabaal. Nou, daar zit je dan in de kelder. We hadden bijna niks meer te eten.

Donderdag leek het even rustiger te worden. Het water raakte op. Mijn moeder zei: ‘We proberen weg te komen’. Walter en ik renden door het huis en vonden een ragebol. Bol eraf en aan de stok schoven we alle tassen, zodat we ze konden dragen. Mijn zusje nam het geitje mee. Ja, het geitje van de buurvrouw stond nog buiten, het leefde nog. Mama had een witte lap om mee te zwaaien.

Dan kom je buiten. Het fluit en knalt om je heen. Op de weg is geen levende ziel te zien. Daar een huis in brand, daar een uitgefikte jeep. Een Duitse tank schoot granaten onze kant uit. Wij gingen plat op de weg liggen. Mijn zusje krijste en krijste. Toen het even ­rustiger leek, riep mijn moeder: ‘We gaan terug’. We hebben alles achtergelaten en zijn terug naar de kelder gerend. Walter en ik hebben toen nogmaals water gehaald bij die pomp. ­Levensgevaarlijk, maar het lukte weer.

Het geitje? Dat heeft mijn zusje losgelaten toen we terugrenden. Later heb ik een verslag gelezen van een Britse soldaat. Hij beschrijft hoe hij een huis in Oosterbeek inliep en onder de keukentafel een levend geitje aantrof. Het beestje moet achter ons zijn aangelopen. Die Britten hebben hem opgegeten.

Vies, koud en afgestompt

Zo gingen donderdag, vrijdag en zaterdag voorbij, bijna geen eten, alleen zitten. We zeiden bijna niets. Continu kabaal buiten, we waren zo vies, het was koud, we raakten helemaal afgestompt. We wachtten tot we dood gingen, of tot er een eind kwam aan het vechten.

Zaterdagavond hoorden we voor het eerst Duitsers naar elkaar roepen. Die nacht was er die kermende, stervende Duitser vlakbij. Vreselijk.

Jan Loos geeft rondleidingen op de Airborne-begraafplaats, waar 1600 Britse soldaten zijn herbegraven. Beeld Ringel Goslinga

De zondag ging voorbij. Maandagmorgen hoorden we een stem: ‘Gibt es noch Zivilisten im Haus?’ Wij riepen snel ‘ja’. Zij: ‘Handen omhoog en in een rij de kelder uit’. We maakten het luik open en ik kijk zo de open lucht in. Het huis was zo zwaar beschadigd, er zat geen dak meer op. Er lagen dooie soldaten op straat. We liepen Oosterbeek uit. Ik weet nog dat mijn moeder zei: ‘Nu vindt papa ons nooit meer terug’. Het regende, was koud. Toen waren we echt vluchtelingen, we hadden niets meer, we wisten niet waar we heen konden.

We kwamen op de weg naar Schaarsbergen. Daar liepen duizenden mensen, evacués uit Arnhem. Komt er een kennis van mijn moeder langs, die zegt: ‘Greet, je man loopt je te zoeken’. En ja, daar liep papa. Dat was me een ­hereniging! We hebben in een school overnacht. Er was nog een bombardement net buiten de school. Wij bleven gelukkig ongedeerd.

Oorlogskerkhof

Via het Rode Kruis zijn we terecht gekomen bij een boerenfamilie in Epe. Daar bleven we tot juni 1945, de hele oorlogswinter en daarna. Ik heb zelf op een andere boerderij gewerkt, een leuke tijd. Aan eten geen gebrek. De bevrijding heb ik daar meegemaakt, maar gek genoeg herinner ik me die niet als heel bijzonder. De ene dag waren we Duits en de volgende dag bevrijd.

Toen wij terugkwamen in ons dorp Oosterbeek was dat een soort oorlogskerkhof. Overal lagen Britten begraven. Wij hadden er twee in de tuin. We maakten er een mooi heuveltje op, met een bloemetje. We vonden tussen de rotzooi onze Bijbel terug, met een kogelgat erin. Die heb ik nog altijd, 75 jaar lang bewaard.

Ik heb de mulo gehaald, daarna hbs en ik werd piloot bij de marine. Ik trouwde en we kregen drie kinderen. Tot 1971 heb ik gevlogen, daarna kreeg ik staffuncties tot aan mijn pensioen. Mijn vrouw is overleden in 1995 en een zoon verongelukt in 1990. Ik woon nu in een serviceflat in Renkum, dichtbij Oosterbeek. Ik heb zes kleinkinderen en een vriendin, die hier vlakbij woont.

Ik geef regelmatig rondleidingen op de Airborne-begraafplaats, waar 1600 Britse soldaten zijn herbegraven. Zij verloren de Slag om Arnhem, maar ze gaven wel hun leven vechtend voor onze vrijheid. Ik vind dat dit niet mag worden vergeten.”

75 jaar bevrijding 

Trouw laat de komende maanden mensen aan het woord die in 1944 en 1945 de bevrijding van de Duitse bezetters zelf hebben meegemaakt. Dit is de tweede aflevering. De verhalen worden verzameld op trouw.nl/75jaarbevrijding.

Bér Schroen maakte als 14-jarige de bevrijding mee: Die beelden raak je niet meer kwijt

Vandaag begint de formele viering van de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden. Bér Schroen – nu 89, toen 14,5 – verwelkomde de eerste Amerikaanse pantserwagens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden